XXVI.

Een paar maanden waren verloopen. In de omgeving van Sergej

Iwanowitsch Kosnischew sprak en schreef men over niets anders dan

over het Slavische vraagstuk en over den Servischen oorlog. Al wat

gewoonlijk de ledigloopende menigte doet om den tijd te dooden, werd

nu voor de Slavische broeders gedaan. Bals, concerten, redevoeringen,

de damestoiletten, de hotels, alles verried de belangstelling voor

de Slaven.

Met veel van hetgeen men zoo sprak en schreef stemde Sergej

Iwanowitsch niet in. Hij erkende, dat de Slavische vraag tot modezaak

was geworden, en erkende ook, dat velen er zich uit eerzuchtige en

zelfzuchtige beweegredenen mede bezig hielden. Hij zag in, dat de

dagbladen sterk overdreven en veel papier nutteloos bedrukten met

het eenig doel, de opmerkzaamheid tot zich te trekken en de andere te

overschreeuwen. Hij bespeurde, dat zich bij deze algemeene geestdrift

de onvergenoegden en tot hiertoe teruggezetten het luidruchtigst naar

voren drongen en dat zich allerlei belachelijke lichtzinnigheid ruim

baan maakte; maar hij bemerkte ook een ongetwijfeld oprechte, zich

steeds meer verbreidende geestdrift, die alle klassen der samenleving

vereenigde en bepaalde waardering verdiende. De strijd der geloovige,

Slavische broeders vroeg deelneming en vijandschap tegen hunne

onderdrukkers. Maar bizonder was Sergej Iwanowitsch over zulk eene

uiting der openbare meening verheugd. Het publiek had duidelijk zijn

gevoelen doen blijken. De ziel des volks, zooals hij het noemde, had

een uitdrukking gevonden. En hoe meer hij zich met deze zaak bezig

hield, des te duidelijker werd het hem, dat zij van een reusachtige,

geschiedkundige beteekenis zou worden.

Derhalve wijdde hij zich geheel aan den dienst dezer groote zaak,

en zijn tijd was er zoozeer door in beslag genomen, dat hij aan alle

hem gestelde eischen niet kon voldoen.

Nadat hij de geheele lente en een deel van de zomer had gewerkt, kwam

hij er eerst in Juli toe naar buiten te gaan en zijn broeder Lewin

te bezoeken. Hij begaf zich er heen om, een paar weken op het land

teruggetrokken, den volksgeest in zijn verheffing waar te nemen en

wat tot verhaal te komen. Katawassow, die al lang beloofd had Lewin

te bezoeken, vergezelde hem.

Toen Sergej Iwanowitsch en Katawassow aan het station afstapten, kwamen

daar te gelijk verscheiden vrijwilligers met droschken aan. Zij werden

door dames met bloemkransen en door oen toegestroomde volksmenigte

ontvangen.

Een der dames kwam uit de wachtkamer en wendde zich tot

Sergej Iwanowitsch.

"Is u ook gekomen om hen uitgeleide te doen?"

"Neen, vorstin, ik reis op eigen hand om mij bij mijn broeder op het

land wat te verfrisschen. En u doet hen steeds uitgeleide?" antwoordde

hij glimlachend.

"Ja, dat is toch noodig," zeide de vorstin. "Is het waar, dat er

achthonderd van de onzen zijn?"

"Meer. Hen medegerekend, die niet over Moskou de reis hebben gemaakt,

zijn er meer dan duizend," zeide Kosnischew.

"Ziet u? Dat heb ik al dadelijk gezegd," antwoordde de dame verheugd:

"En is het waar, dat men al over het millioen bijeen heeft?"

"Meer, vorstin."

"En het laatste telegram? Zijn de Turken geslagen?"

"Ja, ik heb het zooeven gelezen," antwoordde Kosnischew.

"Het bericht wordt bevestigd, dat in de laatste drie dagen de

Turken overal geslagen zijn, en morgen verwacht men den beslissenden

veldslag."

"Weet u reeds, dat graaf Wronsky, de beruchte, met dezen trein

vertrekt?"

