XVIII.

"Nu heb je u geamuseerd?" vroeg zij, terwijl zij hem met vriendelijke

en schuldbewuste houding te gemoet ging.

"Als gewoonlijk," antwoordde hij, bij den eersten blik bespeurend,

dat zij goed geluimd was.

Hij was reeds aan zulk een afwisseling harer gemoedsstemming gewoon,

maar verheugde zich er heden des te meer over, daar hij zelf goed

gestemd was.

"Wat zie ik? Dat is best!" zeide hij en wees op de koffers in de

voorkamer.

"Ja, wij moeten weg. Ik was gaan wandelen en nu kwam het mij voor,

dat het aangenaam zou wezen weder buiten te zijn. Er is toch niets,

dat je hier terughoudt?"

"Ik heb geen anderen wensch. Ik kom dadelijk terug en dan zullen

wij het bespreken. Ik wil mij slechts omkleeden. Laat intusschen de

thee brengen."

Hij ging in zijn kabinet.

Er lag iets opvallends in zijn "dat is best," iets alsof hij tot een

kind sprak, dat zijn caprices liet varen; de tegenstelling tusschen

haar verzoenlijken en zijn zelfbewusten toon was beleedigend, zoodat

een oogenblik de begeerte bij haar opkwam zich tot den strijd voor te

bereiden, maar zij beheerschte zich en volhardde in haar vriendelijke

houding.

Toen hij terugkwam, vertelde zij hem, hoe zij den dag had doorgebracht

en besprak met hem haar reisplannen.

"Weet je, het is als een inspiratie in mij opgekomen, waarom

zouden wij op eene scheiding wachten? Dat is op het land toch ook

onverschillig. Ik kan niet langer wachten. Ik wil niets hopen, niets

meer van scheiding hooren. Ik ben het met mij zelf eens geworden,

dat dat op mijn leven volstrekt geen invloed zal hebben. Ben je dat

ook met mij eens?"

"O ja," antwoordde hij en zag eenigszins ongerust in haar opgewonden

gelaat.

"Wat heb je daar gedaan? Wie waren er?" vroeg zij een poos daarna.

Wronsky noemde de gasten op. Het diner was uitstekend geweest, ook de

wedren en al het overige; slechts kon men in Moskou niet buiten iets

bespottelijks. Zoo was, onder andere, ook een dame opgetreden, de

zwemonderwijzeres der koningin van Zweden, en had haar kunst getoond.

"Wat? Zij heeft je wat voorgezwommen?" vroeg Anna ontevredend wordend.

"Ja, in een rood zwempak. Maar zij was oud en leelijk. Derhalve

wanneer zullen w£j vertrekken?"

"Welk een zotte inval! Zwom zij dan zoo bizonder?" vroeg Anna, zonder

hem te antwoorden.

"Volstrekt niet bizonder. Ik zeg immers ook, dat zij afschuwelijk

was. Dus, wanneer dunkt je, dat we moeten afreizen?"

Anna schudde het hoofd, alsof zij eene onaangename gedachte verdrijven

wilde.

"Afreizen? Waarheen? O ja! Hoe eer hoe beter. Morgen zullen we wel niet

gereed zijn. Maar overmorgen." "Ja.... Neen! Wacht eens. Overmorgen

is het Maandag; dan moet ik bij mama zijn," zeide Wronsky en werd

verlegen; want nauwelijks had hij zijn moeder genoemd, of hij zag

haar opmerkzamen, argwanenden blik op zich gevestigd. Haar gelaat

ontgloeide en zij naderde hem. Het was nu niet meer de Zweedsche

zwemonderwijzeres, die voor Anna's oogen opdaagde, maar prinses

Sorokina, die met gravin Wronsky een villa in de nabijheid van Moskou

bewoonde.

"Kun je er morgen niet heengaan?" vroeg zij.

"Neen; de zaak, waarvoor ik er heen moet--haar volmacht en het

geld--kan ik morgen nog niet bekomen," antwoordde hij.

"Als het zoo is, dan vertrekken wij in het geheel niet."

"Waarom niet?"

"Later vertrek ik niet. Maandag of nooit!"

"Waarom dan?" vroeg Wronsky verwonderd; "dat heeft immers geen zin

of reden."

"Voor u heeft het geen zin of reden omdat ik je niets aanga, want

je _wilt_ mij niet begrijpen. Het eenige, wat mij hier nog bond, was

het belang van Hanna--maar dat heb je onnatuurlijk genoemd. Je hebt

immers gezegd, dat ik mijn dochtertje niet liefheb en mij aanstelde,

alsof ik van de Engelsche veel hield en dat dit onnatuurlijk was. Ik

zou wel willen weten, welk leven hier voor mij natuurlijk zijn kon?"

Een kort oogenblik kwam zij tot bezinning en verschrikte, dat zij

haar voornemen zoo ontrouw was geworden. Maar hoewel zij wist, dat

zij zich te gronde richtte, kon zij zich niet onthouden hem te toonen,

dat hij ongelijk had en dat zij zich niet aan hem wilde onderwerpen.

"Dat heb ik nimmer gezegd. Ik heb slechts gezegd, dat ik van deze

uwe plotselinge genegenheid geen begrip had."

"Waarom wil jij, die toch zoo met je openhartigheid praalt, de waarheid

niet zeggen?"

"Ik heb geen onwaarheid gesproken en het doet me zeer leed, dat je

mij niet acht," zeide hij zacht en bedwong den opkomenden toorn.

