XIV.

Stipan bracht, zooals altijd wanneer hij in Petersburg was, zijn tijd

niet werkeloos door. Buiten het afdoen van zijne ambtsgelegenheden

moest hij zich in Petersburg ook, zooals hij zich uitdrukte, herstellen

van de dompige Moskousche lucht.

Moskou was in weerwil van zijne cafés chantants en van zijn omnibussen

toch gelijk aan een stilstaand water. Dat gevoelde Oblonsky bij

elke gelegenheid. Had hij eenigen tijd in Moskou in den schoot

zijner familie doorgebracht, dan werd hij gedrukt naar lichaam en

geest en hij bespeurde, dat iets als bekrompen ploertachtigheid

hem doordrong. Duurde zulk een verblijf geruimen tijd onafgebroken

voort, dan kwam hij zelfs zoover, dat hem de ontstemming zijner vrouw

verontrustte, dat hij zich over de gezondheid en opvoeding zijner

kinderen, over allerlei kleine beuzelingen en zelfs over zijn schulden

bekommerde. Maar nauwelijks was hij te Petersburg en verkeerde hij in

den kring, waarin hij leefde en niet vegeteerde, dan verdwenen dadelijk

al de bedenkingen en bezwaren; zij versmolten als was voor het vuur.

Zijn vrouw ...? Nog heden had hij met vorst Tschatschenky gesproken;

deze had ook een vrouw en reeds volwassen kinderen, zoons in het

pagecorps, maar hij had daarbij nog een andere, illegitime familie,

met verscheiden kinderen; en hij had in deze familie ook zijn oudsten

wettigen zoon ingeleid en achtte dat voor de ontwikkeling van zijn

zoon zeer geschikt. Wat zou men van iets dergelijks in Moskou zeggen?

Kinderen? In Petersburg hinderden de kinderen hun vaders niet om

ongestoord te leven; zij werden op kostschool opgevoed, en de in

Moskou algemeen heerschende meening, dat de kinderen alle weelde des

levens toekwam, bestond in Petersburg niet. Hier was men van gevoelen,

dat ieder mensch verplicht is voor zich zelf te leven en wel zoo als

het een beschaafd mensch toekomt. Ook de ambtsdienst was hier niet

zulk een onafgebroken, hopeloos zwoegen als in Moskou; hier was het

voldoende zich relatie's te scheppen, zijn persoon op den voorgrond

te dringen--en men had zijn carrière gemaakt. Vooral echter werkte de

Petersburger opvatting van geldelijke aangelegenheden geruststellend

op Oblonsky. Bartujansky, die voor zijn levenswijze op grooten voet

jaarlijks ten minste vijftigduizend roebel moest verteren, had hem

gisteren een behartigenswaardig woord daarover gezegd.

Na het diner waren zij in een gesprek geraakt en Stipan Arkadiewitsch

had tot Bartujansky gezegd: "Ik geloof, dat je op goeden voet staat

met Mordwinsky; je zoudt mij een grooten dienst bewijzen, als je bij

hem voor mij een goed woord wildet doen. Er is namelijk een post,

dien ik gaarne bekomen zou; als medelid der agentuur...."

"Daar zou ik toch niet naar staan. Wat zou je u in zulke

spoorwegzaken met dien Jood inlaten!? Zooals je wilt, maar het is

iets afschuwelijks!"

Oblonsky had hem daarop niet geantwoord, dat het een levensvatbare

zaak was, maar hij had geantwoord:

"Ik heb geld noodig, ik heb niet genoeg om te leven."

"Je leeft toch?"

"Ik leef, maar de schulden...."

"Wat zeg je? Schulden? Vele?" had Bartujansky deelnemend gevraagd.

"Zeer veel. Twintig duizend."

Bartujansky had lustig gelachen.

"Ach, gij gelukkig mensch! Ik heb anderhalf millioen schuld, meer

niet, en leef toch voort en dat hindert volstrekt niet. De hoofdzaak

is slechts er niet aan te denken."

En Stipan Arkadiewitsch was niet slechts door deze woorden,

maar ook door daadzaken van de juistheid dezer bewering overtuigd

geworden. Schiwalow had driehonderdduizend schuld en geen kopeke in

zijn kas en hij leefde toch en nog bovendien, hoe? Graaf Kriwzow was

reeds lang opgegeven en hij onderhield twee minnaressen. Petrowsky

had een vermogen van vijf millioen doorgebracht en leefde toch voort

als vroeger en had een betrekking bij het ministerie van financiën

gevonden met twintigduizend roebel tractement.

Dat alles verlichtte en troostte Oblonsky. Maar ook physisch werkte

Petersburg weldadig op hem. Het verjongde hem. In Moskou had hij

dikwijls bezorgd een blik geworpen op zijn grijzend haar, had na het

middagmaal een kort slaapje gedaan en zich uitgerekt, ging langzaam

en zwaar ademhalend de trap op, verveelde zich met jonge vrouwen en

danste op de bals niet meer mede. In Petersburg gevoelde hij zich

zoo opgewekt, alsof hij tien jaren jonger was geworden.

