Nog in slechter gemoedsstemming dan toen zij van huis ging, steeg Anna
weer in het rijtuig. Met de vroegere kwelling paarde zich nu nog het
gevoel van beleediging en verstooting, die zij zoo duidelijk in haar
ontmoeting met Kitty had ondervonden.
"Waarheen beveelt u?" vroeg Peter.
"Naar huis," antwoordde zij. Zij dacht nu in het geheel er niet meer
over waarheen zij anders zou kunnen gaan.
"Hoe nieuwsgierig zagen zij mij aan, als iets monsterachtigs en
onbegrijpelijks!... Wat heeft deze aan dien andere met zulk een
ijver te vertellen?" dacht zij en zag naar de voetgangers op de
straat. "Kan men een ander mededeelen, wat men gevoelt? Ik wilde met
Dolly spreken.... Het is goed dat ik het niet gedaan heb. Zij zou
zich over mijn ongeluk verheugd hebben! Zij zou dat wel niet hebben
getoond, maar in den grond toch een voldoening gesmaakt hebben, dat
ik voor al de voorrechten, die zij mij benijden moest, nu gestraft
ben. En Kitty? Zij zou nog meer verheugd zijn geweest. Ik ken haar
door en door. Zij weet, dat ik de oogen van haar man meer dan gewoon
beminnenswaardig geweest ben. Zij is ijverzuchtig en haat mij. En
zij veracht mij nog bovendien. In haar oogen ben ik een immoreele
vrouw. Was ik dit, dan had ik haar man op mij verliefd kunnen
maken, als ik had gewild. Het voornemen is wel bij mij opgekomen,
ik erken het.... Deze is ook met zich zelf tevreden," dacht zij van
een dikken heer met roode wangen die voorbijreed en groette, daar
hij haar voor een dame zijner kennis hield. "Hij denkt, dat hij mij
kent en hij kent mij zoo weinig als iemand ter wereld. Ik ken mij zelf
nauwelijks.... Die zouden gaarne van dat vuile ijs hebben," dacht zij,
toen zij twee knapen zag, die bij een ijsverkooper stonden, die van
zijn hoofd een vaatje nederliet en met het einde van een handdoek
zijn bezweet gelaat afwischte. "Heeft men geen bonbons, dan neemt
men het voor lief met smotsig ijs. Zoo ook Kitty. Toen ze Wronsky
niet krijgen kon, vergenoegde zij zich met Lewin. En zij benijdt mij,
en wij haten elkander--ik Kitty en Kitty mij--dat is waar.... Jätkin
coiffeur.... Je me fais coiffer par Jätkin.... Dat wil ik hem zeggen,
als hij komt," dacht zij en lachte.
Op hetzelfde oogenblik herinnerde zij zich, dat zij nu niemand
had, dien zij iets grappigs kon zeggen. "Er is ook niets vroolijks
meer. Alles is afschuwelijk. Men luidt voor de vesper en die koopman
daar bekruist zich zoo voorzichtig, alsof hij vreest, daarbij iets
te laten vallen. Waartoe deze kerken, dit klokgelui? Waartoe al deze
leugens? Slechts daartoe om er achter te verbergen, hoe wij allen
elkander haten, juist als gindsche droschke-koetsiers, die zoo ruw
elkander uitschelden; Jawschin zeide: De anderen willen me het vel
over de ooren halen en ik hen--dat is de waarheid."
Onder zulke gedachten, waarbij zij haar eigen toestand vergat, kwam
zij aan haar woning terug. Bij den aanblik van den portier herinnerde
zij zich, dat zij een brief en een telegram had afgezonden.
"Is een antwoord gekomen?" vroeg zij.
"Ik zal eens zien," antwoordde de portier, zag op den schrijflessenaar
in het kantoor en gaf haar een telegram over in een couvert van dun
papier. "Vóór tien uur kan ik niet komen. Wronsky," las zij.
"En de bode is nog niet terug?"
"Nog niet," antwoordde de portier.
"Als dat zoo is, dan weet ik, wat mij te doen staat," zeide zij,
en terwijl zij een gevoel van toorn, dat op iets onbepaalds gericht
was en de behoefte aan wraak in haar opstegen, snelde zij naar boven.
"Ik zal zelf naar hem toerijden. Ik zal hem alles zeggen vóór ik
voor altijd vertrek. Nimmer heb ik een mensch zoo gehaat als hem,"
dacht zij.
Toen zij zijn hoed aan den kapstok zag hangen, rilde zij. Zij overlegde
in het geheel niet, dat dit telegram slechts een antwoord op het hare
was en dat hij haar brief nog niet had kunnen ontvangen. Zij stelde
zich hem nu voor in rustig gesprek met zijn moeder en met Sorokina,
zich verheugende over haar leed. "Ja, ik moet sneller rijden," zeide
zij, zonder te weten waarheen? Zij wilde vluchten, sneller vluchten
voor de gewaarwordingen, die zij in dit verschrikkelijk huis had
doorgestaan. De bedienden, de tapijten, de meubels, alles in dit
huis vereenigde zich om haar een ontzettenden afkeer in te boezemen,
die als een last op haar drukte.
"Ja, ik moet naar het station rijden; ik rijd er heen en zal hem
overvallen!"
Zij zag in de courant naar het vertrek van den trein.
"'s Avonds acht uur twee minuten. Ha, ik kom nog bijtijds."
Zij liet inspannen en pakte in een reistasch de noodzakelijkste
dingen voor eenige dagen. Zij wist, dat zij in dit huis niet weer
zou terugkeeren. Zij kwam onder de menigte plannen, die haar hoofd
doorkruisten, tot het besluit, dat zij na het bezoek aan de villa der
gravin zich naar het naaste station begeven, over den Nischnegorodschen
spoorweg naar de naaste stad reizen en daar blijven zoude.
Het middagmaal stond reeds opgedischt. Zij ging naar de tafel, maar
toen zij bemerkte, dat zelfs de reuk der spijzen haar tegenstond, liet
zij het rijtuig voorkomen en ging naar buiten. Het huis wierp zijn
schaduw reeds over de geheele straat; het was een heldere, warme avond.
Annuschka en Peter, die haar volgden en haar goed in het rijtuig
droegen, de blijkbaar ontevreden koetsier, allen stonden haar tegen
en hinderden haar met hun woorden en gebaren.
"Ik heb je niet noodig, Peter."
"Maar het plaatsbillet?"
"Nu, zooals je wilt, 't is mij hetzelfde," zeide zij verdrietig.
Peter sprong op den bok, en terwijl hij de hand in de zijde zette,
beval hij den koetsier naar het station te rijden.