"Ja, dat hij ook aan den strijd wil deelnemen, heb ik gehoord, maar

ik wist niet wanneer hij zou vertrekken. Dus met dezen trein?"

"Ik heb hem gezien. Hij is hier; alleen zijn moeder vergezelde hem. Dat

is nog altijd het beste, wat hij doen kan."

"O ja, zeker."

Op dit oogenblik drong de menigte, om wat middageten te bekomen,

naar de restauratiezaal. Zij werden medegesleept en hoorden de luide

stem van een heer, die met een champagneglas in de hand een toespraak

tot de vrijwilligers hield.

"Gij gaat strijden voor ons geloof, voor de menschheid, voor onze

broeders!" zeide de heer met steeds meer klimmende stem. "Moeder

Moskou zegent u voor eene groote zaak. Jivio!"'besloot hij luid en

met ontroerende stem.

"Jivio! Jivio!" schreeuwden allen en een nieuwe menigte stroomde de

zaal in en klonk met de gravin.

"Ach! Vorstin! Wat zegt u er van?" vroeg Stipan Arkadiewitsch met

een vroolijken lach en een stralend gelaat, terwijl hij plotseling

te midden van de menigte verscheen. "Niet waar? zeer schoon en warm

gesproken! Bravo! En ziedaar, Sergej Iwanowitsch! U moet ook eenige

woorden spreken, weet u, als blijk van waardeering en tot opwekking. U

kan dat zoo goed!" liet hij er, zijn arm aanrakende, met een vleiend,

aanmoedigend lachje op volgen.

"Neen, ik reis dadelijk door."

"Waarheen?"

"Naar mijn broeder op zijn landgoed," antwoordde Kosnischew.

"O, dan ziet u ook mijn vrouw. Ik heb aan haar geschreven, maar u ziet

ze toch vroeger. Wees zoo goed en zeg haar, dat het All right is. Zij

zal het begrijpen. Zeg haar ook, dat ik gekozen ben tot medelid van

de commissie ... zij weet wel wat ik bedoel. Vous savez, les petites

misères de la vie humaine!" wendde hij zich verontschuldigend tot de

vorstin. "En Miagkaja--niet Lisa, maar Bibiche--, zendt geweren en

twaalf liefdezusters. Weet u het al?"

"Ja, ik heb het gehoord," antwoordde Kosnischew op koelen toon.

"Hoe jammer dat u vertrekt," zeide Stipan Arkadiewitsch. "Wij geven

morgen aan twee vrijwilligers--Bartenjansky uit Petersburg en onzen

Wassja Wesslowsky--een afscheidsdiner. Zij gaan allen heen! Wesslowsky

was eerst onlangs getrouwd en vertrekt nu al. Is dat niet mooi?"

De vorstin zag Kosnischew aan. Beiden schenen gaarne van hem los

te willen zijn, maar dat hinderde Stipan Arkadiewitsch niet in het

minst. Hij zag lachend nu op de veer van den hoed der gravin, dan

naar alle zijden in het rond, alsof hij zich iets in het geheugen

wilde terugroepen. Toen hij eene dame met een bus voorbij zag gaan,

riep hij ze en legde er een bankbiljet van vijf roebel in.

"Ik kan deze bussen niet onverschillig aanzien, zoolang ik nog geld in

den zak heb," zeide hij. "Wat zegt u van het laatste telegram? Dappere

knapen die Montenegrijnen!"

"Wat u zegt!" riep hij uit, toen de vorstin hem mededeelde, dat

Wronsky met dezen trein ging. Zijn gelaat drukte op dat oogenblik

droefheid uit, maar reeds in het volgend oogenblik, nadat hij even

had gezucht en met sidderende hand langs zijn baard had gestreken,

trad hij de kamer binnen, waarin Wronsky zich bevond; hij had al zijn

zuchten over den dood zijner zuster vergeten en zag in Wronsky nog

slechts den held en zijn ouden vriend.

"Bij al zijn gebreken moet men hem toch recht laten wedervaren,"

zeide de vorstin tot Kosnischew, toen Oblonsky haar had verlaten:

dat is een echt Russische, een Slavische natuur. Ik vrees slechts,

dat het Wronsky onaangenaam zal zijn hem te zien. Wat zij ook mogen

zeggen, mij roert het noodlot van dezen man. Spreekt u hem onderweg?"

