XXI.

"Hij is weg,--het is ten einde!" sprak Anna nog aan het venster

staande. En een kille ontsteltenis greep haar aan zooals des

nachts bij het uitgaan van het licht en onder de verschrikkelijke

nachtmerrie. "Neen! dat kan niet zijn!" riep zij uit, liep met driftige

schreden de kamer door en trok heftig aan de schel. De eenzaamheid

was haar zoo verschrikkelijk, dat zij den bediende niet afwachtte,

maar te gemoet ging.

"Informeer eens, waar de graaf is heengereden," zeide zij.

De man antwoordde, dat hij zich naar de stallen had laten brengen.

"Mij is bevolen," voegde hij er bij, "u te zeggen, dat, ingeval u

wenschte uit te rijden, het rijtuig zou terugkeeren."

"Goed. Wacht hier! Ik zal een paar regels schrijven. Zend Michaël

dadelijk naar de stallen."

Zij zette zich neder en schreef:

"Ik heb schuld. Keer terug; wij moeten tot een verklaring komen. Kom

om Gods wil, ik ben bevreesd."

Zij verzegelde het briefje, gaf het den knecht en in haar vrees om

alleen te zijn verliet zij de kamer en begaf zich naar haar dochtertje.

De roodwangige kleine zat aan de tafel en sloeg geweldig met een

stop op het tafelblad, terwijl zij met haar zwarte oogen haar moeder

aankeek. Deze beantwoordde eene vraag der Engelsche, door te kennen

te geven, dat zij zich weer wel gevoelde en dat zij morgen naar het

landgoed zouden vertrekken; toen zette zij zich naast het kind neder en

begon voor hetzelve de stop op de waterkaraf rond te draaien. Maar het

luid, helder klinkend lachen van het kind, de beweging der wenkbrauwen,

herinnerden haar zoo levendig aan Wronsky, dat zij, om niet in tranen

uit te barsten, opstond en de kamer verliet.

"Is het mogelijk? Is alles ten einde? Neen, hij zal terugkeeren! Maar

hoe zal hij mij dan dien vriendelijken lach, zijn geheele

blijde opgewektheid, nadat hij met _haar_ had gesproken, kunnen

verklaren? Maar al verklaart hij ze niet genoegzaam, ik wil hem toch

gelooven. Als ik hem niet geloof, blijft mij slechts dat ééne over,

en dat wil ik niet."

Zij zag op de pendule. Er waren slechts twaalf minuten verloopen.

"Nu moet hij mijn briefje al ontvangen hebben en komt terug. Nog maar

tien minuten.... Maar als hij nu eens niet komt? Neen, dat kan niet

zijn. Hij mag mijn beschreide oogen niet zien. Ik zal mij wasschen. En

mijn coiffure? Heb ik mij niet gefriseerd?" Zij kon het zich niet

herinneren. Zij trad voor den kapspiegel. Het haar was opgemaakt,

maar wanneer? Zij herinnerde het zich niet.

"Wie is dat?" dacht zij toen zij haar gelaat aanschouwde, waar

uit een paar ontstoken, zonderling gloeiende oogen haar verschrikt

aanzagen. "Dat ben ik toch," begreep zij, en terwijl zij zich verder

beschouwde, voelde zij zijn kussen in haar nek; zij trilde en bewoog

de schouders. Toen bracht zij haar hand aan de lippen en kuste ze.

"Wat is dat? Word ik dan waanzinnig?" En zij ijlde naar de slaapkamer,

waar Annuschka juist bezig was op te ruimen.

"Annuschka," zeide zij, ging voor het meisje staan en zag haar aan,

zonder te weten wat zij zeggen wilde.

"U wil naar Darja Alexandrowna rijden?" antwoordde het meisje, alsof

zij haar verstaan had.

"Tot Darja Alexandrowna? Ja, daar wil ik heen. Vijftien heen, vijftien

terug.... Hij komt dadelijk." Zij haalde het horloge te voorschijn

en zag er op. "Maar hoe kon hij heengaan en mij in zulk een toestand

achterlaten? Hoe kan hij leven zonder met mij verzoend te zijn?"

Zij ging naar het venster en zag naar de straat. Volgens den tijd

had hij al terug kunnen zijn. Maar haar berekening kon onjuist zijn,

en zij begon weer de minuten te tellen en na te denken wanneer hij

vertrokken was.

Op het oogenblik dat zij op de pendule toeging om er haar horloge

mede gelijk te zetten, kwam een rijtuig voor. Zij zag uit het

venster. Het was zijn kales, maar niemand kwam de trap op en beneden

hoorde zij geen stem. De bode, dien zij had gezonden, was met de

kales teruggekeerd. Zij ging hem tegen. Hij had den graaf niet meer

aangetroffen; deze was naar het Nischnegorodsche station gereden.

"Wat wil je nog?" vroeg zij op barschen toon den teruggekeerden

Michaël, die haar het briefje toehield, "ach ja, hij heeft het niet

meer in handen gekregen," herinnerde zij zich. "Rijd met dit briefje

naar de villa van gravin Wronsky; je kent het huis toch? en wacht

op antwoord."

"Wat zal ik er echter doen?" dacht zij. "Ja, ik rijd naar Dolly,

dat is waar. Anders word ik krankzinnig. Ik kon evenwel ook nog

telegrafeeren!"

En zij schreef het telegram.

"Ik moet haar noodig spreken. Kom dadelijk terug."

Zij verzond onmiddellijk het telegram en begon zich toen te verkleeden.

Toen zij haar toilet gemaakt en den hoed reeds opgezet had, zag zij

de kalme Annuschka weder in de oogen. Een blijkbaar medelijden sprak

uit deze kleine, goedige grijze oogen.

"Annuschka! Lieve! Wat zal ik doen?" zeide zij snikkend en viel

hulpeloos in een stoel neder.

"Waarom is u zoo ontroerd, Anna Arkadiewna? Zoo iets komt dikwijls

voor. U moet uitrijden en u wat verstrooien," antwoordde het meisje.

"Ja, ik wil uitrijden!" zeide Anna zich bezinnende en stond op. "En

komt in mijn afwezigheid een telegram, zend het dan naar Darja

Alexandrowna.... Of neen, ik kom zelf spoedig terug."

"Ja, men moet niet zooveel denken! ik moet handelen! Vooral uit dit

huis weg," sprak zij bij zich zelf, terwijl zij ontsteld naar het

kloppen van haar hart luisterde. Zij ging haastig naar buiten en

zette zich in het rijtuig neder.

"Waarheen beveelt u?" vroeg Peter.

"Naar de villa Oblonsky."

Anna Karenina(#13214) · 第 179 / 196 题