XX.

Nog nimmer was er een dag verloopen zonder dat zij een te voren

gevoerden twist hadden bijgelegd. Heden was dit voor de eerste maal

niet geschied. Het was de openbare erkentenis eener sterker geworden

verkoeling hunner gevoelens voor elkander.

Hoe kon hij haar bij de binnenkomst, toen hij naar het attest

van het paard zocht, zoo aanzien, haar, wier hart bijna van

vertwijfeling brak? En met een onverschillig, kalm gelaat kon hij

haar voorbijgaan! O, hij was niet slechts jegens haar verkoeld, neen,

hij haatte haar, dat was duidelijk, hij beminde eene andere.

En terwijl zij zich alle door hem gesproken harde woorden in het

geheugen terugriep, dacht zij er nog de woorden bij, die hij haar

blijkbaar had willen zeggen, en zoo wond zij zich meer en meer op.

"Ik houd je niet vast," had hij kunnen zeggen. "Je hebt u van uw man

niet laten scheiden, waarschijnlijk om tot hem terug te keeren. Zoo

keer maar terug. Als je geld noodig hebt, zal ik het je geven. Hoeveel

roebel heb je noodig?"

Zulke wreede woorden, die een ruw mensch slechts had kunnen bezigen,

legde zij hem in haar verbeelding in den mond en, alsof hij ze

werkelijk had gesproken, vergaf zij ze hem niet. En onmiddellijk

daarop zeide zij weer tot zich zelf:

"Maar was het niet eerst gisteren, dat hij mij liefde zwoer, dat hij

zich een eerlijk en teedergevoelig man betoonde? En hoe dikwijls heb

ik niet gevreesd en getwijfeld om een beuzeling!"--

Zoo bracht Anna dezen geheelen dag (met uitzondering van een bezoek

van een paar uren bij Wilson) in twijfel door, of alles ten einde was

of dat nog uitzicht op verzoening bestond, of wel of het niet beter

was, dat zij dadelijk vertrok zonder hem nog eenmaal te zien. Zij

verwachtte hem den geheelen dag, maar toen zij 's avonds haar kamer

binnentrad en het dienstmeisje het vorengenoemde bevel gaf, dacht zij:

"Komt hij in weerwil daarvan toch, dan beteekent het, dat hij mij nog

bemint; komt hij echter niet, dan is alles geëindigd en dan moet ik

besluiten iets te doen...."

Zij had het geluid van een wegrijdend rijtuig gehoord, zij

hoorde hem schellen, hoorde zijne schreden en zijn gesprek met het

dienstmeisje--hij geloofde haar, vroeg niets verder en ging naar zijn

kamer--derhalve: alles was geëindigd!

En als het eenige middel om de liefde in zijn hart weer op te wekken,

hem te straffen en in dezen strijd, door een boozen demon bij hen

verwekt, te overwinnen--rees de dood haar levendig voor oogen.

Nu was alles haar onverschillig: of zij naar Wosdwijenskoje vertrokken

of niet, of zij van haar man de toestemming tot scheiding verkreeg

of niet,--dat alles was niet meer noodig.

Slechts een ding was noodig: hem te straffen!

Toen zij nu haar gewone hoeveelheid opium ingoot en de gedachte bij

haar opkwam, dat zij slechts het geheele fleschje behoefde uit te

drinken om te sterven, scheen haar dat zeer licht en eenvoudig, en

zij begon zich met genot aan de gedachte over te geven, hoe hij zich

kwellen, berouw gevoelen en haar nagedachtenis liefhebben zoude. Zij

lag in het bed met open oogen, het schijnsel van het ten einde

brandend licht viel op de figuren van het plafond, waarop zij haar

blik had gericht en dat gedeeltelijk beschaduwd werd door het nabij

het bed staande kamerschut. Zij stelde zich levendig zijn berouw voor,

zij hoorde hem zeggen: "Hoe heb ik haar zulke wreede woorden kunnen

toevoegen? Hoe kon ik de kamer verlaten, zonder haar een woord toe te

spreken! En nu is zij niet meer! Zij is voor altijd heengegaan! Zij

is daar, waar...."

Plotseling begon de schaduw van het kamerschut te bewegen en bedekte

de plafond-ornementen, andere schaduwen van de tegenovergestelde

zijde zweefden ze tegen; toen verdwenen ze allen in een oogenblik,

maar daarop vereenigden zij zich weder, bewogen zich en vloeiden

samen tot een zwart, ondoordringbaar duister.

"Dat is de dood!" dacht zij en zulk een ontroering greep haar aan,

dat zij een geruime poos niet begrijpen kon, waar zij was, en lang te

vergeefs met sidderende handen naar een lucifer zoeken moest voor zij

dien vond, om een ander licht in plaats van het uitgegane te ontsteken.

"Neen! liever al het andere! Slechts leven! Ik bemin hem immers en

hij bemint mij! Dat is nu eenmaal geweest en zal voorbij zijn!" sprak

zij en voelde, omdat zij weer tot het leven ontwaakt was, tranen

van vreugde over haar wangen vloeien. En om zich van haar gevoel van

angst te bevrijden, stond zij snel op en ging naar Wronsky's kabinet.

