XV.

Na een goed diner en een ruim genot van cognac, die hij bij Bartujansky

gedronken had, trad Stipan Arkadiewitsch slechts een weinig na den

bepaalden tijd bij gravin Lydia Iwanowna binnen.

"Wie is nog meer bij de gravin? De Franschman?" vroeg hij aan den

portier.

"Alexei Alexandrowitsch en graaf Lessabow," antwoordde deze op

stuurschen toon.

"Miagkaja heeft toch juist geraden," dacht Oblonsky, terwijl hij de

trap opklom. "Zonderling! Maar het was toch goed, wat nader met haar

bevriend te worden, want zij heeft een grooten invloed. Als zij een

groot woord bij Promorsky voor mij doet, is alles in orde."

Buiten het huis was het nog licht, maar in het kleine salon der gravin,

waar de rouleaux waren nedergelaten, brandden de lampen reeds.

Aan een ronde tafel onder een lamp zaten Alexei Alexandrowitsch en de

gravin zacht met elkander te spreken. Aan de andere zijde der kamer

stond een bleek, mager man, met glanzend schoone oogen, lang haar,

dat tot op den kraag van zijn jas afhing, en spichtige beenen. Hij

beschouwde de portretten, die aan den wand hingen.

Nadat Oblonsky de huisvrouw en Karenin had gegroet, wendde hij zich

onwillekeurig om naar dien zonderlingen persoon.

"Monsieur Landau," zeide de gravin met een opvallend zachte stom en

stelde beide heeren aan elkander voor.

Landau zag haastig om en legde in Oblonsky's rechterhand een

bewegelooze, vochtige, koude hand; toen trad hij dadelijk weer terug

en ging in de beschouwing der portretten voort. De gravin en Alexei

Alexandrowitsch zagen elkander beteekenisvol aan.

"Het doet me genoegen u te zien, vooral vandaag," zeide de gravin,

Oblonsky een plaats naast Karenin aanwijzende. "Ik heb u hem als

Landau voorgesteld," ging zij zacht met een blik op den Franschman

en daarna op Karenin voort, "maar hij heet eigenlijk graaf Lessabow,

zooals u wellicht weten zal. Maar hij houdt niet van dezen titel."

"Ik heb er van gehoord," antwoordde Oblonsky. "Men zegt, dat hij

gravin Lessabow geheel heeft genezen."

"Zij was vandaag bij mij en, ach, zij is zoo te beklagen. Deze

scheiding is voor haar verschrikkelijk. Het is zulk een slag voor

haar."

"Hij vertrekt dus bepaald?" vroeg Alexei Alexandrowitsch.

"Ja, hij keert naar Parijs terug. Hij heeft gisteren eene stem

gehoord," antwoordde gravin Lydia met een blik op Oblonsky.

"O, eene stem!" hernam Oblonsky, beseffende, dat hij in een gezelschap,

waar zulke vreemde omstandigheden voorkwamen, voorzichtig moest zijn.

Er volgde een korte pauze, waarin de gravin zich met een fijn lachje

tot Oblonsky wendde, alsof zij op het hoofdonderwerp van het gesprek

wilde komen.

"Ik ken u al lang, maar het doet mij genoegen u nader te leeren

kennen. Les amis de nos amis sont nos amis. Maar om een vriend te zijn

moet men zich geheel in den zielstoestand des anderen verplaatsen,

en ik vrees, dat u dat ten opzichte van Alexei Alexandrowitsch niet

geheel kunt doen. U zal begrepen waarvan ik spreek?" zeide zij en

hief haar schoone, dweepende oogen tot hem op.

"Eenigszins, gravin, geloof ik Alexei Alexandrowitsch's toestand te

begrijpen...." antwoordde Oblonsky, die niet volkomen begreep wat

zij bedoelde en derhalve meende iets algemeens te moeten zeggen.

"Met zijn uitwendige toestand heeft zich veranderd," zeide de gravin

terechtwijzend, terwijl zij met een verliefden blik Karenin volgde,

die was opgestaan en naar Landau toetrad. "Zijn hart is veranderd,

er is hem een nieuw hart gegeven en ik vrees, dat u zich niet genoeg

in deze verandering heeft ingedacht."

