De lucht was helder. Den geheelen morgen was er een fijne, dichte
regen gevallen, maar nu was het opgeklaard. De daken der huizen, de
steenen der trottoirs, de raderen, het leder, het koper en zilver
der equipages, alles schitterde helder in de meizon. Het was drie
uur en op de straten was het zeer levendig. Bij den snellen draf
der schimmels, bij het onophoudelijk rollen der raderen en de snel
afwisselende indrukken in de frissche lucht, zag Anna, die nog eenmaal
alle gebeurtenissen der laatste dagen van het begin af doorliep, haar
toestand reeds geheel anders in, als te voren toen zij te huis was. De
gedachte aan den dood was haar niet meer zoo verschrikkelijk en deze
zelf niet meer zoo onvermijdelijk. Zij verweet zich nu nog slechts,
dat zij zich zoo ver had vernederd.
"Ik heb hem bezworen mij te vergeven; ik heb mij geheel aan hem
overgegeven en beleden schuldig te zijn. Waarom? Kan ik dan niet
zonder hem leven?" Zij beantwoordde deze vraag niet, maar begon de
opschriften in de straat te lezen: "Kantoor en dépôt--Dentist--Ja, ik
wil Dolly alles vertellen. Zij houdt niet van Wronsky. Ik zal mij wel
schamen en het zal mij pijn veroorzaken, maar ik wil haar toch alles
zeggen. Zij heeft mij lief en haar raad zal ik volgen. Ik wil mij niet
onderwerpen. Ik zal hem niet toestaan mij te vergeven ... Philippow
... Bakkerij.--Men zegt, dat zij het brooddeeg naar Petersburg
zenden--het Moskouer water moet zoo voortreffelijk zijn.--Metischensky,
Mineraalwater en pannekoek...." En nu herinnerde zij zich, dat zij
lang geleden, toen zij pas zeventien jaar was, met haar tante--men
reisde toen nog met paarden--naar het klooster te Troïtza was gereden
en toen hier was gepasseerd." "Is het mogelijk," dacht zij, dat ik dat
was? Dat meisje met roode handen? Hoeveel, dat mij toen zoo begeerlijk
en onbereikbaar scheen, is mij nu onverschillig, maar hoeveel dat
ik toen bezat, is nu voor mij verloren--voor altijd! Zou ik destijds
hebben kunnen gelooven eenmaal zoo vernederd te worden?--Wat zal hij
trotsch en tevreden zijn als hij mijn brief heeft gezien; maar ik
zal hem toonen.... Hoe onaangenaam riekt deze verf! Waarom moet men
altijd bouwen en verven?--Modes en coiffures...." las zij. Een man,
Annuschka's man, groette haar: "Onze parasieten!" herinnerde zij zich
een gezegde van Wronsky: "Onze? Waarom onze?... Het ergste is, dat
het onmogelijk is het gebeurde ongedaan te maken.... Maar men kan de
herinnering daarvan dooden, begraven.... En dat zal ik...!" En hier
herinnerde zij zich haar verloopen leven bij Alexei Alexandrowitsch,
dat zij reeds uit haar gedachten had verbannen. "Dolly zal het
zoo opvatten alsof ik nu mijn tweeden man wil verlaten, en zal mij
voorzeker ongelijk geven. Wil ik dan gelijk hebben? En zij voelde
de tranen opwellen. Maar dadelijk dacht zij weder over twee jonge
meisjes, die hartelijk lachten, en vroeg, waarover deze wel lachen
mochten. Over de liefde? Zij weten nog niet, hoeveel treurigs en
vernederends daaraan is verbonden.... Daar is de boulevard! Daar loopen
drie jongens ... zij spelen ... Serëscha. Alles zal ik verliezen
en men zal hem mij niet teruggeven.... Ja, ik zal alles verliezen
als hij nu niet terugkeert. Wellicht heeft hij zich voor den trein
verlaat en is misschien al teruggekeerd. Weder denkt gij er aan u
te vernederen," sprak zij tot zich zelf. "Neen ik ga naar Dolly en
zeg haar alles rechtuit: Ik ben ongelukkig, ik heb het ook verdiend,
ik heb schuld, maar ik ben toch ongelukkig--help mij. Deze paarden
en dit rijtuig--het staat mij tegen om er mij van te bedienen--het
hoort alles aan hem.... Maar weldra zal ik ze niet meer zien!"
Terwijl zij zoo overlegde, hoe zij Dolly alles zou bekennen en daarbij
haar hart nog meer wondde, ging zij de trap op.
"Is er bezoek?" vroeg zij in de voorkamer.
"Catharina Alexandrowna Lewina," antwoordde de bediende.
"Kitty! Dezelfde Kitty op wie Wronsky verliefd was," dacht Anna;
"dezelfde Kitty, die hij zich steeds zoo gaarne herinnert. Hij betreurt
het haar niet gehuwd te hebben. Maar aan mij denkt hij met wrevel en
betreurt het mij ooit te hebben ontmoet."
Dolly kwam haar te gemoet.
"Ah, je bent nog niet vertrokken? Ik wilde je zelf bezoeken," zeide
zij. "Vandaag heb ik een brief van Stiwa ontvangen."
"Wij hebben ook een telegram gekregen," antwoordde Anna en zag naar
Kitty om.
"Hij schrijft, dat hij niet kan begrijpen, wat Alexei Alexandrowitsch
eigenlijk wil, maar hij zou zonder een bepaald antwoord niet
vertrekken."
