Hitte en stof hadden voor Anna en Wronsky het oponthoud in Moskou,
waar de zon niet meer als in de lente scheen, maar als in den zomer
brandde, waar de boomen op de boulevards reeds bladeren hadden en met
stof bedekt waren, onaangenaam doen worden; maar hoewel reeds lang
besloten weder naar Wasowijenskoije te verhuizen, bleven zij toch nog
in Moskou voortwonen, want er werd in den laatsten tijd tusschen hen
geene overeenstemming gevonden.
De gespannen toestand, die hen scheidde, had volstrekt geen uitwendigen
grond, en alle pogingen om zich jegens elkander daarover te verklaren
verergerden dien slechts. De grond daarvoor was van innerlijken aard,
en wel bij haar gelegen in een vermeende waarneming van zijn verflauwde
liefde en bij hem in het berouw, dat hij zich om harentwil in zulk
een valsche positie had gebracht, dat zij hem, in plaats van ze te
verlichten, nog verzwaarde.
Geen van beiden sprak zich daarover genoegzaam uit, maar ieder
geloofde, dat de ander alleen in het ongelijk was, en beijverde zich
dat den ander te bewijzen.
Naar haar inzien waren al de gewoonten, inzichten en wenschen van
zijn geheele wezen op vrouwenliefde gericht, en deze geheele liefde
moest haar alleen behooren. Maar nu was deze liefde verflauwd,
derhalve moest hij een gedeelte daarvan op een andere vrouw hebben
overgedragen en daarom was zij ijverzuchtig. Zij was het echter
niet op een bepaalde vrouw, maar slechts omdat zijn liefde verflauwd
was. Zonder een werkelijk voorwerp voor haar ijverzucht, zocht zij
naar zulk een, nu hier dan daar. Vandaag was zij ijverzuchtig op
lichtzinnige vrouwen, die berucht waren en met wie hij uit hoofde
van betrekkingen uit vroeger dagen zoo licht in aanraking kon komen;
morgen op dames, die hij in gezelschappen ontmoeten kon; dan weder
op zijn wensch, die zij zich verbeeldde te bestaan, om met haar te
breken en met een ander te trouwen. Vooral deze laatste ijverzucht
kwelde haar het moest. Eenmaal, in een zwak oogenblik, had hij zich
onvoorzichtig uitgelaten, dat zijn moeder hem zoo weinig kende, dat
zij nog steeds plannen smeedde om hem met prinses Sorokin te doen
trouwen. Terwijl zij nu alles door haar gedachten liet gaan, wat zij
voor hem had opgeofferd, gevoelde zij steeds meer zijn onrecht en
zijn harteloosheid. Van al het smartelijke, dat zij in haar toestand
ondervond, gaf zij hem de schuld. Dezen kwellenden toestand van hopen
en vreezen in zwevende pijn, Karenins aarzeling en besluiteloosheid,
haar eenzame verlatenheid--alles schoof zij op zijn rekening. Als
hij haar beminde, zou hij al lang de bezwaren van haar toestand
begrepen en haar daarvan verlost hebben. Ook daarvan, dat zij zich
nog altijd te Moskou en niet op het land bevonden, droeg hij alleen
de schuld. Hoe zij het ook wenschen mocht, hij wilde zich niet op
het land begraven; conversatie was voor hem behoefte on daardoor
had hij haar in dezen ondragelijken toestand gebracht, waarvan hij
de bezwaren niet begreep. En eindelijk was het ook nog zijn schuld,
dat zij zonder haar zoon moest leven.
En nu hield hij op haar te beminnen, nu zij alles had verloren! Zelfs
de steeds zeldzamer wordende oogenblikken van teedere liefde
tusschen hen stelden haar niet gerust; zij zag daarin slechts nog
eene uitdrukking zijner kalmte en zekerheid, die vroeger niet had
bestaan en die haar nu vertoornde.
Wronsky van zijn zijde kon volstrekt niet begrijpen, waarom zij haar
reeds zoo drukkend leven nog meer vergiftigde, waarom zij hem, die
toch voor haar al zooveel had opgeofferd, bestraffen en kwellen wilde,
daar hij toch nu evenals vroeger voortging haar in gedachten en daden
getrouw te blijven. Hij kon zich zelf en haar de fout niet vergeven,
dat zij zich buiten den echt verbonden hadden. Eerst nu begreep hij
den geheelen omvang van zulk een valschen stap. In werkelijkheid was
zij in zijn macht, maar haar zwakheid en hulpeloosheid gaven haar een
buitengewone macht over hem; doch deze macht werd haar verleend door
zijn eerlijkheid en teergevoeligheid. Maar deze macht misbruikte
zij. "Ik ben slechts uw minnares, ge kunt mij verlaten," had zij
zelfs tot hem gezegd; en alsof zij hem opzettelijk in verzoeking
wilde brengen, daagde zij hem uit tot den strijd. Toegeven kon hij
haar niet in eene aangelegenheid, die zijn geheele leven betrof. Ook
was het niet te begrijpen _wat_ zij eigenlijk verlangde. Nu was het
iets onmogelijks, een afzien van alles wat hem belang inboezemde,
waardoor hij zich belachelijk zou maken, dan zijn onafgebroken
verliefde nabijheid, zoodat hem dit, omdat het geëischt werd, bepaald
tegenstond. Hoewel hij moest erkennen, dat zij in haar toestand
uiterst beklagenswaardig was en dat men jegens haar zoo toegefelijk
mogelijk zijn moest, vergat hij dit voornemen toch licht zoodra zij
weder met elkander in betrekking kwamen. Haar onbillijkheid en haar
levendig besef, dat zij aan zijn willekeur was overgegeven, verdroot
hem; zij noodzaakte hem tot verdediging en afwering en dan, door haar
ongerijmde, beleedigende uitvallen getergd, wond hij zich op en zeide
haar dingen, die beter waren niet gezegd te zijn. Buitendien was het
nu steeds haar wensch zijn physisch welgevallen op te wekken, en dit
koketteeren met hem, deze bemoeiingen om door houding en kleeding
indruk op hem te maken verkoelden hem, stieten hem meer van haar af
dan dat ze hem aantrokken.