Hij sliep vast. Zij trad naar hem toe, liet het licht op zijn gelaat

vallen en zag hem lang aan. Nu, nu hij sliep, beminde zij hem zoo,

dat zij bij zijn aanblik de tranen van teederheid niet kon weerhouden,

maar zij was overtuigd, dat als hij mocht ontwaken, hij haar met een

koelen blik, die toonde dat hij van zijn recht bewust was, zou aanzien,

en dat zij hem, voor zij van liefde kon spreken, toch eerst zou moeten

bewijzen, hoezeer hij tegenover haar ongelijk had. Zonder hem derhalve

te wekken, keerde zij naar haar kamer terug en na een tweede dosis

opium viel zij eindelijk in een niet verkwikkenden halven slaap,

waarin zij niet ophield haar bewustheid te behouden.

In den morgenstond overviel haar een zware nachtmerrie, waaraan zij

reeds vóór haar vereeniging met Wronsky gedurende den slaap had te

lijden gehad, zoodat zij daardoor ontwaakte. Zooals vroeger zag zij

een oud klein mannetje met een stoppeligen baard; hij stond op haar

borst over een ijzer gebukt, dat hij hanteerde, terwijl hij geheel

onzinnige Fransche woorden voor zich heen mompelde, en zij voelde,--en

dit vervulde haar juist met ontzetting--dat hij boven haar hoofd een

verschrikkelijk werk met dit ijzer verrichtte, zonder haar op te merken

of zich over haar te bekommeren. Zij ontwaakte badende in koud zweet.

Terwijl zij zich oprichtte, herinnerde zij zich als in een nevel

gehuld den dag van gisteren.

"Wij hebben, zooals reeds meermalen, met elkander getwist. Ik heb

hem laten zeggen, dat ik hoofdpijn had, en hij is niet bij mij

gekomen. Morgen vertrekken wij; ik moet hem zien en mij voor de

reis gereedmaken."

Toen zij vernam, dat hij nog in zijn kabinet was, ging zij daar

heen. Het salon doorgaande, hoorde zij een rijtuig voorkomen. Zij

zag uit het venster, haar blik viel op een coupé, waaruit een jong

meisje met een lila-hoed op zich naar buiten boog; het sprak eenige

bevelende woorden tot den bediende, die aan de deur schelde.

Naast het salon klonken Wronsky's schreden. Hij liep haastig de trap

af. Anna zag weer uit het venster. Hij ging juist de buitentrap af

en trad naar het rijtuig. Het jonge meisje met den lila-hoed gaf hem

een pakket. Wronsky zeide haar lachend eenige woorden. Het rijtuig

reed weer weg en hij liep snel de trap op.

De nevel, die tot hiertoe haar geheele ziel omhulde, was plotseling

verdwenen. Haar gevoel van gisteren omklampte weer met vernieuwde

smart haar hart. Zij kon nu niet begrijpen, hoe zij zich zoo diep

had kunnen vernederen, nog een dag bij hem, in zijn huis, te vertoeven.

Zij trad zijn kabinet binnen om hem haar besluit mede te deelen.

"Vorstin Sorakin en haar dochter waren zooeven voor de deur en hebben

mij het geld en de papieren van mama gebracht," zeide hij. "Gisteren

kon ik ze nog niet bekomen. Hoe is het met je hoofdpijn? Is het

beter?" vroeg hij kalm. Maar hij vermeed het haar aan te zien en de

donkere, ernstige uitdrukking van haar gelaat te bemerken.

Zij zag hem zwijgend, opmerkzaam aan, terwijl zij midden in de kamer

stond. Hij zag op, fronste een oogenblik het voorhoofd en ging toen

voort verder den brief te lezen. Zij wendde zich om en ging langzaam

naar de deur. Hij kon haar terugroepen, maar zij kwam tot aan de deur,

hij zweeg nog steeds en niets dan het ritselen van het papier was

te hooren.

"Ja! A propos!" zeide hij nu, terwijl zij reeds in de deur stond:

"Morgen reizen wij dus bepaald af, niet waar?"

"Gij, maar ik niet!" antwoordde zij.

"Dat wordt onverdragelijk!..."

"Gij ... gij zult er berouw over hebben!" sprak zij en ging heen.

Verschrikt over den wanhopigen toon, waarop zij deze woorden gesproken

had, sprong hij op en wilde haar volgen, maar hij bedacht zich,

ging weer zitten en beet op de tanden, terwijl zijn voorhoofd zich

rimpelde. Deze naar zijn meening zoo bovenmate ongepaste bedreiging

vertoornde hem.

"Alles heb ik beproefd," dacht hij, "slechts dit eene blijft mij nog

over: op niets acht te slaan." En hij ging zich gereed maken om naar

zijn moeder te gaan, die nog een volmacht moest onderteekenen.

Zij hoorde zijn schreden in zijn kabinet en in de eetzaal. Bij het

salon stond hij een oogenblik stil, doch hij wendde zich niet naar

haar boudoir, maar gaf slechts bevel het verkochte paard aan Woitow

af te leveren. Toen hoorde zij het rijtuig voorkomen, de huisdeur werd

geopend, hij ging naar buiten. Maar hij kwam weer in den gang terug en

er ijlde iemand naar boven. Het was de bediende, die de handschoenen

haalde, welke hij had vergeten. Zij ging naar het venster en zag, hoe

hij, zonder op te zien, de handschoenen aannam, met de hand den rug

van den koetsier aanraakte en hem iets zeide. Zonder een blik naar

het venster, zette hij zich op zijn gewone wijze in het rijtuig,

sloeg het eene been over het andere, trok de handschoenen aan en

verdween in een oogenblik achter den naasten hoek der straat.

Anna Karenina(#13214) · 第 178 / 196 题