"Ik dacht bezoek bij u te vinden. Kan ik den brief lezen?"
"Ja,--Kitty--" zeide Dolly wat verlegen. "Zij is in de kinderkamer
gebleven. Zij is zeer ziek geweest."
"Dat heb ik gehoord. Kan ik den brief lezen?"
"Ja, ik zal hem dadelijk halen. Hij slaat het wel niet af, integendeel,
Stiwa heeft hoop...." zeide Dolly en bleef in de deur staan.
"Ik hoop en wensch volstrekt niets," zeide Anna.
"Wat is dat? Kitty acht het zeker vernederend voor zich om mij te
ontmoeten?" dacht Anna toen zij alleen was. "Wellicht heeft zij
gelijk. Maar als het ook al waar is, mocht zij het mij toch niet
toonen, zij, die op Wronsky verliefd is geweest. Ik weet het: in
mijn toestand kan geen vrouw, die veel aan welvoegelijkheid hecht,
mij ontvangen. Ik weet, dat ik van het eerste oogenblik af alles heb
geofferd. Dat is nu mijn loon. O, wat haat ik hem. En waarom ben ik
nu hierheen gekomen? Het wordt mij hier nog zwaarder dan te huis."
Zij hoorde in de andere kamer de stemmen der zusters.
"En wat moet ik nu aan Dolly zeggen? Moet ik Kitty de voldoening geven
te zien, dat ik ongelukkig ben en dat ik bescherming inroep? Neen, en
ook Dolly zal mij niet begrijpen. Ik heb haar niets te zeggen.... Het
zou echter niet kwaad zijn Kitty te ontmoeten en haar te toonen,
dat ik alles veracht en dat ik voor alles onverschillig ben."
Dolly kwam met den brief terug. Anna las dien en reikte hem zwijgend
weer over.
"Dat alles heb ik geweten," zeide zij, "en het interesseert mij in
het minste niet."
"Waarom niet? Ik, integendeel heb hoop," antwoordde Dolly en zag Anna
uitvorschend aan. Nog nimmer had zij haar in zulk een zonderlingen,
opgewonden toestand gezien. "Wanneer zul je vertrekken?"
Anna zag met half toegeknepen oogen voor zich uit en gaf geen antwoord.
"Kitty schijnt zich voor mij te verbergen?" zeide zij met een blik
naar de deur, terwijl het rood haar gelaat begon te kleuren.
"Och, dat is onzin! Zij is bij het voeren van het kind, dat nog niet
recht goed wil gaan, en ik heb haar aangeraden.... Neen, het doet
haar genoegen! Zij zal dadelijk komen," antwoordde Dolly, die weinig
aanleg had om te liegen. "Daar is zij."
Toen Kitty vernam, dat Anna er was, had zij niet te voorschijn willen
komen. Maar Dolly had haar toch overreed. Met inspanning van al haar
kracht trad zij nu binnen, naderde blozend en reikte haar de hand.
"Het doet mij veel genoegen," zeide zij, maar haar stem beefde. Het
gevoel van afkeer van deze moreel slechte vrouw en de wensch voor
haar niet hard te zijn kampten in haar binnenste en zij was daardoor
eenigszins verlegen; maar toen zij Anna's schoon, innemend, ongelukkig
gelaat aanschouwde, verdween alle bitterheid en zij gevoelde slechts
medelijden.
"Het zou mij niet verwonderd hebben als u ongezind was geweest mij
te ontmoeten. Ik ben daaraan reeds gewoon. U is ziek geweest. Ja,
uw voorkomen is veranderd," zeide Anna.
Kitty gevoelde, dat Anna haar vijandig aanzag. Des te meer medelijden
had zij met haar. Deze vijandschap was haar verklaarbaar uit de
onbehagelijke verhouding, waarin Anna, die vroeger haar protegeeren
wilde, zich nu tegenover haar bevond.
"Zij spraken over Kitty's ziekte, over haar kind, over Stiwa, maar
blijkbaar was er niets, dat Anna belang inboezemde.
"Ik ben gekomen om afscheid te nemen," zeide zij en stond op.
"Wanneer vertrekt u dan?"
Maar weder zonder te antwoordden, wendde Anna zich tot Kitty.
"Ja, het doet mij veel genoegen u gezien te hebben," zeide zij
lachend. "Ik heb zooveel van u gehoord, zelfs door uw man. U weet, dat
hij mij heeft bezocht," voegde zij er met kwade bedoeling bij. "Waar
is hij?"
"Hij is naar buiten vertrokken," antwoordde Kitty blozend.
"Groet hem van mij, groet hem bepaald."
"Zonder verzuim," antwoordde Kitty naïef en zag haar medelijdend in
de oogen.
"Nu, vaarwel, Dolly." En terwijl zij deze kuste en Kitty de hand
drukte, verwijderde Anna zich haastig, terwijl Dolly haar uitgeleide
deed.
"Nog altijd als vroeger, even innemend en zeer schoon," zeide Kitty,
toen zij weer met haar zuster alleen was. "Maar zij heeft iets vreemds
over zich, iets dat medelijden inboezemt."
"Ja," zeide Dolly! "Maar vandaag gaat er iets bizonders in haar
om. Toen ik haar naar de vestibule vergezelde, zag zij er uit alsof
zij in tranen zou losbarsten."