Stipan Arkadiewitsch bevond zich weder in geldverlegenheid. De eerste
twee derde gedeelten van de som, die hij voor het hout ontvangen had,
was reeds verbruikt en ook het laatste derde gedeelte, na aftrek van
tien procent, door den kooper vooruit betaald geworden; meer was van
dezen niet te bekomen. Zijn inkomen als beambte ging geheel weg voor
de huiselijke uitgaven en voor de betaling der niet ophoudende kleine
schulden. Derhalve was er geen geld meer voorhanden.
Dat was onaangenaam, zelfs zeer lastig, en het mocht, dacht
Stipan, niet verder gaan. De oorzaak hiervan was, zooals hij
meende, in zijn geringe bezoldiging gelegen. Vóór vijf jaar was
zijn ambtsbetrekking nog blijkbaar een goede geweest, maar nu niet
meer. Petrow, de directeur eener bank, had twaalfduizend roebel vast
tractement, Swentitzky had, als medelid eener aandeelen-maatschappij,
zeventienduizend, Mitin, de grondvester eener bank, had zelfs vijftig
duizend.
"Het is duidelijk; ik ben ingeslapen of men heeft mij vergeten," dacht
Oblonsky en begon nu rond te zien, en inderdaad, tegen het einde van
den winter vond hij een betrekking en wendde pogingen aan, eerst van
Moskou uit door zijn oom, zijn tantes en zijn vrienden, en later,
toen de zaak zoover rijp was, in het voorjaar, reisde hij zelf naar
Petersburg. Het was een van die betrekkingen zooals er meer waren,
die van een tot vijftigduizend roebel inkomen meer gaven, dan de
vroegere vette prebenden met afwisselende voordeelen opbrachten. Deze
betrekking vereischte eene persoonlijkheid van zulk een eminente
kennis en zulk een groote werkkracht, als bezwaarlijk in een mensch
vereenigd konden zijn. Doch aangezien zulk een mensch niet te vinden
was, was het toch gewenscht, dat de betrekking aan een eerlijk man
werd gegeven. En Stipan was niet slechts een eerlijk man in den zin,
dien men daaraan in Moskou hechtte, als men van een eerlijk werkend
schrijver, van een eerlijk journalist of van een eerlijke richting
sprak en wat zooveel beteekende als: deze man of deze partij is
niet slechts niet oneerlijk, maar verstaat het ook bij voorkomende
gelegendheid de regeering een wenk te geven. Oblonsky verkeerde nu in
Moskou hoofdzakelijk in die kringen, waarin dat woord ingevoerd was,
hij was daar als een eerlijk man bekend en had dus meer dan iemand
gegronde aanspraak op deze betrekking. Zij gaf een tractement van
zeven tot tienduizend roebel, en Oblonsky kon ze bekleeden zonder den
staatsdienst te verlaten. Het hing slechts af van twee ministers, eene
dame en twee Joden, en deze allen, ofschoon zij reeds voorbereid waren,
moest Oblonsky in Petersburg bezoeken. Buitendien had hij ook zijn
zuster Anna beloofd Karenin tot het geven van een beslissend antwoord
ten opzichte van de van hem verzochte echtscheiding te brengen.
Derhalve vroeg hij van Dolly vijftig roebel en reisde naar
Petersburg.
Stipan Arkadiewitsch zat in Karenins kabinet en hoorde diens gronden
aan over de slechte inrichting van Ruslands finantiewezen, terwijl
hij met geduld op het oogenblik wachtte, dat hij zijn rede eindigde,
om dan dadelijk met hem over zijn zuster en zijn eigen aangelegenheid
te spreken.
"Ja, dat is zeer waar," zeide hij, toen Alexei Alexandrowitsch zijn
pince-nez, zonder welke hij niet meer kon lezen, afnam en zijn zwager
vragend aanzag.
"Ik wil geen protectie-systeem meer ten voordeele van enkele personen,
maar ten algemeenen beste. Maar zij willen dat niet begrijpen, slechts
persoonlijke belangen drijven hen en zij laten zich medeslepen door
schoone phrasen."
Stipan Arkadiewitsch wist, dat, als Karenin daarvan begon te spreken
wat _zij_ dachten en deden, degenen, die over zijn hervormingsplannen
te beslissen hadden, en de oorzaak van alle gebreken in Rusland waren,
hij dan gewoonlijk schielijk ten einde was.