"Met achting wil men de ledige plaats aanvullen, waar liefde zijn

moest. En als je mij niet meer bemint, was het beter en eerlijker,

dat je het mij zeidet."

"Neen, dat is onuitstaanbaar!" riep Wronsky uit en sprong van zijn

stoel op. Hij ging voor haar staan en zeide langzaam, maar met een

uitdrukking alsof hij nog veel te zeggen had: "Waarom, waarom stel

je zoo mijn geduld op de proef? Alles heeft zijn grenzen."

"Wat wil je daarmede zeggen?" riep zij uit en zag met schrik in

zijn gelaat de uitdrukking van haat, die vooral in zijn dreigende,

toornige oogen vlamde.

"Ik wil daarmede zeggen," begon hij, maar weerhield nog zijn

woorden. "Ik moet u vragen: wat wilt ge van mij?"

"Wat kan ik willen? Je denkt, dat ik slechts den éénen wensch koester,

dat ge mij niet zult verlaten," zeide zij, terwijl zij alles wel

begreep, wat hij niet had uitgesproken. "Maar dat staat in de tweede

rij. Ik wil liefde en die is niet aanwezig. Derhalve is alles ten

einde!"

Zij ging naar de deur.

"Wacht! Wacht!" zeide Wronsky. Zijn wenkbrauwen waren donker

samengetrokken, als te voren, maar hij nam haar bij de hand. "Waar is

het eigenlijk om te doen? Ik heb gezegd, dat wij ons vertrek moeten

verschuiven tot den derden dag, en jij hebt daarop geantwoord, dat

ik een leugenaar en oneerlijk man ben."

"Ja, en ik herhaal, dat een man, die mij voor de voeten werpt, dat

hij alles voor mij heeft opgeofferd," zeide zij, herinnerende aan

den twist van den vorigen dag, "dat zulk een man nog erger is dan

oneerlijk: hij is een man zonder hart."

"Neen, het geduld heeft zijn grenzen!" riep hij uit en liet haar

hand los.

"Het is duidelijk, hij haat mij," dacht zij en ging, zonder om te zien,

zwijgend de kamer uit.

"Hij bemint eene andere vrouw, dat is duidelijk," sprak zij bij zich

zelf in haar boudoir. "Ik wil liefde, maar deze is er niet. Derhalve

is alles uit--en ik moet er een einde aan maken. Maar hoe?" vroeg

zij zich af en zette zich in den stoel voor den spiegel neder.

Zij ging in haar gedachten na, waarheen zij zich nu zou begeven,

of naar de tante, bij wie zij was opgevoed, of naar Dolly of naar

het buitenland; zij vroeg zich, wat hij nu deed, waar hij was en of

deze oneenigheid beslissend, of een verzoening nog mogelijk zou zijn,

wat nu haar vroegere Petersburger kennissen van haar zeggen zouden,

wat Alexei Alexandrowitsch er van zou denken. Deze en andere gedachten

vlogen haar door het hoofd; maar zij stond er niet bij stil. In het

diepst harer ziel lag eene andere, nevelachtige gedachte, die haar

alleen belang inboezemde. Met de gedachte aan Karenin verbond zich bij

haar de herinnering aan den tijd van haar laatste bevalling, toen het

gevoel: "ach, waarom ben ik niet gestorven?" haar niet verliet. Dit

gevoel en die vraag van destijds herinnerde zij zich. Dat lag in haar

ziel, dat was een gedachte, die alleen alles oploste--ja! sterven!...

"De schimp en de schande van Alexei en Serëscha en mijn eigen

ontzettende smaad--alles wordt door den dood uitgedelgd. Ja,

sterven! En hij zal berouw hebben, hij zal mij betreuren en beminnen

en lijden om mijnentwil...."

Met een bestendig lachje van medelijden met zich zelf zat zij daar

in haar stoel en trok de ringen van de linkerhand om ze er weer aan

te steken, terwijl zij zich levendig zijn gewaarwordingen na haar

dood voorstelde.

Daar naderden schreden, _zijne_ schreden. Alsof zij met haar ringen

bezig was, wendde zij zich niet naar hem om.

Hij trad op haar toe, greep haar hand en sprak zacht:

"Anna, laat ons dan overmorgen vertrekken, als je wilt. Ik ben tot

alles bereid."

Zij zweeg.

"Nu?" vroeg hij.

"Je weet zelf...." zeide zij, doch in hetzelfde oogenblik was zij niet

meer in staat zich in te houden, maar brak in tranen uit. "Verlaat mij,

verlaat mij!" sprak zij tusschen haar snikken. "Ik vertrek morgen

... ik wil nog meer doen ... wat ben ik? Eene zedelooze vrouw! Een

steen om den hals! Ik wil je niet kwellen, ik wil het niet! Ik wil

je vrij maken! Je bemint mij niet, je bemint eene andere!"

Wronsky bezwoer haar kalm te worden en verzekerde plechtig, dat er

ook niet een schaduw van grond voor haar ijverzucht bestond, dat hij

nimmer had opgehouden en nimmer zou ophouden haar te beminnen en dat

hij haar nu meer dan ooit beminde. "Anna, waarom je zelf en mij zoo

te kwellen?" zeide hij en kuste haar handen.

Zijn gelaat drukte innige liefde uit en zij meende het geluid der

tranen in zijn stem te hooren en het vocht daarvan op haar hand

te voelen--en plotseling ging Anna's wanhopige ijverzucht in de

hartstochtelijkste teederheid over. Zij omarmde hem en bedekte zijn

hals, hoofd en handen met kussen.

Anna Karenina(#13214) · 第 176 / 196 题