Stipan bracht, zooals altijd wanneer hij in Petersburg was, zijn tijd
niet werkeloos door. Buiten het afdoen van zijne ambtsgelegenheden
moest hij zich in Petersburg ook, zooals hij zich uitdrukte, herstellen
van de dompige Moskousche lucht.
Moskou was in weerwil van zijne cafés chantants en van zijn omnibussen
toch gelijk aan een stilstaand water. Dat gevoelde Oblonsky bij
elke gelegenheid. Had hij eenigen tijd in Moskou in den schoot
zijner familie doorgebracht, dan werd hij gedrukt naar lichaam en
geest en hij bespeurde, dat iets als bekrompen ploertachtigheid
hem doordrong. Duurde zulk een verblijf geruimen tijd onafgebroken
voort, dan kwam hij zelfs zoover, dat hem de ontstemming zijner vrouw
verontrustte, dat hij zich over de gezondheid en opvoeding zijner
kinderen, over allerlei kleine beuzelingen en zelfs over zijn schulden
bekommerde. Maar nauwelijks was hij te Petersburg en verkeerde hij in
den kring, waarin hij leefde en niet vegeteerde, dan verdwenen dadelijk
al de bedenkingen en bezwaren; zij versmolten als was voor het vuur.
Zijn vrouw ...? Nog heden had hij met vorst Tschatschenky gesproken;
deze had ook een vrouw en reeds volwassen kinderen, zoons in het
pagecorps, maar hij had daarbij nog een andere, illegitime familie,
met verscheiden kinderen; en hij had in deze familie ook zijn oudsten
wettigen zoon ingeleid en achtte dat voor de ontwikkeling van zijn
zoon zeer geschikt. Wat zou men van iets dergelijks in Moskou zeggen?
Kinderen? In Petersburg hinderden de kinderen hun vaders niet om
ongestoord te leven; zij werden op kostschool opgevoed, en de in
Moskou algemeen heerschende meening, dat de kinderen alle weelde des
levens toekwam, bestond in Petersburg niet. Hier was men van gevoelen,
dat ieder mensch verplicht is voor zich zelf te leven en wel zoo als
het een beschaafd mensch toekomt. Ook de ambtsdienst was hier niet
zulk een onafgebroken, hopeloos zwoegen als in Moskou; hier was het
voldoende zich relatie's te scheppen, zijn persoon op den voorgrond
te dringen--en men had zijn carrière gemaakt. Vooral echter werkte de
Petersburger opvatting van geldelijke aangelegenheden geruststellend
op Oblonsky. Bartujansky, die voor zijn levenswijze op grooten voet
jaarlijks ten minste vijftigduizend roebel moest verteren, had hem
gisteren een behartigenswaardig woord daarover gezegd.
Na het diner waren zij in een gesprek geraakt en Stipan Arkadiewitsch
had tot Bartujansky gezegd: "Ik geloof, dat je op goeden voet staat
met Mordwinsky; je zoudt mij een grooten dienst bewijzen, als je bij
hem voor mij een goed woord wildet doen. Er is namelijk een post,
dien ik gaarne bekomen zou; als medelid der agentuur...."
"Daar zou ik toch niet naar staan. Wat zou je u in zulke
spoorwegzaken met dien Jood inlaten!? Zooals je wilt, maar het is
iets afschuwelijks!"
Oblonsky had hem daarop niet geantwoord, dat het een levensvatbare
zaak was, maar hij had geantwoord:
"Ik heb geld noodig, ik heb niet genoeg om te leven."
"Je leeft toch?"
"Ik leef, maar de schulden...."
"Wat zeg je? Schulden? Vele?" had Bartujansky deelnemend gevraagd.
"Zeer veel. Twintig duizend."
Bartujansky had lustig gelachen.
"Ach, gij gelukkig mensch! Ik heb anderhalf millioen schuld, meer
niet, en leef toch voort en dat hindert volstrekt niet. De hoofdzaak
is slechts er niet aan te denken."
En Stipan Arkadiewitsch was niet slechts door deze woorden,
maar ook door daadzaken van de juistheid dezer bewering overtuigd
geworden. Schiwalow had driehonderdduizend schuld en geen kopeke in
zijn kas en hij leefde toch en nog bovendien, hoe? Graaf Kriwzow was
reeds lang opgegeven en hij onderhield twee minnaressen. Petrowsky
had een vermogen van vijf millioen doorgebracht en leefde toch voort
als vroeger en had een betrekking bij het ministerie van financiën
gevonden met twintigduizend roebel tractement.
Dat alles verlichtte en troostte Oblonsky. Maar ook physisch werkte
Petersburg weldadig op hem. Het verjongde hem. In Moskou had hij
dikwijls bezorgd een blik geworpen op zijn grijzend haar, had na het
middagmaal een kort slaapje gedaan en zich uitgerekt, ging langzaam
en zwaar ademhalend de trap op, verveelde zich met jonge vrouwen en
danste op de bals niet meer mede. In Petersburg gevoelde hij zich
zoo opgewekt, alsof hij tien jaren jonger was geworden.