Het was in het schemeruur. Anna was alleen en verwachtte zijn
terugkomst van een diner met ongehuwde heeren; zij ging in zijn
kabinet, waar men het gedruis der straten het minste hoorde, op
en neder en dacht over de bizonderheden van den pas voorgevallen
strijd. Zij ging terug tot de aanleiding en kon het lang niet
gelooven, dat een twist had kunnen ontstaan uit een onschuldig voor
beiden onverschillig gesprek. En toch was het zoo geweest. Hij had
zich over de gymnasiën voor meisjes vroolijk gemaakt en ze voor
overtollig verklaard, zij daarentegen had ze verdedigd. Hij had
bovendien verachtelijk over de beschaving der vrouwen gesproken en
de meening geuit, dat Hanna, de door Anna geprotegeerde Engelsche,
volstrekt niets van de physica behoefde te weten.
Dat had Anna verdroten; zij had daarin eene minachtende opmerking over
haar doen en streven gezien en zij antwoordde hem met een gezegde,
dat de haar veroorzaakte smart weer moest vergelden.
"Ik verwacht volstrekt van u niet meer, dat gij aan mijn gevoelen
denkt als iemand, die mij lief heeft," had zij gezegd.
En hij was rood geworden van ergernis en had iets onaangenaams
geantwoord. Haar antwoord had zij vergeten, maar hij had haar daarop,
met het blijkbaar oogmerk haar te kwetsen, gezegd:
"Voor mij is inderdaad uwe voorliefde voor dit jonge meisje weinig
interessant en wel daarom, dat ze onnatuurlijk is."
Deze wreedheid, waarmede hij de wereld verstoorde, die zij zich gebouwd
had om haar moeielijk leven te kunnen dragen, deze onbillijkheid,
waarmede hij haar van onoprechtheid en onnatuurlijkheid beschuldigde,
had haar opgewonden.
"Het doet mij leed, dat slechts het ruwe en materieele u begrijpelijk
en natuurlijk voorkomt," had zij geantwoord en was toen de kamer
uitgegaan.
Toen hij nu daarop gisteravond weder bij haar was gekomen, hadden zij
den gevoerden twist niet aangeroerd, maar beiden hadden het gevoel
gehad, dat hij wel geëindigd, maar niet spoorloos voorbijgegaan was.
Heden was hij den geheelen dag nog niet te huis gekomen en zij gevoelde
zich zoo verlaten en de verwijdering tusschen hen drukte haar zoo
zwaar, dat zij bereid was alles te vergeven en te vergeten, zich met
hem te verzoenen, zich zelf aan te klagen en hem te verontschuldigen.
"Ik zelf heb schuld. Ik was opgewonden, onverstandig, ijverzuchtig. Wij
zullen ons met elkander verzoenen en naar het land vertrekken. Daar
zal ik weer kalm en rustig zijn," zeide zij tot zich zelf.
"Dat is onnatuurlijk," klonk haar plotseling weer het woord van
gisteren in de ooren; maar de woorden beleedigden haar minder, dan
veel meer zijn oogmerk om haar te kwetsen. "Ik weet, wat hij daarmede
zeggen wilde: Het is onnatuurlijk, als men een eigen dochter heeft,
een vreemde lief te hebben. Alsof hij de liefde der moeder voor de
kinderen begrijpt! Mijn liefde voor Serëscha, die ik om zijnentwil
heb opgeofferd! Maar dit opzet om mij leed te doen! Neen, hij bemint
eene andere, anders is het niet verklaarbaar!"
En zij bemerkte, dat zij zich, terwijl zij zich wilde geruststellen,
in denzelfden kring rondbewoog en nu weer op het punt stond tot haar
eersten toorn terug te keeren; toen verschrikte zij van zich zelf.
"Is het dan niet mogelijk? Kan ik het werkelijk niet over mij
verkrijgen?" En zij begon weer van voren af aan.
"Het is waar, hij is eerlijk en bemint mij. Ook ik bemin hem en in
de naaste dagen zal de scheiding komen. Wat wil ik dan meer? Ik moet
kalmte, vertrouwen hebben, ik moet mij zoover overwinnen. Ja, als hij
nu komt, wil ik hem zeggen, dat ik ongelijk heb, al heb ik ook gelijk,
en dan willen we afreizen."
Toen, om niet verder te tobben en niet andermaal opgewonden te worden,
schelde zij en beval de koffers te brengen, die zij pakken en mede
naar het land nemen wilde.
Ten tien ure kwam Wronsky.