"Ja, wellicht! Als het zoo valt."

"Ik was nimmer met hem ingenomen. Naar wat hij nu doet maakt weer

veel goed. Niet slechts gaat hij zelf mede, maar hij heeft een geheel

escadron op zijn kosten uitgerust."

"Ja, ik heb daarvan gehoord."

Er werd geluid. Allen drongen zich naar de deuren.

"Daar is hij," zeide de vorstin en wees op Wronsky, die in een langen

zwarten jas en met een breedgeranden zwarten hoed op aan den arm zijner

moeder daar aankwam. Naast hem ging Oblonsky, die levendig sprak.

Waarschijnlijk door Oblonsky opmerkzaam gemaakt, wendde hij zich naar

de zijde, waar Kosnischew met de gravin stond en nam zwijgend den hoed

af. Zijn gelaat was verouderd en zag er lijdend uit, maar scheen echter

als uit steen gehouwen. Hij ging naar het plateforme van den wagen,

liet zwijgend zijn moeder voorbijgaan en verdween in de wagenafdeeling.

Op het perron werd het roepen der menigte gehoord: "God behoede

den czaar! Hoera en Jivo!" Een der vrijwilligers, een lange nog zeer

jonge man met ingevallen borst, stelde zich bizonder op den voorgrond,

terwijl hij zijn vilten hoed en bloemruiker boven zijn hoofd zwaaide.

Gedurende het oponthoud in de hoofdstad van het gouvernement ging

Sergej Iwanowitsch niet in de restauratiezaal, maar bleef het perron

op- en nedergaan. Toen hij Wronsky's wagon voorbij kwam, zag hij voor

het venster de oude gravin. Zij riep hem aan.

"Ik ga ook met dezen trein," zeide zij, "en vergezel hem tot Kursk."

"Ja, dat heb ik al gehoord," zeide Kosnischew en zag tot haar op. "Dat

is een loffelijke daad van hem," liet hij volgen, toen hij bemerkte,

dat Wronsky niet aanwezig was.

"Ja, na zijn ongeluk.... Wat bleef hem anders over?"

"Een verschrikkelijke gebeurtenis!" zeide Kosnischew.

"Ach, wat heb ik doorleefd! Kom een oogenblik hier binnen.... Ach wat

heb ik doorleefd!" hernam zij toen Kosnischew binnentrad en naast haar

op de kussens ging zitten. "Men kan zich dat niet voorstellen. Zes

weken lang sprak hij met niemand en gebruikte slechts eenig voedsel,

als men hem er toe drong. En geen oogenblik konden wij hem alleen

laten. Alles hadden wij hem ontnomen, alles, waarmede hij zich

kon dooden. Wij woonden in de benedenverdieping, maar men kon niet

voorzichtig genoeg zijn. U weet immers, dat hij reeds eenmaal om

harentwil op zich heeft geschoten," zeide zij en bij deze herinnering

fronste de oude dame het voorhoofd. "Ja en het eindigde met haar,

zooals het met zulk een vrouw eindigen moest. Zulk een gemeenen,

vernederenden dood moest zij uitzoeken!"

"Wij mogen daarover niet oordeelen, gravin," zeide Kosnischew met

een zucht. "Maar ik begrijp, hoe zwaar en pijnlijk het voor u moet

geweest zijn."