"Dat is te zeggen, in algemeene trekken kan ik mij deze verandering

voorstellen. Wij waren steeds met elkander bevriend en nu...." zeide

Oblonsky, terwijl hij met een teederen blik dien der gravin

beantwoordde en overlegde, met welken der beide ministers zij in nader

betrekking stond, om te weten bij wien hij haar verzoeken moest hem

aan te bevelen.

"De verandering, die in hem heeft plaats gehad, heeft bij hem wel

niet het gevoel van liefde voor den naaste kunnen verzwakken, maar

integendeel ze verhoogd en veredeld; maar ik vrees, dat u nog niet

begrijpt. Wil u geen thee?" vroeg zij met een blik op den bediende,

die de thee ronddiende.

"Niet geheel, gravin. Zijn ongeluk...."

"Ja, maar een ongeluk, dat voor hem tot het hoogste geluk geworden is,

doordat hij een nieuw hart heeft bekomen, dat van _Hem_ is vervuld,"

zeide zij en zag Oblonsky zoetsappig aan.

"Nu, geloof ik," dacht deze, "dat ik met mijn verzoek, om voor mij

bij een van beiden een goed woord te doen, kan voor den dag komen."

"O, zeker, gravin," antwoordde hij, "maar deze innerlijke veranderingen

zijn van dien aard, dat geen mensch daar in kan dringen...."

"Integendeel, men moet daarover spreken en elkander helpen."

"Ja, zeker; maar er bestaat zulk een verschil van overtuiging en

bovendien...." zeide hij met een zalvend lachje.

"In zake der heilige waarheid kan er zulk een onderscheid niet

bestaan."

"U heeft gelijk, hoewel ... maar...." Stipan Arkadiewitsch zweeg

verlegen. Hier deed zich een dilemma voor: hij moest rond-borstig

zeggen, dat hij een vrijdenker was en dan zou zij niets voor hem doen,

of hij moest haar wat voorhuichelen, dat hem even onaangenaam was.

"Ik geloof, dat hij inslaapt," fluisterde Alexei Alexandrowitsch

geheimzinnig, terwijl hij weer bij de gravin kwam.

Stipan Arkadiewitsch keerde zich om. Landau zat bij het venster met

den arm op de stoelleuning en het hoofd voorovergezonken. Toen hij

de op hem gerichte blikken bemerkte, hief hij het hoofd op en zag

hen aan, met een kinderlijk naïef lachje.

"Sla er geen acht op,'" zeide de gravin en schoof Karenin een

stoel toe. "Ik heb opgemerkt, dat de Moskouers, vooral de mannen,

in godsdienstig opzicht zeer onverschillig zijn."

"O neen, gravin," antwoordde Oblonsky; "ik geloof, dat de Moskouers

den naam van het tegendeel hebben."

"Maar gij zelf," merkte Karenin met een vermoeiden glimlach op,

"gij schijnt mij tot de onverschilligen te behooren."

"Is het mogelijk zoo te zijn!" riep de gravin uit.

"Ik ben in deze dingen niet onverschillig, maar verkeer in afwachting,"

zeide Oblonsky met zijn zachtste stem; "ik geloof, dat in dit opzicht

mijn uur nog niet is gekomen."

Alexei Alexandrowitsch en Lydia Iwanowna zagen elkander aan.

"Wij kunnen niet weten, of het uur is gekomen of niet," zeide Karenin

gestreng. "Niet daaraan mogen wij denken, of wij bereid zijn of niet;

ons heil komt niet door menschelijk overleg; het komt dikwijls ook

niet over degenen, die er naar streven, maar ook over hen, die het

niet gezocht hebben, zooals over Saulus."

"Neen, ik geloof niet, dat nu reeds...." sprak Lydia Iwanowna, die

de bewegingen van den Franschman gevolgd had. Landau was opgestaan

en kwam bij hen.

"Is 't geoorloofd te hooren?" vroeg hij.

"O ja, zeker! Ik wilde u slechts niet storen," antwoordde de gravin

met een teederen blik. "Ga bij ons zitten."

"Men mag slechts zijn oogen niet opzettelijk sluiten om van het licht

verstoken te blijven," ging Karenin voort.

