"En nu heb ik nog eene aangelegenheid met je te bespreken en je weet
ook welke.... Van Anna," zeide Stipan na een korte pauze, waarin hij
die onaangename herinnering trachtte te verdrijven. Bij het noemen
van Anna's naam onderging Karenins gelaat eene geheele verandering;
in plaats van het kalme zelfbewustzijn, dat het tot hiertoe had
gekenmerkt, trad daarop onrust, bezorgdheid en de wensch deze gevoelens
te verbergen te voorschijn. Hij zag zijn zwager vijandig aan en was
vooraf besloten hem niet toe te geven.
"Wat wil je dan eigenlijk van mij?" zeide hij, zich onrustig op zijn
stoel bewegend.
"Eene echtscheiding, op een of andere wijze eene echtscheiding, Alexei
Alexandrowitsch. Ik wend mij nu tot u, niet als tot den beleedigden
echtgenoot," wilde Stipan Arkadiewitsch zeggen, maar vreezende
daardoor de zaak te bederven, zeide hij in de plaats: "Niet als tot
een staatsman,"--hetgeen volstrekt niet te pas kwam,--"maar als tot
een goed mensch en christen. Ge moet medelijden met haar hebben."
"In welk opzicht?" vroeg Karenin met een koelen, spottenden lach.
"Ja, je moet medelijden met haar hebben! Had je haar gezien zooals ik,
die haar den geheelen winter heb gadegeslagen, je zoudt u over haar
ontfermen. Haar toestand is troosteloos, werkelijk troosteloos!"
"Mij dunkt," antwoordde Karenin koud, "Anna Arkadiewna heeft alles,
wat zij zelf gewenscht heeft."
"Ach, Alexei Alexandrowitsch, om Gods wil! geen wedervergelding voor
hetgeen eenmaal geschied is. Je weet wat zij nu wenscht en verwacht,
namelijk de scheiding."
"Maar ik meen, dat zij niets daarvan weten wil ingeval mijn zoon
bij mij zou blijven? In dezen zin heb ik haar geantwoord en beschouw
alzoo de zaak als geëindigd."
"Om Gods wil, wind je niet op," zeide Stipan Arkadiewitsch, de knie
zijns zwagers aanrakend. "Sta me toe! De zaak is de volgende: Toen je
van elkander gingt, handeldet gij zoo grootmoedig als men handelen kan,
je stond haar alles toe, de vrijheid en--de scheiding. Zij wist dat
te waardeeren. Ja, geloof me, zij heeft dat weten te waardeeren. Maar
in de eerste oogenblikken was zij zich zoozeer haar schuld tegen u
bewust, dat zij niet alles rijp heeft overlegd, maar zij kon ook niet
alles overleggen...."
"Anna Arkadiewna's leven kan mij niet interesseeren," viel Karenin
hem met opgetrokken wenkbrauwen in de rede.
"Maar haar positie in de wereld is eene onmogelijke," ging Oblonsky
voort, hem weder met de hand aanrakend, alsof hij overtuigd was,
dat zulk eene aanraking zijn zwager zou verteederen: "Haar toestand
is ondragelijk en kan slechts door u worden verlicht, en je verliest
daarbij niets. En dan heb je het haar ook beloofd."
"Te voren! Dat was een vroegere belofte! Maar mij dunkt de vraag
omtrent mijn zoon heeft aan alles een einde gemaakt. Buitendien had ik
ook gehoopt, dat Anna Arkadiewna zoo edelmoedig zou zijn...." Alexei
Alexandrowitsch was bleek geworden en sprak dit met moeite en met
bevende lippen.
"Zij laat ook alles aan uw edelmoedigheid over; zij smeekt en bidt
u slechts om dit eene: haar uit dezen ondragelijken toestand te
bevrijden. Zij maakt volstrekt geen aanspraak meer op den zoon. Alexei
Alexandrowitsch, gij zijt een goed mensch. Stel je een oogenblik in
haar plaats. De vraag der scheiding is voor haar een vraag van leven
en dood. Had je het haar vroeger niet beloofd, dan zou zij zich met
haar toestand verzoend hebben en zou op het land zijn gebleven; maar
je hebt het haar beloofd, zij heeft je geschreven en is toen naar
Moskou overgekomen; en hier in Moskou, waar elke ontmoeting haar als
een dolksteek door het hart gaat, vertoeft zij nu sedert zes maanden,
elken dag op de echtscheiding wachtende! Dat is evenzoo als dat men
een ter dood veroordeelde maanden lang met den strop om den hals
laat rondgaan en hem van daag den dood en morgen gratie in uitzicht
geeft. Heb toch mededoogen met haar, en dan wil ik wel op mij nemen
al het verdere te regelen. Vos scrupules...."
"Daarvan, daarvan spreek ik niet," viel Karenin hem met onwil in de
rede: "Maar ik heb wellicht iets beloofd, wat ik niet beloven mocht."