"Ach, ik kan het u niet zeggen. Ik had toen mijn verblijf op mijn

landgoed en hij was juist bij mij. Daar bracht men mij een brief. Hij

schreef een antwoord en verzond het. Wij vermoedden niet, dat zij aan

het station was. 's Avonds--ik had mij juist teruggetrokken--vertelde

mijn Marie mij dat zich nabij het station een dame onder den trein had

geworpen. Het was mij, alsof mij een beroerte trof. Ik wist dadelijk,

dat zij het was. Het eerste, wat ik zeide, was: De graaf mag er niets

van vernemen! Maar men had het hem reeds gezegd. Zijn koetsier was daar

geweest en had alles mede gezien. Toen ik zijn kamer binnen ijlde,

was hij reeds zich zelf niet meer. Het was verschrikkelijk hem aan

te zien. Hij sprak geen woord en snelde heen. Ik weet niet wat daar

geschied is, maar men bracht hem als dood naar huis. Ik herkende hem

nauwelijks. Daarop greep hem een soort van razernij aan. Maar hoe

zou ik het kunnen verhalen? Het was een ontzettende tijd. Neen, wat

men ook zeggen mag, zij was een slechte vrouw. Wat moet men zeggen,

van zulke wanhopige harstochten? Zij heeft daardoor zich zelf en twee

voortreffelijke menschen, haar echtgenoot en mijn ongelukkigen zoon

te gronde gericht.

"Wat heeft Karenin gedaan?"

"Hij heeft het dochtertje tot zich genomen. Mijn Aläscha stemde in het

begin in alles toe; maar nu grieft het hem verschrikkelijk, dat hij

zijn kind aan een vreemden man heeft overgelaten. Maar hij kan zijn

woord niet terugnemen. Karenin was voor de begrafenis overgekomen, maar

wij maakten, dat hij en Aläscha elkander niet ontmoetten. Voor hem,

haar echtgenoot, is het zoo het best. Hij is van haar bevrijd. Maar

mijn arme zoon heeft zich geheel aan haar overgegeven; alles heeft hij

voor haar opgeofferd, zijn carrière en mij, zijne moeder, maar toch

heeft zij geen mededoogen met hem gehad, maar moest hem opzettelijk

te gronde richten. Neen, wat men ook zeggen mag: haar dood was die

eener afschuwelijke vrouw, eener vrouw zonder godsdienst. God moge

het haar vergeven, maar ik moet haar aandenken haten, daar ik den

ondergang mijns zoons voor oogen heb."

"Hoe is hij nu?"

"Deze Servische oorlog heeft God ons beschikt, want die is zijn

redding! Ik ben al oud en begrijp van den staatkundigen toestand niet

veel; men zegt: ce n'est pas très bien vu à Petersbourg, en als moeder

vrees ik voor zijn veiligheid; maar wat te doen? Dat alleen kon hem

nog weer tot leven wekken en oprichten. Jawschin, zijn vriend, heeft

alles verspeeld en zich ook naar Servië begeven. Deze kwam bij hem

en heeft hem overreed. Dat dwingt hem nu ten minste tot inspanning

en werkzaamheid. Ach, ik bid u, spreek eens met hem; ik wilde zoo

gaarne, dat hij eenige afleiding had. Hij is zoo somber. Hij zal u

gaarne zien. Ik bid u, spreek hem eens aan. Hij gaat aan de andere

zijde op en neer."

Sergej Iwanowitsch begaf zich naar de andere zijde van den trein.

Tusschen de pakken en kisten, die op het perron lagen opgestapeld,

ging Wronsky in zijn lange paletot, met de handen in de zakken, als een

dier in de kooi, op en neder, terwijl hij steeds op twintig passen snel

terugkeerde. Toen Sergej Iwanowitsch hem naderde, scheen het dezen,

dat Wronsky hem niet wilde opmerken. Maar Kosnischew was hierboven

verheven. Wronsky was nu in zijn oogen slechts een belangwekkend

deelgenoot in een groot werk, en hij achtte het zijn plicht hem aan

te moedigen en te troosten. Hij trad derhalve op hem toe.

Wronsky bleef staan, zag hem oplettend aan, kwam toen een stap nader

en drukte hem zeer vast de hand.

"U wenscht wellicht mij niet te zien," zeide Sergej

Iwanowitsch. "Evenwel ... misschien kan ik u nuttig zijn?"

"Niemands ontmoeting kon mij minder onaangenaam zijn, dan die van u,"

antwoordde Wronsky: "houd het mij ten goede. Het leven geeft niets

aangenaams."

"Ik begrip u, maar ik wilde u mijne diensten aanbieden. Een brief

aan Ristic of aan Milan zou wellicht nuttig kunnen zijn?"

