XXIV.

"Ja, wat was dat ook voor een goede gedachte, die ik onlangs

had?" dacht Anna, toen zij de raderen van het rijtuig weer over het

plaveisel hoorde rollen en in de weeke kussens begon te schommelen:

"Jätkin--coiffeur.... Neen, dat was het niet. Juist! Dat, wat Jawschin

gezegd heeft.... De strijd om het bestaan en de haat.... Dat is

een deel van datgene, wat de menschen aan elkander bindt.... Neen,

gij rijdt te vergeefs!" zeide zij in gedachten tot een gezelschap

van personen in een kales met vierspan, die, zooals het scheen, voor

hun pleizier een uitstapje buiten de stad wilden maken. "En de hond,

dien ge daar bij u hebt, zal u ook niet kunnen helpen! Zich zelf kan

men niet ontloopen...."

Zij wendde den blik zijwaarts daarheen, waar Peter naar iets scheen te

kijken. Een smoordronken fabrieksarbeider werd door een politieagent

weggebracht.

"Deze toch wellicht," dacht zij; "maar wij, graaf Wronsky en ik, wij

hebben het geluk niet gevonden, hoeveel we ons daarvan ook hadden

voorgespiegeld!... Wat heeft hij eigenlijk in mij gezocht? Minder

liefde dan voldoening zijner ijdelheid." Zij herinnerde zich nu

levendig al zijn woorden en bewegingen uit den eersten tijd hunner

verbintenis. "Ja, hij heeft het genoegen gesmaakt zijn eerzucht

bevredigd te zien. Wel is waar was daarbij ook liefde, maar voor het

grootste deel was het toch de trots van het goed succes. Hij wilde met

mij pralen. Nu is alles voorbij. Ik heb niets, waar ik trotsch op zijn

kan, maar heb mij slechts te schamen. Hij heeft mij alles ontnomen,

wat hij konde, nu behoeft hij niets meer. Ik ben hem tot last en hij

beijvert zich slechts, jegens mij niet oneerlijk te zijn. Hij heeft

zich gisteren versproken--hij wenscht de scheiding en dan het huwelijk

om de schepen achter zich te verbranden.... Hij bemint mij--Maar

hoe? The zest is gone.... Die daar wil, dat allen hem bewonderen en is

met zich zelf tevreden," dacht zij bij den aanblik van een commies met

roode wangen, die op een manegepaard voorbijreed. "Ja, hij heeft den

smaak in mij verloren. Als ik hem nu verlaat, zal hij in den grond van

zijn hart blijde zijn. Mijn liefde wordt steeds hartstochtelijker en

zelfzuchtiger, de zijne daarentegen verflauwt meer en meer; derhalve

moeten wij van elkander gaan. Er is anders geen uitkomst. Al het

mijne ligt in hem, en ik vorder van hem, dat hij zich geheel aan mij

toewijdt; hij wil zich echter meer en meer van mij terugtrekken. Tot

op het oogenblik onzer vereeniging zijn wij elkander genaderd, sedert

verwijderen wij ons onophoudelijk. En dat is niet te veranderen. Hij

zegt mij, dat ik bovenmatig ijverzuchtig ben en ik heb mij zelf dat

gezegd. Maar dat is niet waar. Niet jaloersch, maar ontevreden ben

ik. Doch...." In de gemoedsbeweging, door haar gedachten verwekt,

verwisselde zij van plaats in het rijtuig en bewoog onwillekeurig de

lippen om te spreken.... "Indien ik voor hem een verstandige vriendin

trachtte te zijn en niet zijn hartstochtelijke minnares.... Maar ik

kan en wil niets anders zijn. En hierdoor verwek ik bij hem slechts

tegenzin en bij mij zelf toorn. En dat zal niet anders worden. Ik

weet zeer goed, dat hij mij niet bedriegt; hij heeft het oog niet

op Sorokina, hij is niet meer verliefd op Kitty, hij zal mij niet

