XXV.

Er werd gebeld. Eenige luidruchtige jongelieden, zooals het scheen van

minder allooi, gingen haar voorbij. Nu kwam Peter in zijn kaplaarzen

en zijn livrei met zijn stompzinnig gezicht door de zaal en naderde

haar om haar tot aan den waggon te begeleiden. De drukke heeren waren

stil geworden toen zij hen voorbijging; de een fluisterde den ander

iets toe. Zij klom de hooge trappen op en nam in de ledige coupé

plaats op de smotsige springveeren zitting, die voorheen wit geweest

was. Peter hief ten teeken van afscheid voor het venstertje zijn met

tressen bezetten hoed omhoog en de conducteur sloeg de deur toe.

Een leelijke dame met tournure en een gemaakt lachend meisje liepen

beneden voorbij. "Dit jonge meisje is ook reeds bedorven en wil in

het oog vallen," dacht Anna. Om niemand te zien stond zij snel op en

ging bij het tegenovergestelde venster van den waggon zitten.

Een onzindelijke, leelijke boer, met een muts op, waaronder het

verwarde en stoppelige haar te voorschijn drong, ging juist voorbij

en bukte zich naar de raderen van den waggon.

"Wat komt mij aan dezen afschuwelijken mensch zoo bekend voor?" dacht

Anna. Toen viel haar droom haar in en sidderend van schrik keerde zij

weer naar het andere venster terug. De conducteur opende de deur en

liet een heer en een dame instappen.

"Wil u er weer uit?"

Anna gaf geen antwoord. Door haar dichten sluier konden de conducteur

en de binnenkomenden de ontroering in haar gelaat niet bemerken. Zij

keerde weder naar den zooeven verlaten hoek terug en zette zich

neder. Het echtpaar ging aan de andere zijde zitten en monsterde

onbemerkt, maar nauwkeurig haar kleeding. De heer en de dame schenen

Anna afschuwelijk toe. De man vroeg, of zij toestond te rooken,

niet zoozeer omdat hij rooken wilde, maar slechts om een gesprek aan

te knoopen. Toen hij haar toestemming had ontvangen, begon hij met

zijn vrouw Fransch te spreken. Zij maakten onbeduidende opmerkingen,

slechts opdat zij het hooren en er op antwoorden zoude. Anna zag

duidelijk, dat zij niet van elkander hielden; "en," dacht zij, "is

het ook anders mogelijk? Kan men zulke afstuitende wezens beminnen?"

Er werd voor de tweede maal gebeld en nu begon het rumoeriger te

worden, door geschreeuw, gelach en het voortrijden der bagage. Anna

was overtuigd, dat voor niemand de geringste reden tot blijdschap

bestond, zoodat dit lachen haar onaangenaam aandeed en zij zich de

ooren wilde toestoppen om hot niet te hooren. Eindelijk klonk het

derde bellen, een schel fluiten, het steunen der machine, de ketting

werd aangetrokken en de heer tegenover haar maakte een kruis.

"Het zou interessant zijn hem te vragen, waarom hij dat doet," dacht

Anna en zag hem stuursch aan. Toen keek zij voorbij de dame uit

het venster naar de terugwijkende toeschouwers, die op het perron

stonden. Met gelijkmatige stooten rolde de wagen, waarin Anna zat,

het perron voorbij, de raderen rolden al vlugger en gemakkelijker

met lichter gedruis over de rails, het venster werd verlicht door de

schuinsche stralen van de avondzon en een licht tochtwindje speelde

met de gordijntjes.

Anna vergat haar medereizigers; bij het lichte schommelen van den

wagen ademde zij de frissche lucht in en begon weer verder te mijmeren.

"Ja, waar dacht ik ook aan? Dat het leven, hoe ik het mij ook voorstel,

niets geven kan dan kwelling. Wij zijn toch allen maar geschapen om

ons te kwellen; wij zijn ons dit wel bewust en zoeken slechts naar

middelen om ons zelf te bedriegen, maar als men de waarheid inziet,

wat moet men dan doen?"

"Het verstand is den mensch gegeven om datgene, wat hem hindert,

te verwijderen," zeide de dame in het Fransch, blijkbaar over deze

phrase zeer tevreden.

Deze woorden schenen een antwoord te zijn op Anna's gedachten.

"Datgene te verwijderen, wat iemand hindert," herhaalde zij bij zich

zelf, en terwijl zij den man met zijn welgedane wangen en de magere

vrouw aanzag, hield zij het er voor, dat deze ziekelijke vrouw zich

beschouwde als iemand, die niet begrepen werd, en dat haar man haar in

die meening liet en niet schroomde haar te bedriegen. Anna meende hun

intiemste levensgeschiedenis te kennen, alsof zij in de schuilhoeken

hunner harten kon zien. Maar zij vond daar niets belangwekkends in

en ging derhalve verder in haar eigen gedachten voort.

"Ja, het hindert mij zeer en daartoe is ons het verstand gegeven, dat

wij het dan verwijderen. Waarom dan het licht niet uitgebluscht, als

het ons tegenstaat dat alles te zien? Maar hoe? Waarom liep zooeven

die conducteur op de loopplank? Waarom tieren die jongelieden zoo

in dien wagen? En wat beteekent hun lachen? Alles is onwaarheid,

geveinsdheid, dwaasheid...."