"Je wilt dus herroepen, wat je beloofd hebt?"
"Ik heb nimmer een belofte verbroken, als het mogelijk was ze te
vervullen. Maar ik wensch, dat men mij tijd laat om te overleggen,
in hoever het mogelijk is, wat ik beloofd heb...."
"Neen, Alexei Alexandrowitsch," riep Oblonsky uit en sprong op. "Dat
kan en wil ik niet gelooven! Zij is zoo ongelukkig als slechts een
vrouw zijn kan, en je kunt haar onmogelijk weigeren aan zulk...."
"Men kan slechts beloven wat mogelijk is. Vous professez d'être un
libre-penseur--maar ik, als een geloovig mensch, kan in zulk een
gewichtige zaak niet tegen de Christelijke geboden handelen."
"Maar in de geheele Christenheid, en ook bij ons zooveel ik weet,
is een echtscheiding geoorloofd." antwoordde. Oblonsky en staarde
opmerkzaam in het geheimzinnig en donker gelaat van zijn zwager. "Ook
onze kerk laat een echtscheiding toe."
"Zij laat ze toe, maar niet in dit geval."
"Alexei Alexandrowitsch, ik herken je niet," zeide Oblonsky na een
oogenblik zwijgens. "Waart ge dan niet degene, die alles had vergeven
en, slechts geleid door een Christelijk gevoel, bereid waart alles
op te offeren?" Je hebt zelf gezegd: "Als men den rok neemt, wil ik
ook den mantel geven.... En nu...!"
"Ik bid je," zeide Karenin plotseling verbleekend met bevende en
klagende stem, terwijl hij opsprong: "Ik bid je dit gesprek te
staken...."
"Ach neen, vergeef mij als ik u leed gedaan heb," zeide Oblonsky en
reikte hem met een verlegen lachje de hand. "Maar ik moest als gezant
toch aan mijn opdracht voldoen."
Alexei Alexandrowitsch dacht na.
"Wanneer," dacht hij, "zal eindelijk deze smaad en vernedering
een einde nemen? Is het mogelijk, dat die eene fout, dat ik deze
zedelooze vrouw heb gehuwd, al deze ellende heeft nagesleept? En
welke vernederingen zullen nog volgen? En wanneer? Thans, nu ik
mij geestelijk zoo verheven, bevrijd van menschelijke dwaasheden en
zoo nabij mijn Heiland gevoel! Zal ik mijn belofte breken of--mij
vernederen? Ik zelf kan dat niet beslissen. Ik zal mij in Gods hand
stellen en Zijne leiding volgen."
"Ik zal het overleggen en op een aanwijzing wachten. Overmorgen zal
ik u mijn beslissend antwoord geven," zeide hij peinzend.
Stipan Arkadiewitsch wilde heengaan, toen Karnej binnentrad en
"Sergej Alexejewitsch" aandiende.
"Sergej Alexejewitsch?" vroeg Oblonsky, doch zich dadelijk
bezinnend, liet hij volgen: O, Serëscha! Ik dacht reeds aan den
departements-directeur. Anna heeft mij verzocht ook Serëscha te
groeten.
En hij herinnerde zich haar klagende, schuchtere uitdrukking, waarmede
zij bij zijn heengaan gezegd had. "Je zult hem toch zien? Tracht
ook uitvoerig te vernemen, hoe 't hem gaat en wie bij hem is. En
Stiwa ... als het mogelijk ware! Het is misschien mogelijk!" Stiwa
had de beteekenis van dit "als het mogelijk ware" verstaan, maar
hij zag nu in, dat daaraan--dat bij de scheiding haar de zoon werd
toegekend--volstrekt niet was te denken. Nu verheugde hij zich slechts
zijn neef te zien.
Alexei Alexandrowitsch herinnerde zijn zwager, dat in tegenwoordigheid
des zoons nimmer van de moeder werd gesproken en dat hij derhalve
ook hem verzocht met geen woord aan haar te herinneren.
"Na het laatste wederzien zijner moeder is hij zeer ziek geworden,"
zeide Alexei Alexandrowitsch. "Wij vreesden zelfs voor zijn leven. Maar
een verstandige vrouw en de zeebaden hebben zijn gezondheid weer
hersteld en nu heb ik hem op raad van den dokter op school gedaan. En
de omgang met zijn makkers oefent inderdaad een goeden invloed op
hem uit; hij is nu volkomen gezond en leert goed."
"Welk een flinke jongen ben je geworden! Volstrekt geen Serëscha
meer, maar al werkelijk een Sergej Alexejewitsch!" zeide Oblonsky
lachend, terwijl hij den knappen, frisch opgegroeiden knaap aanzag,
die driest en ongedwongen in zijn donker buis en lange pantalon de
kamer binnenkwam. Hij groette zijn oom als een vreemde, maar bloosde
toen hij hem herkende en wendde zich snel van hem af, alsof hem een
of ander geërgerd had. Hij trad voor zijn vader en reikte hem zijn
schoolattest over.
