XIX.

In het gevoel eener volkomen verzoening ging Anna den volgenden

morgen dadelijk de voorbereidselen voor de afreis maken. Hoewel nog

niet besloten, of zij Maandag of Dinsdag zou vertrekken--want de een

wilde nu den ander toegeven,--maakte zij zich toch geheel voor de

reis gereed.

Zij stond in haar kamer, over een open koffer gebogen, toen hij,

reeds geheel gekleed, vroeger dan gewoonlijk bij haar binnentrad.

"Ik rijd terstond weg naar mama. Het geld kan zij nog met Egarow wel

nazenden, en morgen ben ik gereed," zeide hij.

Hoe goed geluimd zij ook was, de tocht naar het landhuis zijner moeder

was haar onaangenaam.

"Neen, ik zelf zal dan niet gereed zijn," antwoordde zij en dacht

te gelijk: "Dus was het hem toch wel mogelijk het zoo te schikken

als ik wenschte.--Neen, schik het zooals je wilt. Ga in de eetkamer,

ik volg je dadelijk. Ik wil hier nog maar in een paar minuten eenige

nuttelooze dingen terugleggen." En zij legde nog meer op den berg

van lappen en kleedingstoffen, die Annuschka reeds op de armen had.

Wronsky gebruikte juist zijn beefsteak, toen zij bij hem in de

kamer kwam.

"Je kunt niet denken hoe mij deze kamers tegenstaan," zeide zij

en zette zich naast hem om een kop koffie te drinken. "Niets is

afschuwelijker dan deze chambres garnies. Zij hebben geen uitdrukking

en geen ziel. Deze pendules, deze gordijnen en tapijten--drukken

iemand als de nachtmerrie. Ik denk aan Wosdwijenskoje als aan het

beloofde land. Zendt je de paarden nog niet weg?"

"Neen, zij zullen nakomen. Wil je uitrijden?"

"Ik wilde naar Wilson en haar eenige japonnen brengen. Dus bepaald

morgen?" zeide zij met opgeruimde stem; maar plotseling veranderde

haar gelaat.

Wronsky's kamerdienaar was binnengekomen en zocht de kwitantie van

een telegram uit Petersburg. Het was niets ongewoons, dat Wronsky een

telegram ontving, maar alsof hij voor haar iets verbergen wilde, zeide

hij, dat de kwitantie in zijn kabinet lag en wendde zich snel tot haar:

"Ja, morgen ben ik bepaald met alles gereed."

"Van wie is dat telegram?" vroeg zij.

"Van Stiwa. Ik wilde het je niet laten zien."

"Waarom niet? Welk geheim kan Stiwa hebben?"

Wronsky riep den knecht terug en beval hem het telegram te brengen.

"Ik wilde het je niet laten zien. Stiwa heeft altijd een hartstocht

om te telegrafeeren. Wat geeft dat als er toch niets beslist is?"

"Wegens de scheiding?"

"Ja, maar hij wil nog nader schrijven. Tot hiertoe is hij niet

geslaagd. Hij belooft in den brief een beslissend antwoord. Je kunt

het zelf lezen."

Anna nam met sidderende hand het telegram en las wat Oblonsky geseind

had. Aan het slot stond: "Er is weinig hoop. Zal het mogelijke en

onmogelijke beproeven."

"Ik heb je gisteren gezegd, dat scheiding of geen scheiding mij

geheel onverschillig zijn," zeide zij blozend. "Het was niet noodig

het voor mij geheim te houden." En zij dacht: "Evengoed kan hij ook

zijn correspondentie met andere vrouwen voor mij geheim houden."

"Jawschin wilde heden voormiddag met Woitow komen," zeide Wronsky. "Ik

geloof, dat hij Peszow alles heeft afgewonnen en nog meer dan hij

betalen kan; bijna zestigduizend roebel." "Neen," zeide zij, vertoornd,

omdat hij met deze wending van het gesprek blijkbaar te kennen gaf,

dat zij opgewonden was. "Waarom denk je, dat dit telegram mij dermate

zou interesseeren, dat het voor mij geheim moest worden gehouden? Ik

heb toch gezegd, dat ik daaraan volstrekt niet meer denken wil, en

wensch ook, dat gij u daarvoor even weinig zult interesseeren als ik."