De trein hield aan het station stil. Anna stapte uit en bevond zich

nabij de menigte passagiers; dewijl zij zich echter van hen als van

melaatschen trachtte verwijderd te houden, bleef zij op een vrije

plaats van het perron staan en trachtte zich te bezinnen waarom zij

hier gekomen was en wat zij eigenlijk wilde. Alles wat haar te voren

zoo gemakkelijk te volvoeren had toegeschenen, viel haar nu onder deze

gedruismakende, akelige menschen, die haar geen rust lieten, moeielijk

en zwaar om geregeld te overleggen. Nu kwamen de pakjesdragers

bij haar en boden hun diensten aan, toen drongen de luidruchtige

jongelieden haar voorbij en zagen haar aan, dan weder liep men haar

bijna omver. Terwijl zij zich herinnerde, dat zij wilde doorreizen,

als er geen antwoord was, hield zij een besteller aan en vroeg hem,

of er niet een koetsier van graaf Wronsky met een boodschap was.

"Graaf Wronsky? Er is juist iemand van hem hier geweest. Men heeft

vorstin Sorakina met haar dochter afgehaald. Hoe ziet er de koetsier

uit?"

Op dit oogenblik dat zij nog met elkander spraken, kwam de koetsier

Michaël in zijn donkerblauwe livrei op haar toe, blijkbaar trotsch er

op dat hij zijn zending zoo snel kon volbrengen, en reikte haar een

brief over. Zij opende hem haastig, maar vóór zij hem gelezen had,

kromp haar hart in een:

"Het spijt mij, dat je brief mij niet tijdig is geworden. Ik

kom

om tien uur."--Wronski.

Het briefje was met slordige hand geschreven.

"Zoo! dat heb ik verwacht!" zeide zij met een boozen lach. "Goed! Je

kunt naar huis rijden," wendde zij zich zacht tot Michaël. Zij

sprak zacht, daar het heftig kloppen van haar hart haar ademhaling

belemmerde.

"Neen, ik laat mij niet kwellen," dacht zij. Maar deze bedreiging

richtte zij noch tegen hem noch tegen zichzelf, maar tegen datgene,

wat haar kwelde. Zij verliet het perron en begaf zich ter zijde van

het stationsgebouw.

Twee dienstmeisjes, die het perron op- en nedergingen,

richtten de blikken op haar en maakten opmerkingen over haar

toilet. "Echte!" zeiden zij, bedoelende de kanten aan haar japon. Ook

een paar jonge mannen zagen haar in het gelaat en lachten tegen

elkander. De stationschef vroeg haar in het voorbijgaan, of zij op

den trein wachtte. Een kleine jongen, die kwas verkocht, hield de

oogen op haar gevestigd.

"Mijn God, waar zal ik heen?" dacht zij en ging verder tot aan het

perron, waar zij bleef staan. Eenige dames en kinderen, die een heer

met een bril op hadden opgewacht en nog luid spraken en lachten,

werden stil en beschouwden haar toen zij naderde.

Toen versnelde zij haar schreden, ging hen voorbij en trad naar den

rand van het perron. Een goederentrein naderde. Het platform dreunde

en het scheen haar alsof zij weer medereed.

Plotseling herinnerde zij zich dien man, die op den dag harer eerste

ontmoeting met Wronsky overreden was, en nu wist zij, wat zij had te

doen. Met snelle, lichte schreden ging zij de loopplank af, die aan

het einde van het perron naar beneden voerde tot aan de rails. Zij

zag den machinist in zijn buis, die haar verwonderd aankeek, zij zag

het groote door den hevel bewogen rad--de locomotief ging voorbij.

"Daarheen?" zeide zij en staarde met afschuw op het met kolenstof

vermengde kiezel, waarmede de baan overdekt was. Zij luisterde naar

haar steeds heftiger wordend hartkloppen: "En ik zal hem straffen,

ik wil mij niet laten kwellen, ik zal mij van allen en ook van mij

zelf bevrijden."

De eerste wagen rolde voorbij, de tweede volgde. Zij wierp het roode

taschje, dat zij in de hand had, van zich. Zij was zich bewust, dat

zij iets meer beslissends en onherroepelijks ging doen dan zij ooit in

haar leven gedaan had. Uit gewoonte hief zij werktuigelijk de hand op,

bekruiste zich, viel op de knieën op een der rails en boog het hoofd

voorover. De zoo gewone beweging van het kruisteeken te maken riep

plotseling in haar ziel een rij van herinneringen uit haar jeugd en

aan gewichtige oogenblikken haars levens te voorschijn. Een oogenblik

schitterde de glans van het vluchtende leven nog voor haar oogen.

"Wat doe ik? Waar ben ik? Waarom?"

Zij wilde zich weer oprichten; maar een reusachtige, onverbiddelijke,

donkere massa sloeg haar tegen het hoofd, stiet haar neder en sleepte

haar aan den rug met zich voort.

"Mijn God! vergeef mij alles!" riep zij.

Het zwarte zand en kolenstof kwamen nader, zij viel er met het gelaat

op neder. Het boertje, dat zij gezien had, boog zich, iets mompelende,

van de trede van den waggon boven eene der ijzeren rails over haar

henen. En het licht, waarbij de ongelukkige het met kommer, strijd,

leugen en dwaasheid gevulde levensboek had gelezen, begon te sissen,

verdonkerde, flikkerde nog eenmaal op en werd toen uitgebluscht

voor altijd....

Anna Karenina(#13214) · 第 183 / 196 题