ontrouw worden--dat alles weet ik, maar dat helpt mij niet. Indien

hij, zonder mij te beminnen, slechts uit plichtgevoel goed en teeder

voor mij is, dan is dat niet wat ik verlang; dat is honderdmaal erger

dan haat, dat is de hel. En dat juist is het geval. Hij bemint mij

reeds lang niet meer. En waar de liefde ophoudt, begint de haat. Als

ik verstandig ben, laat Alexei Alexandrowitsch mij misschien Serëscha

over en ik trouw met Wronsky." Terwijl zij zich Alexei Alexandrowitsch

herinnerde, stond hij dadelijk levendig voor haar met zijn vermoeiden,

half uitgedoofden blik, met de gezwollen aderen op zijn witte handen,

met de eigenaardige stem en met het knakken zijner vingers. En bij de

herinnering aan het gevoel, dat hen vereenigd had en dat ook liefde

genoemd werd, huiverde zij van afkeer.

"Nu goed, ik verkrijg de scheiding en wordt Wronsky's vrouw. Zal Kitty

dan echter ophouden mij aan te zien als heden? Neen. En zal Serëscha

ophouden te vragen of na te denken over mijn beide echtgenooten? En

welk een nieuw gevoel tusschen Wronsky en mij zou ik dan kunnen

bedenken? Is nog eenig geluk--neen, slechts iets, dat geen kwelling

is--tusschen ons mogelijk? Neen--neen!" antwoordde zij zonder aarzelen

zich zelf; "het is onmogelijk. Wij zouden door het leven gaan, ver

van elkander; ik ben zijn ongeluk en hij is het mijne; hij kan zich

niet veranderen en ik mij ook niet. Wij hebben reeds alle pogingen

gedaan, maar de schroef is verlamd.... Ja, dat is een bedelares met

haar kind.... Zij denkt, dat zij beklagenswaard is.... Zijn wij dan

niet allen met elkander in deze wereld geworpen om elkander te haten

en ons zelf en anderen te kwellen?... Wat lachen die gymnasiasten daar

... Serëscha...? Ik dacht ook altijd, dat ik hem liefhad en was over

mijn eigen teederheid geroerd.... En toch heb ik zonder hem kunnen

leven, ik heb hem prijsgegeven voor een andere liefde en heb over deze

ruil geen berouw gehad zoolang die andere liefde mij bevredigde." En

met afschuw dacht zij aan datgene, wat zij een andere liefde noemde.

Het rijtuig hield voor het stationsgebouw stil en een paar bestellers

ijlden naar buiten.

"Moet ik plaats nemen tot Obiralowka?" vroeg Peter.

Anna had geheel vergeten waarom en waarheen zij reed, en nu begreep

zij eerst na eenige inspanning die vraag.

"Ja," zeide zij en stapte uit, terwijl zij hem haar beurs overreikte.

Zij zag in de menschenmenigte rond, ging naar het salon der eerste

klasse en riep zich de bizonderheden van haar toestand en de besluiten,

waartusschen zij heen en weder wankelde, in het geheugen terug. En

tusschen hoop en vertwijfeling begon zij weder de oude, schrijnende

wonden van haar gepijnigd, onrustig hart open te rijten.

Zij zat in afwachting van den trein op de sofa, beschouwde met afkeer

de in- en uitgaanden en bedacht wat zij bij haar aankomst aan het

volgend station hem schrijven zou, en dan weder, hoe hij zich bij

zijn moeder over zijn toestand zou beklagen, zonder haar lijden te

begrijpen, hoe zij dan juist de kamer binnentreden en wat zij hem

zeggen zoude. En daarop dacht zij, hoe het nog mogelijk zijn kon een

gelukkig leven in te richten, hoe haar liefde en haar haat jegens

hem evenzeer een kwelling waren en hoe heftig haar hart klopte.

Anna Karenina(#13214) · 第 182 / 196 题