"Ik interesseer mij daarvoor, omdat ik een zuiveren, klaren toestand

wensch."

"Die is niet gelegen in den uiterlijken vorm, maar in de liefde,"

antwoordde zij, minder door zijn woorden dan door den toon van koele

bezonnenheid, waarop hij sprak, bij toeneming opgewonden. "Waarom is

dat je wensch?"

"Mijn hemel! Al weder deze liefde!" dacht hij en fronste het voorhoofd.

"Je weet waarom. Voor u en voor de kinderen, die wij hebben kunnen,"

zeide hij.

"Wij zullen geene kinderen hebben."

"Dat zou jammer zijn!"

"Derhalve voor de kinderen is het noodig! Aan mij denk je niet." Zij

had vergeten of niet gehoord, dat hij gezegd had: "voor u en de

kinderen."

De vraag, of zij kinderen hebben zouden, was reeds lang een teeder

punt tusschen hen. Zijn wensch om kinderen te hebben verklaarde zij

daarmede, dat hij haar schoonheid voor niets rekende.

"Ach, ik heb ook gezegd: voor u; het meeste voor u!" hernam hij met

een verdrietig gelaat, "daar ik overtuigd ben, dat je opgewondenheid

meest veroorzaakt wordt door de onzekerheid van je toestand."

"Ja, nu veinst hij niet meer en zijn koele onverschilligheid komt te

voorschijn," dacht zij; zij had op zijn woorden geen acht gegeven en

zag nu in zijn oogen den koelen rechter, die haar onderzoekend aanzag.

"Dat is de oorzaak niet," zeide zij, "en ik begrijp volstrekt niet,

hoe je de oorzaak van mijn vermeende opgewondenheid kunt zien in de

omstandigheid, dat ik geheel in je macht ben. Wat is er dan in mijn

toestand onklaar en onzeker? Integendeel...."

"Ik betreur het, dat je mij niet wilt begrijpen," viel hij haar in

de rede, met den wensch zijn gedachten haar volkomen duidelijk te

maken. "Die onzekerheid bestaat juist daarin, dat je mij als vrij,

als niet gebonden beschouwt...."

"Daaromtrent kun je volkomen gerust zijn," antwoordde zij en begon,

terwijl zij zich van hem afwendde, haar koffie te drinken. Zij

bracht het kopje aan den mond en nadat zij een teug had genomen,

zag zij Wronsky aan en bemerkte duidelijk, dat haar houding van

onverschilligheid hem verdroot. Zij zette het kopje weer neder.

"Het is mij onverschillig, hoe je moeder over mij denkt en welke

huwelijksplannen zij voor je smeedt."

"Daarvan spreken wij nu niet."

"Ja wel! En geloof mij, elke vrouw zonder hart, zij mag oud of

jong zijn, zij mag je moeder of een andere zijn, is mij volmaakt

onverschillig."

"Anna, ik bid je mijn moeder te respecteeren."

"Eene vrouw, wier hart niet kan gevoelen, waarin het geluk en de eer

van haar zoon zijn gelegen, zulk eene vrouw heeft geen hart."

"Ik herhaal mijn verzoek om van mijn moeder, die ik vereer, niet zoo

verachtelijk te spreken," zeide hij, terwijl hij de stem verhief en

haar ernstig aanzag.

Zij antwoordde niet, maar mat hem met de oogen. Zij herinnerde zich

tot in kleinigheden het verzoeningstooneel van den vorigen dag en

zijn hartstochtelijke teederheid.

"Dezelfde liefkozingen heeft hij ook aan andere vrouwen verspild

of hij wil en zal het doen!" dacht zij en, terwijl zij hem met een

toornigen blik aanzag, voegde zij er luid bij:

"Je houdt volstrekt niet van je moeder, dat is niets dan een phrase

en nog eens een phrase!"

"Als het zoo gesteld is, moet men...."

"... Een besluit nemen, en ik ben besloten," antwoordde zij en

wilde gaan. Maar op hetzelfde oogenblik werd de deur geopend en trad

Jawschin binnen.

