XXVII.

Daar Sergej Iwanowitsch eerst in het laatste oogenblik tot zijn

vertrek naar buiten had besloten, had hij zijn broeder daarvan geen

bericht gezonden. Lewin was derhalve niet te huis toen Kosnischew en

Katawassow in een tarantas, die zij aan het station gehuurd hadden,

bestoven als Arabieren, des middags om twaalf uur voor zijn huis

stilhielden. Kitty zat met haar vader en Dolly op het balkon. Zij

herkende haar zwager en snelde naar beneden hem te gemoet.

"Je moogt je wel schamen, dat je ons niets hebt laten weten!" zeide

zij, terwijl zij hem de hand reikte en het voorhoofd hem

tegenhield. "Je ziet, dat we heel goed hebben gereden zonder je

moeite te veroorzaken," antwoordde Sergej Iwanowitsch. "Maar ik

ben zoo bestoven, dat ik u bijna niet durf naderen. Ik had zooveel

drukten, dat ik vooraf niet kon bepalen, wanneer ik mij zou kunnen

losrukken. Maar gijlieden hier geniet, als altijd, in je stille hoekje

een vreedzaam geluk.... Hier onze oude vriend Fedor Wassilitsch is

er ook eens uitgevlogen."

"Denk niet, dat ik wezenlijk een neger ben; als ik mij heb gewasschen,

zal ik een menschelijk voorkomen hebben," en zijn witte tanden

schitterden tusschen zijn schalkachtig vertrokken lippen, terwijl

hij haar de hand reikte.

"Kostja zal heel blijde zijn.... Hij is in het veld, maar hij zal

wel terstond terug zijn."

"Altijd druk in de zaken. Maar wij zijn ook in Arkadië," zeide

Katawassow.--Wij in de stad zien en hooren niets dan van den Servischen

oorlog. Hoe denkt onze vriend daarover? Waarschijnlijk anders als

andere menschen?"

"Ja, niet zooals allen," antwoordde Kitty een weinig verlegen en

wendde zich tot Kosnischew: "Ik zal hem laten halen. Papa is ook

hier. Hij is eerst onlangs uit het buitenland teruggekomen."

Zij liet dus naar Lewin zoeken, wees de bestoven gasten hun kamers,

bestelde voor hen een verversching en ging toen weer naar het balkon.

"Dat zijn Sergej Iwanowitsch en Katawassow, de professor," zeide zij.

"Oef! dat is veel op eens met die warmte," meende de oude vorst.

"Neen, papa, hij is heel aardig en net en Kostja houdt veel van hem,"

zeide Kitty met een smeekend lachje, daar zij in zijn trekken een

spottende uitdrukking bemerkte.

"Ik heb er niets tegen."

"Ga jij ze wat bezig houden, Dollylief," wendde zij zich tot deze. "Zij

hebben onderweg Stiwa aangetroffen, hij is welvarend. Ik moet eens

naar mijn kleinen Mitja. Hij heeft sedert van morgen niets gehad en

zal ongeduldig worden. Hij zal misschien wakker zijn en schreien."

En met snelle schreden ijlde zij naar de kinderkamer.

Mitja schreide werkelijk. Reeds van verre hoorde Kitty zijn stem en

verdubbelde haar schreden. De stem was krachtig en gezond, slechts

hongerig en ongeduldig.

"Schreit hij al lang, Stanja?" vroeg Kitty, terwijl zij haastig

op een stoel ging zitten en zich gereed maakte om hem de borst te

geven. "Geef hem toch dadelijk hier. Wat ben je langzaam! Het mutsje

kun je immers later vastbinden."

Het kind liet een vreeselijk hongerig schreeuwen hooren.

"Zoo kan het toch niet, moedertje," zeide Agasija Michailowna, die

nu bijna altijd in de kinderkamer was; "hij moet toch eerst in orde

gebracht worden." "Suja, suja," zong zij over hem gebogen, zonder

zich aan de moeder te storen.

Stanja bracht eindelijk het kind naar zijn moeder. Agasija Michalowna

ging achter hen heen met een gelaat overvloeiende van teederheid.

"Hij kent mij al! wezenlijk, hij kent mij!" riep zij uit.

Maar Kitty sloeg geen acht op haar; haar ongeduld vermeerderde met

dat van het kind. Derhalve kwam ook de zaak niet dadelijk in orde. Het

kind vatte niet juist aan zooals het moest en ergerde zich.