"Ach neen," zeide Wronsky, alsof hij moeite had hem te begrijpen. "Als

u wil, laat ons dan nog een poos op- en neergaan. In den waggon is

het zoel. Een brief? Neen, ik dank u. Om te sterven behoeft men geene

aanbevelingen, tenzij aan de Turken," antwoordde hij, en zijn mond

glimlachte, maar zijn oogen behielden de uitdrukking van bittere

droefheid.

"Maar men kan betrekkingen aanknoopen, die onder de bestaande

omstandigheden nuttig zijn kunnen. Ik verheugde mij toen ik van uw

besluit hoorde. Men had van vele zijden grieven tegen de vrijwilligers,

maar een man als u zal hen in de publieke opinie verheffen."

"Ik heb slechts de verdienste, dat ik niet aan het leven hecht en

genoeg kracht heb om een carré uit elkander te slaan of op de plaats

te blijven. Dat weet ik. Ik verheug mij, dat er iets is waarvoor ik

mijn leven kan wagen, dat mij niet slechts nutteloos schijnt, maar

zelfs lastig is. Zoo kan het nog voor iets ten voordeel zijn." En hij

maakte met de kin een ongeduldige beweging uithoofde van aanhoudende,

kwellende tandpijn, die hem zelfs verhinderde met den gewilden nadruk

te spreken.

"U zal weer geheel opleven, dat verspel ik u," zeide Kosnischew, die

zich diep geroerd gevoelde. "Onze verdrukte broeders te bevrijden is

een doel, waarvoor het waard is te leven en te sterven. God geve u

een goeden uitslag op uw edel pogen en inwendigen vrede!"

"Ja, als werktuig mag ik wat zijn, als mensch ben ik eene ruïne," zeide

hij en drukte krachtig de hand, die Kosnischew hem toereikte. Hij zweeg

en keek naar de raderen van den tender, die langzaam en gelijkmatig

over de rails voortrolden. Een diepe smart stond in zijn trekken te

lezen. De tender en het spoor riepen haar, of liever wat van haar

overgebleven was, in zijn geheugen terug zooals hij haar gezien had,

toen hij half waanzinnig de loods bij het station binnengestormd was;

daar had zij gelegen, nog onlangs vol leven, toen een bloedig lichaam,

schaamteloos uitgestrekt voor de oogen van vreemden! Het achterwaarts

gebogen hoofd met de zwarte vlechten en de fijne krulletjes langs

de slapen was ongedeerd gebleven; op het schoon gelaat en de half

geopende roode lippen scheen een versteende, roerende klacht te liggen,

maar in de wijdgeopende oogen lag een ontzettende uitdrukking, die

duidelijker dan met woorden het verschrikkelijke woord uitsprak:

"gij zult er berouw van hebben...."

Hij gaf zich moeite zich haar zoo te herinneren, als hij haar de eerste

maal aan het station ontmoet had, zoo poëtisch schoon en aanlokkend,

zoo vol levenslust en behoefte aan geluk en zelf geluk verspreidend,

niet zoo bitter en wraakzuchtig als hij zich haar uit hun laatst

bijeenzijn herinnerde.... Hij trachtte de schoonste met haar beleefde

oogenblikken te voorschijn te roepen, maar deze waren nu voor altijd

vergiftigd. Zij stond hem nu nog slechts voor oogen in haar opgewonden

toorn en haar zegevierend besluit om zich te wreken.... En hij gevoelde

geen tandpijn meer, een snikken schokte zijn geheele wezen!

Nadat hij eenige malen zwijgend de vrachtgoederen was voorbijgegaan,

had hij de heerschappij over zich zelf herwonnen en wendde zich nog

eenmaal kalm tot Sergej Iwanowitsch, die hem weder voorbijging.

"Is er sedert gisteren nog geen nieuw telegram aangekomen?"

"Ja, zij zijn voor de derdemaal geslagen, maar morgen verwacht men

een beslissenden veldslag."

Nadat zij nog een oogenblik over Milans proclamatie tot koning en

van de gevolgen dezer gebeurtenis hadden gesproken, keerden zij na

het tweede bellen ieder naar zijn waggon terug.

Anna Karenina(#13214) · 第 184 / 196 题