"Oblomowschina, [13] marmottenleven, alles verdwijnt bij de goede

dagen in Petersburg," zeide hij tot zich zelf.

Tusschen vorstin Betsy Twerskaja en Stipan Arkadiewitsch bestonden er

oude, zonderlinge betrekkingen. Oblonsky had haar altijd schertsend

het hof gemaakt en zeide haar schertsend de dubbelzinnigste dingen,

daar hij wist, dat dit haar best beviel. Toen hij haar den dag na zijn

gesprek met Karenin bezocht, gevoelde hij zich zoo jong, dat hij in

zijn hofmakerij en onzinnig gebabbel zonder het te willen reeds zoover

was gegaan, dat hij niet wist, hoe hij zich terug zou trekken, want

zij beviel hem volstrekt niet en zelfs stond zij hem erg tegen. Maar

het gesprek had dien toon aangenomen, omdat hij haar zeer beviel,

en hij was zeer blijde over de komst van vorstin Miagkaja, waardoor

aan het tête a tête een einde gemaakt werd.

"Ah, is u dat?" zeide deze toen zij hem zag. "Hoe gaat het uw

arme zuster? U behoeft mij niet zoo aan te zien. Toen allen haar

verguisden, allen die honderdmaal slechter zijn dan zij, vond ik,

dat zij zeer goed had gehandeld. Ik kan het Wronsky niet vergeven,

dat hij het mij niet heeft laten weten toen zij hier in Petersburg

waren. Ik zou haar bepaald hebben bezocht en zou overal met haar zijn

rondgereden. Ik bid u, zeg haar, hoeveel ik van haar houd. Maar vertel

mij ook iets van haar."

"Haar positie is zeer pijnlijk...." begon Stipan Arkadiewitsch, die

haar woorden voor goede munt aannam, maar dadelijk viel de vorstin

haar gedachte vervolgend hem in de rede:

"Zij heeft gedaan wat zoovelen doen, maar zij wilde niet bedriegen

en heeft zeer goed gehandeld. Zij kon niets verstandigers doen dan

uwen half gekken zwager--excuseer me--te verlaten. Allen zeggen,

dat hij zulk een eminent man is, maar ik heb steeds gezegd, dat hij

bekrompen en vervelend was. Nu echter, nu hij zich met gravin Lydia

Iwanowna en met dien Landau heeft ingelaten, zeggen allen, dat hij

half waanzinnig is, en ofschoon het mij genoegen gedaan heeft te

protesteeren tegen hetgeen allen zeiden, kan ik nu toch toch niet

anders dan met hen instemmen."

"Maar verklaar mij eens een raadsel," zeide Stipan Arkadiewitsch:

"Gisteren was ik bij hem om over mijn zuster te spreken en verlangde

een beslissend antwoord. Dezen morgen ontving ik in plaats van een

antwoord eene uitnoodiging van gravin Lydia Iwanowna voor heden avond."

"Dat is duidelijk," antwoordde vorstin Miagkaja vroolijk: "Zij zullen

Landau vragen, wat zij doen moeten."

"Landau?" Wie is deze Landau?"

"Wat? U kent Jules Landau den clairvoyant niet? Dat is ook een half

waanzinnige, maar van hem hangt het lot uwer zuster af. Dat komt van

uw leven in de provincie, daar weet men van niets! Weet u, Landau

was in Parijs een winkelbediende en kwam eens bij een dokter. In

de wachtkamer sliep hij in en begon in den slaap de zieken de

merkwaardigste voorschriften te geven. Kent u Juri Maledinsky, die

altijd ziek is? Nu, diens vrouw hoorde van dezen Landau en bracht

hem bij haar man. Hij genas hem werkelijk. Het komt mij wel voor,

dat hij volstrekt niet hersteld is, want hij is nog even krachteloos

als te voren, maar zij zelf gelooven aan hem en voerden hem met zich

rond en brachten hem met zich hierheen naar Rusland. Hier werd hij

nu door allen bestormd en een ieder kon hij genezen. Zoo heeft hij

ook gravin Lessabow genezen en zij heeft hem daarvoor in haar hart

opgenomen, zoodat zij hem heeft geadopteerd."

"Wat? Geadopteerd?"

"Zooals ik zeg: _geadopteerd_. Hij is nu geen Landau meer, maar een

graaf Lessabow. Maar de zaak is nu deze: Ook gravin Lydia Iwanowna,

van wien ik veel houd, ofschoon het in haar hoofd niet richtig is,

heeft zich nu geheel aan Landau vastgeklampt, en zonder hem neemt

zij geen besluiten, noch in haar, noch in Karenins huis, en daarom

ligt het lot uwer zuster thans geheel in handen van dezen Landau,

alias graaf Lessabow."

Anna Karenina(#13214) · 第 172 / 196 题