Anna beantwoordde zijn groet en bleef in de kamer. Zij onderdrukte

dadelijk den opgekomen storm in haar binnenste, nam weer plaats en

trad met haar gast in gesprek.

"Hoe staat het met de schuld? Zou ze u betaald worden?" vroeg zij.

"Alles zal ik wel niet bekomen," antwoordde hij. "Woensdag vertrek

ik. Wanneer reist u af?"

"Ik denk overmorgen," antwoordde Wronsky.

"Je hebt dat al zoo lang voorgenomen, dat ik denk, dat je ook ditmaal

niet wegkomt."

"Daarvan ben ik zelfs overtuigd," zeide Anna en zag daarbij Wronsky

met een blik in de oogen, die beteekende: vat dit kalm gesprek niet

op als een bewijs van de mogelijkheid eener verzoening.

"Heeft u geen medelijden met den ongelukkigen schuldenaar?" wendde

zij zich tot Jawschin.

"Ik heb dit mij zelf nooit gevraagd, Anna Arkadiewna. Mijn geheel

vermogen draag ik hier" en hij wees op zijn borst. "Heden ben ik

een rijk man, maar ga ik in de club, dan kom ik van avond misschien

als een bedelaar terug. Hij, die zich met mij aan de speeltafel zet,

doet ook zijn uiterste best om mij het vel over de ooren te halen. Zoo

kampen wij met elkander en juist daarin bestaat het genoegen."

"Maar als u getrouwd was," zeide Anna, "hoe zou uw vrouw dan te

moede zijn?"

Jawschin lachte.

"Om die reden ben ik ook ongetrouwd en zal het ook blijven."

"En Helsingfors?" zeide Wronsky lachend en zag daarbij Anna aan, die

ook lachte. Hun blikken ontmoetten elkander, maar Anna's gelaat nam

dadelijk een koele, terughoudende uitdrukking aan, alsof zij zeggen

wilde: "Niet vergeten! Tusschen ons blijft het onveranderd."

"Was u werkelijk eenmaal verliefd?" vroeg zij Jawschin.

"O, mijn God, hoe dikwijls! Maar begrijp mij wel: Altijd zoo, dat ik

er de speeltafel niet om verzuimde."

"Maar hoe was het met die, daar te ...?" Zij wilde vragen: "te

Helsingfors," maar zij wilde dit woord niet herhalen, omdat Wronsky

het reeds had uitgesproken.

Op dit oogenblik trad Woitow binnen, die Wronsky's hengst wilde

koopen. Anna stond op en verliet met onverschillig voorkomen de kamer.

Voor Wronsky wegreed, zocht hij Anna nog eenmaal op. Toen zij zijn

schreden hoorde, nam zij een boek en deed alsof ze las.

"Wat wensch je?" vroeg zij in het Fransch.

"Ik zoek naar Gambetta's stamlijst; ik heb hem verkocht," antwoordde

hij op een toon, die meer dan woorden duidelijk uitdrukte: "Tot eene

uitlegging heb ik geen tijd, ook zou het tot niets leiden."

"Ik heb niets tegen haar misdaan," dacht hij. "Wil zij zichzelf

straffen, tant pis pour elle."

Toen hij reeds wilde heengaan, scheen het hem alsof zij iets gezegd

had en een plotseling medelijden met haar doordrong zijn hart.

"Was is het Anna?" vroeg hij.

"Ik? Niets!"

"Tant pis!" dacht hij weder en werd plotseling weer koel, keerde zich

om en verliet de kamer. Toen hij in deur gekomen nog een blik in de

kamer wierp, zag hij in den spiegel haar bleek gelaat en hoe haar

lippen beefden. Hij had behoefte haar een vriendelijk woord te zeggen,

maar het was te laat, hij bevond zich al buiten de deur voor hij een

aanknoopingspunt had kunnen vinden.

Hij bracht den geheelen dag buitenshuis door en toen hij laat in den

avond terugkeerde, zeide het dienstmeisje hem, dat haar meesteres

hoofdpijn had en hem liet verzoeken niet bij haar te komen.

Anna Karenina(#13214) · 第 177 / 196 题