Eindelijk, na een laatste wanhopig geschreeuw gelukte het; moeder en

kind werden nu gelijktijdig rustig en stil.

"Nu kun je wel gaan," fluisterde Kitty. "Hij zal inslapen. Maar

het arme kind baadt in zweet." En zij betastte het van alle

zijden. "Waarom denk je, dat hij je reeds kent?" liet zij volgen,

en beschouwde met genoegen de oogjes, die van onder het mutsje

haar tevreden en guitig schenen aan te kijken, zijn zachte wangen,

die zich gelijkmatig opbliezen en de rooskleurige handjes, die zich

onophoudelijk bewogen. "Dat is onmogelijk, want als hij iemand kende,

zou hij mij het eerst kennen," antwoordde Kitty op Agasija's bewering.

"Als hij wakker wordt, zal u het zien, als God wil. Doe ik zóó, dan

verheldert zijn gezichtje geheel," volhardde Agasija Michailowna. "Nu

goed, goed! Wij zullen het wel zien," fluisterde Kitty! "Ga nu

maar. Hij slaapt in."

Agasija ging op de teenen de kamer uit; Stanja liet de rouleaux neder,

joeg de vliegen weg van achter de mousselinen gordijnen van het bedje

en evenzoo een groote bromvlieg, die tegen de vensterruiten stiet,

en nadat zij met een berkentak over moeder en kind gezwaaid had,

ging zij zitten.

"Welk een hitte! Foei hoe warm! Als de hemel maar regen gaf!" zeide

zij.

"Ja ja! St.!" antwoordde Kitty, terwijl zij teeder en licht Mitja, die

de kleine oogjes nu opende, dan sloot, op haar schoot wiegde. Eindelijk

hield ook het kleine handje op zich te bewegen. Het kind zag, terwijl

hij slechts van tijd tot tijd zijn voedingsbezigheid voortzette en de

lange wimpers ophief, zijn moeder aan met de vochtige oogjes, die in

het half donker zwart schenen. Men hoorde de kindermeid niet meer;

zij was zelf ingesluimerd. Van boven liet zich de stem vernemen van

den ouden vorst en het gelach van Katawassow.

"Zij zijn ook zonder mij in discours geraakt," dacht Kitty, "maar het

is toch ergerlijk, dat Kostja er niet is. Hij zal wel weer naar de

bijenkorven zijn gegaan. Dat wekt altijd zijn belangstelling op. In

de lente was hij somwijlen somber en gedrukt, nu zijn die phasen

veel minder. Hij heeft te veel philosophieën gelezen en dat bracht

hem tot ongeloof. Hij zegt zelf, dat hij geloovig wenschte te zijn;

maar waarom is hij het dan niet? Waarschijnlijk omdat hij te veel

denkt als hij alleen is. Is hij al een ongeloovige, mij dunkt, het

is toch nog beter zóó te zijn dan zooals madame Stahl was en ik zijn

wilde in Soden--neen, hij is oprecht en braaf."

En daarbij viel haar een onlangs door hem betoonde trek van

goedheid in. Een paar weken geleden had Dolly van haar echtgenoot

een berouwvollen brief ontvangen, waarin hij haar bezwoer zijn eer

te redden en haar goed te verkoopen om daarmede zijn schulden te

betalen. Dolly was buiten zich zelf; zij verachtte haar man, was

toornig en had medelijden met hem, en het einde was, dat zij ten

slotte inwilligde een deel van haar goed te verkoopen. En nu dacht

Kitty bewogen en onwillekeurig glimlachend aan de verlegenheid en de

ongeschikte pogingen om het middel, dat hij tot Dolly's redding had

bedacht, haar voor te stellen, zonder haar te beleedigen. Hij zocht

namelijk Kitty te overreden haar aandeel in Dolly's bezitting af te

staan, wat haar zelf tot hiertoe niet in den zin was gekomen.

"Welk een ongeloovige is hij dan? Met zulk een hart en in gestadige

zorg om niemand leed te doen! Alles heeft hij voor anderen over. Sergej

Iwanowitsch acht het natuurlijk, dat Kostja zijn rentmeester is. Nu

staan ook Dolly en haar kinderen onder zijn bescherming, en al

de boeren komen dagelijks bij hem, alsof hij verplicht is hen te

helpen.... Ja, wordt maar zoo goed als je vader!" dacht zij, terwijl

zij met haar lippen Mitja's wang aanraakte en hem aan Stanja overgaf.

Anna Karenina(#13214) · 第 185 / 196 题