"Oblomowschina, [13] marmottenleven, alles verdwijnt bij de goede
dagen in Petersburg," zeide hij tot zich zelf.
Tusschen vorstin Betsy Twerskaja en Stipan Arkadiewitsch bestonden er
oude, zonderlinge betrekkingen. Oblonsky had haar altijd schertsend
het hof gemaakt en zeide haar schertsend de dubbelzinnigste dingen,
daar hij wist, dat dit haar best beviel. Toen hij haar den dag na zijn
gesprek met Karenin bezocht, gevoelde hij zich zoo jong, dat hij in
zijn hofmakerij en onzinnig gebabbel zonder het te willen reeds zoover
was gegaan, dat hij niet wist, hoe hij zich terug zou trekken, want
zij beviel hem volstrekt niet en zelfs stond zij hem erg tegen. Maar
het gesprek had dien toon aangenomen, omdat hij haar zeer beviel,
en hij was zeer blijde over de komst van vorstin Miagkaja, waardoor
aan het tête a tête een einde gemaakt werd.
"Ah, is u dat?" zeide deze toen zij hem zag. "Hoe gaat het uw
arme zuster? U behoeft mij niet zoo aan te zien. Toen allen haar
verguisden, allen die honderdmaal slechter zijn dan zij, vond ik,
dat zij zeer goed had gehandeld. Ik kan het Wronsky niet vergeven,
dat hij het mij niet heeft laten weten toen zij hier in Petersburg
waren. Ik zou haar bepaald hebben bezocht en zou overal met haar zijn
rondgereden. Ik bid u, zeg haar, hoeveel ik van haar houd. Maar vertel
mij ook iets van haar."
"Haar positie is zeer pijnlijk...." begon Stipan Arkadiewitsch, die
haar woorden voor goede munt aannam, maar dadelijk viel de vorstin
haar gedachte vervolgend hem in de rede:
"Zij heeft gedaan wat zoovelen doen, maar zij wilde niet bedriegen
en heeft zeer goed gehandeld. Zij kon niets verstandigers doen dan
uwen half gekken zwager--excuseer me--te verlaten. Allen zeggen,
dat hij zulk een eminent man is, maar ik heb steeds gezegd, dat hij
bekrompen en vervelend was. Nu echter, nu hij zich met gravin Lydia
Iwanowna en met dien Landau heeft ingelaten, zeggen allen, dat hij
half waanzinnig is, en ofschoon het mij genoegen gedaan heeft te
protesteeren tegen hetgeen allen zeiden, kan ik nu toch toch niet
anders dan met hen instemmen."
"Maar verklaar mij eens een raadsel," zeide Stipan Arkadiewitsch:
"Gisteren was ik bij hem om over mijn zuster te spreken en verlangde
een beslissend antwoord. Dezen morgen ontving ik in plaats van een
antwoord eene uitnoodiging van gravin Lydia Iwanowna voor heden avond."
"Dat is duidelijk," antwoordde vorstin Miagkaja vroolijk: "Zij zullen
Landau vragen, wat zij doen moeten."
"Landau?" Wie is deze Landau?"
"Wat? U kent Jules Landau den clairvoyant niet? Dat is ook een half
waanzinnige, maar van hem hangt het lot uwer zuster af. Dat komt van
uw leven in de provincie, daar weet men van niets! Weet u, Landau
was in Parijs een winkelbediende en kwam eens bij een dokter. In
de wachtkamer sliep hij in en begon in den slaap de zieken de
merkwaardigste voorschriften te geven. Kent u Juri Maledinsky, die
altijd ziek is? Nu, diens vrouw hoorde van dezen Landau en bracht
hem bij haar man. Hij genas hem werkelijk. Het komt mij wel voor,
dat hij volstrekt niet hersteld is, want hij is nog even krachteloos
als te voren, maar zij zelf gelooven aan hem en voerden hem met zich
rond en brachten hem met zich hierheen naar Rusland. Hier werd hij
nu door allen bestormd en een ieder kon hij genezen. Zoo heeft hij
ook gravin Lessabow genezen en zij heeft hem daarvoor in haar hart
opgenomen, zoodat zij hem heeft geadopteerd."
"Wat? Geadopteerd?"
"Zooals ik zeg: _geadopteerd_. Hij is nu geen Landau meer, maar een
graaf Lessabow. Maar de zaak is nu deze: Ook gravin Lydia Iwanowna,
van wien ik veel houd, ofschoon het in haar hoofd niet richtig is,
heeft zich nu geheel aan Landau vastgeklampt, en zonder hem neemt
zij geen besluiten, noch in haar, noch in Karenins huis, en daarom
ligt het lot uwer zuster thans geheel in handen van dezen Landau,
alias graaf Lessabow."