"Ach, als u de zaligheid kende, die wij smaken, terwijl wij Zijne

bestendige tegenwoordigheid in onze harten gevoelen," zeide de gravin

en lachte zalig.

"Maar de mensch gevoelt zich dikwijls niet in staat zich tot deze

hoogte te verheffen," antwoordde Oblonsky, die nog steeds met een

lachje zijn onafhankelijkheid trachtte te verdedigen.

"U wil zeggen, dat de zonden hem hierin verhinderen," zeide Lydia

Iwanowna; "maar dat is een dwaling. Voor den geloovige is er geen

zonde; want van de zonde zijn wij verlost.... "Pardon!" viel zij

zich zelf in de rede en zag een bediende aan, die met een briefje

binnen was gekomen en voor haar stond; zij las het briefje en gaf

het mondeling antwoord. "Zeg maar: morgen bij de grootvorstin," en

toen in haar gesprek voortgaande, zeide zij: "Voor de geloovigen is

er geen zonde...."

"Ja, maar het geloof zonder de werken is een dood geloof," merkte

Stipan Arkadiewitsch aan, die zich dit gezegde uit den catechismus

meende te herinneren en steeds glimlachte, hoewel hij gevoelde,

dat het een onnoozel lachen was.

"Zoo staat er in den brief van Jacobus," zeide Karenin, met een

verwijtenden blik op de gravin, als wegens een zaak waarover te voren

al gesproken was. "Hoeveel onheil heeft de valsche uitlegging dezer

plaats reeds veroorzaakt. Niets verwijdert meer van het geloof dan

juist zulk een uitlegging...."

"Door zoogenaamde Gode welgevallige werken, door boete en vasten

en dergelijke zijn ziel te redden," zeide de gravin, "dat is een

barbaarsche opvatting der monniken ... zooals het nergens in de schrift

bedeeld is. En het is toch zooveel eenvoudiger en lichter," voegde zij

er bij, terwijl zij Oblonsky met hetzelfde opwekkend lachje aanzag,

waarmede zij aan het hof de jonge dames, die door de nieuwe omgeving

beschroomd waren geworden, mettait à leur aise.

"Wij zijn door Christus verlost, die voor ons geleden heeft, en slechts

door het geloof worden wij gered," bevestigde Alexei Alexandrowitsch

en bevestigde de uitspraak der gravin met zijn blik.

"Vous comprenez l'Anglais?" vroeg deze en, nadat zij een bevestigend

antwoord had ontvangen, stond zij op en begon in het boekenkastje naar

een boek te zoeken. "Ik zal u _Save and Happy_ of ook _Under the wing_

voorlezen," zeide zij en zag daarbij Karenin vragend aan. Toen zij

het boek gevonden had, zette zij zich neder en opende het. Hier is de

weg aangewezen, waardoor men komt tot geloof en tot al dat geluk, dat

de ziel bevredigt en dat meer is dan alle aardsch geluk. De geloovige

kan niet ongelukkig zijn, want hij is niet alleen. "Ja," zeide zij en

hield haar vinger op een plaats in het boek, terwijl zij zuchtte en

dwepend voor zich uit zag: "Zoo werkt het ware geloof! U kent Marie

Sawin? Heeft u niet van haar ongeluk gehoord, dat zij haar eenig kind

heeft verloren? Zij was volslagen wanhopig. En wat is geschied? Zij

heeft dezen troost gevonden en kan nu God danken voor de ondergane

beproeving. Dat is het geluk, dat het geloof schenkt."

"O ja, dat is veel...." zeide Oblonsky zeer tevreden, dat er gelezen

zou worden; hij wenschte tijd te vinden om zich te bezinnen. "Maar,"

dacht hij, "het is toch beter haar vandaag nog niets te verzoeken. Hoe

kan ik het aanleggen om maar van hier te komen."

"Het zal u wellicht vervelen?" vroeg de gravin tot Landau gewend. "U

verstaat geen Engelsch, doch het is maar kort."

"O, ik zal het wel verstaan," antwoordde Landau met hetzelfde lachje

en sloot de oogen.

Alexei Alexandrowitsch en Lydia Iwanowna zagen elkander veelbeteekenend

aan en de lectuur begon.

Anna Karenina(#13214) · 第 173 / 196 题