"Nu 't is goed, je kunt weer gaan," zeide de vader.
"Hij is slanker en grooter geworden; hij is geen kind meer, maar een
jongen," zeide Stipan Arkadiewitsch. "Kun je u mijner nog herinneren?"
De knaap zag haastig zijn vader aan.
"Ja ik herinner mij nog--mon oncle," antwoordde hij en zag hem aan
om dadelijk weer den blik neer te slaan.
De oom riep hem bij zich en nam zijn hand. "Nu, hoe gaat het je
dan?" vroeg hij, wenschende een gesprek te beginnen, maar wist zelf
niet, wat hij zeggen zoude.
De knaap bloosde en trachtte behoedzaam en zwijgend zijn hand terug
te trekken. En als een vogel, dien men de vrijheid weder geeft, stond
hij, toen zijn oom hem had losgelaten, slechts een oogenblik stil,
om weder zijn vader vragend aan te zien, en verliet toen de kamer
met snelle schreden.
Er was een jaar verloopen sedert Serëscha zijn moeder het laatst
had gezien. Na dien tijd had hij niets meer van haar vernomen. In
hetzelfde jaar was hij op school gekomen en leerde hij zijn makkers
kennen en liefhebben. De droomen en herinneringen, die met zijn moeder
in betrekking stonden, hielden hem na zijn ziekte niet meer bezig
en hij beijverde zich zelfs zich er tegen te verzetten, daar hij er
zich voor schaamde, dewijl hij ze wel gepast vond voor een meisje,
maar niet voor een jongen, die reeds de school bezocht. Hij wist,
dat tusschen zijn vader en zijn moeder eene oneenigheid was ontstaan,
tengevolge waarvan zij gescheiden waren, en hij trachtte zich aan
deze daadzaak te gewennen.
Toen hij zijn oom zag, die op zijn moeder geleek, werd het hem
onbehagelijk te moede, want het deed in hem herinneringen ontwaken,
waarvoor hij zich schaamde. Het was hem te onaangenamer, omdat hij
uit eenige woorden, die hij toen hij aan de deur wachtte gehoord
had, en uit de houding van vader en oom kon opmaken, dat juist over
zijn moeder was gesproken. En om zijn vader niet te veroordeelen,
met wien hij leefde en van wien hij afhing, vooral echter om zich
niet aan zijn gevoeligheid over te geven, die hij vernederend achtte,
poogde hij dien oom, die gekomen was om zijn rust te verstoren, niet
aan te zien en niet aan datgene te denken, waaraan hij hem herinnerde.
Maar toen Stipan Arkadiewitsch, die kort na hem heenging, hem buiten
op de trap inhaalde, hem bij zich riep en vroeg, hoe hij in de
school de tusschenuren doorbracht, liet zich Serëscha, omdat hem de
tegenwoordigheid zijns vaders niet stoorde, met hem in een gesprek in.
"Wij spelen nu altijd spoorweg," antwoordde hij. "Ziet u, dat wordt
zoo gedaan: Twee gaan op een bank zitten, dat zijn de passagiers,
en een staat op den bank, de anderen spannen zich er voor. of alleen
met de handen of met de gordelriemen. En dan gaat het door alle
kamers. De deuren zijn al vooraf opengezet. Het moeilijkste is het
daarbij conducteur te zijn."
"Dat is zeker degene die staat?" vroeg Stipan lachend.
"Ja, daarbij moet men onbevreesd en vlug zijn, vooral als de anderen
plotseling stilhouden of als iemand valt."
"Ja, dat is geen gekheid," zeide Oblonsky en zag treurig in deze
levendige oogen, die geheel aan de moeder herinnerden, maar die niet
meer geheel kinderlijk onschuldig waren. Deze lieve jongen boezemde
hem deernis in, en hoewel hij Karenin beloofd had niet met hem over
Anna te spreken, kon hij dit toch niet nalaten.
"Herinner je uw moeder nog?" vroeg hij plotseling.
"Neen, ik herinner mij niet," antwoordde Serëscha snel, werd purperrood
en sloeg de oogen neder. Verder vermocht de oom niets uit hem te halen.
Serëscha's gouverneur vond een half uur later zijn kweekeling nog
bij de trap en wist niet, of hij weende of ergens over mokte.
"Heb je u gestooten of ben je gevallen?" vroeg hij. "Ik heb altijd
gezegd, dat dit een gevaarlijk spel is. Ik zal het den directeur nog
moeten zeggen."
"Als ik mij bezeerd had, zou niemand het merken; dat is wel zeker."
"Wat scheelt er dan aan?"
"Ach, laat mij! Of ik mij herinner of niet,--wat gaat hem dat
aan? Waarom zou ik mij herinneren? Laat mij met rust!" wendde hij
zich niet tot zijn gouverneur, maar tot de geheele wereld.
Dat was de laatste herinnering van den zoon aan zijn moeder.