Stipan Arkadiewitsch was volkomen neergedrukt door deze geheel
nieuwe en nimmer gehoorde redeneeringen. In het algemeen werkte het
bonte Petersburger leven zeer opwekkend op hem, maar hij beminde en
begreep het slechts in de sferen, waartoe hij behoorde en die hem
bekend waren; in deze hem vreemde sfeer daarentegen gevoelde hij
zich beklemd, verlegen en begreep hij niets. Bij het aanhooren van
de lectuur der gravin en, terwijl hij Landau's naïeven of guitigen
blik--hij wist niet welke de beteekenis was--op zich zag gevestigd,
begon hij spoedig een eigenaardige zwaarte in het hoofd te gevoelen.
De meest verschillende gedachten dwarrelden door zijn hersenen:
"Marie Sawin verheugt zich er over, dat haar kind dood is.... Nu
zou het aangenaam zijn eens te rooken ... om gered te worden behoeft
men slechts te gelooven; de monniken weten er niets van hoe men dat
aanvangt, maar gravin Lydia Iwanowna weet het.--Waarvan heb ik nu deze
zwaarte in het hoofd? Van den cognac of omdat alles hier zoo zonderling
is? Tot hiertoe, dunkt mij, heb ik mij goed gehouden, ik kan haar nu
niet meer om iets verzoeken.... Men zegt, dat zij iemand dwingen om te
bidden.... Als zij mij daartoe maar niet dwingen. Dat zou al te zot
zijn.... Welk een onzin leest zij nu eigenlijk? Maar zij heeft een
goede uitspraak.... Landau--Lessabow.... Waarom is hij een Lessabow?"
Oblonsky gevoelde onophoudelijk, dat zijn kinnebakken zich wilden
openen om te geeuwen. Hij streek over zijn baard om zijn geeuwen
te verbergen en trachtte zich te bedwingen. Maar onmiddelijk daarop
bemerkte hij, dat hij al sliep en juist wilde beginnen te snorken. Hij
kwam op hetzelfde oogenblik tot zich zelf, toen hij de stem der gravin
hoorde zeggen: "Hij slaapt."
Stipan Arkadiewitsch verschrok en kwam tot bezinning. Hij zag zich
betrapt en gevoelde zich schuldig. Maar hij stelde zich dadelijk
gerust toen hij bemerkte, dat de woorden "hij slaapt" niet hem, maar
Landau hadden gegolden. De Franschman was even als Oblonsky ingeslapen,
maar deze slaap werd door zijn geloovige vrienden, vooral door gravin
Lydia met eerbied als iets verhevens beschouwd.
"Mon ami," zeide zij fluisterend om den slapende niet te storen,
terwijl zij behoedzaam de plooien van haar kleed opnam, tot
Karenin--"mon ami, donnez lui la main. Vous voyez.... St!" fluisterde
zij den juist weer binnenkomenden bediende toe: "er wordt niemand
ontvangen."
De Franschman sliep of deed alsof hij sliep en maakte, terwijl zijn
hoofd tegen den stoel lag gezonken, met zijn afhangende hand zwakke
bewegingen, alsof hij iets vangen wilde. Karenin stond op, trad
naderbij en legde zijn hand in die van den Franschman. Ook Oblonsky
was opgestaan en de oogen wijd openend om zich wakker te houden, zag
hij nu den een dan den ander aan. Was dat alles werkelijkheid? Hij
gevoelde, dat zijn hoofd meer en meer verward werd.
"Que la personne qui est arrivée la derniére celle qui demande qu'elle
sorte--qu'elle sorte!" sprak de Franschman met gesloten oogen.
"Vous m'excuserez, mals vous voyez.... Kom tegen tien uur terug,
beter nog morgen...."
"Qu'elle sorte!" herhaalde de Franschman ongeduldig.
"C'est moi--n'est ce pas?" En toen Oblonsky een bevestigend antwoord
ontving, vergat hij, door het verlangen zich zoo spoedig mogelijk
te verwijderen, geheel de aangelegenheid zijner zuster en datgene,
wat hij de gravin had willen verzoeken, en ijlde op de teenen loopend
de kamer en het huis uit als uit een verpest verblijf en de straat
op, waar hij nog een poos met den koetsier der droschke praatte en
schertste om zoo maar weer tot bezinning te komen.
Maar eerst in den Franschen schouwburg, waar hij nog bij het laatste
bedrijf binnenkwam, en bij een glas champagne gevoelde hij zich
weder in de onontbeerlijke lucht terugverplaatst, maar volkomen wel
te moede werd hij dezen geheelen avond niet.
Toen hij te huis was gekomen, vond hij een briefje van gravin
Betsy. Zij schreef hem, dat zij zeer verlangde het gisteren met hem
begonnen gesprek ten einde te brengen en hem derhalve verzocht morgen
by haar te komen. Toen hij dit las, nam zijn gezicht een onvergenoegde
uitdrukking aan.
Hij was zeer slecht geluimd, wat hem anders zelden gebeurde, en
kon in de eerste uren niet inslapen. Alles, waaraan hij dacht, was
afschuwelijk, maar het afschuwelijkst en voor hem beschamendst was
de herinnering aan den avond by gravin Iwanowna.
Den volgenden dag ontving hij van Karenin een besliste weigering ten
opzichte van de echtscheiding, en hij begreep, dat deze beslissing
haren grond had in datgene, wat de Franschman gisteren in zijn
werkelijken of geveinsden slaap had gesproken.