Inderdaad zweeg Alexei Alexandrowitsch nu, en begon nadenkend in zijn
manuscript te bladeren. "A propos!" zeide Stipan: "Ik wilde u ook nog
verzoeken, bij gelegenheid als je Promonsky ziet, een goed woord voor
mij te doen. Ik wenschte namelijk de betrekking van commissielid der
agentuur van de credietbank der zuidelijke spoorwegen te bekomen."
De lange naam dezer betrekking, die Oblonsky zoo na aan het hart lag,
was hem reeds zoo eigen, dat hij hem zonder haperen kon uitspreken.
Karenin vroeg hem, waarin dan de werkzaamheid dezer commissie bestond
en, nadat hij het vernomen had, dacht hij na. Hij overlegde, of in
de werkzaamheid dezer commissie niets was gelegen, dat in strijd was
met zijn hervormingsplannen. Maar daar de werkzaamheid dezer nieuwe
inrichting buitengewoon gecompliceerd was en haar ontwerp een groot
gebied omvatte, kon hij de zaak niet zoo dadelijk geheel overzien en
hij zeide, terwijl hij weder zijn pince-nez afnam:
"Zeker kan ik met hem daarover spreken. Maar waarom wil je die
betrekking gaarne hebben?"
"Er is een goed inkomen aan verbonden, ongeveer negen duizend, en
mijn middelen...."
"Negen duizend," hernam Karenin en fronste het voorhoofd. "Ik ben
van gevoelen en heb reeds daarover geschreven, dat zulke groote
tractementen in onzen tijd steeds het kenmerk eener valsche
oeconomische assiette zijn--je zult mij begrijpen?"
"Maar wat wil je?" antwoordde Oblonsky. "Veronderstellen wij, dat de
directeur eener bank tienduizend tractement heeft, of een ingenieur
verdient twintigduizend--dat is niet te hoog geschat--dat zijn toch
daadzaken--zooals je wilt...."
"Naar mijn gevoelen moet het tractement evenals de betaling voor
eene waar zich regelen naar vraag en aanbod. Als ik echter zie,
dat van twee even bekwame ingenieurs, die van de academie komen,
de een op veertigduizend aanspraak maakt en de ander zich met
tweeduizend vergenoegt, of wanneer een maatschappij een huzaar of
jurist, die van de zaak volstrekt geen toereikende kennis heeft,
aanstelt als directeur en een kolossaal tractement toelegt, dan,
zeg ik, is dit tractement niet geregeld naar vraag en aanbod, maar
is ongerechtvaardigd en partijdig. Mij dunkt...."
Oblonsky viel zijn zwager snel in de rede. "Maar je zoudt mij toch
groot genoegen doen," zeide hij, "als je een goed woord voor mij bij
Promonsky wildet doen, zoo en passant in het gesprek...."
"Ja, maar het hangt toch veel meer van Bolgarinow af," bracht Karenin
in het midden. "Bolgarinow is er reeds voor gewonnen," zeide Oblonsky
blozend. Hij bloosde, omdat hij dien morgen bij den jood Bolgarinow een
bezoek had gebracht, waaraan onaangename herinneringen waren verbonden.
Stipan was overtuigd, dat de zaak, die hij dienen wilde, levensvatbaar
en eerlijk was, maar toen Bolgarinow hem dien voormiddag opzettelijk
met andere sollicitanten twee volle uren had laten antichambreeren,
was het hem toch wat onbehagelijk te moede geworden. Maar waarom
zou hij, al was hij een nakomeling van Rurik, niet een paar uren bij
een Jood wachten, daar hij toch niet voor de eerste maal van den weg
zijner voorvaders afweek, maar ook nu een nieuwe baan wilde betreden,
omdat het hem niet genoeg voordeel gaf den staat te dienen. Doch het
was hem toch onaangenaam geweest. En toen nu Bolgarinow hem eindelijk
had ontvangen en wel met de grootste hoffelijkheid, terwijl hij zijn
vernedering zoo sterk gevoeld had, dat hij grooten lust had zich
geheel terug te trekken, had hij zich toch beijverd die vernedering
zoo haastig mogelijk te vergeten; en toen hij ze zich nu herinnerde,
bloosde hij.