Wronsky en Anna brachten den geheelen zomer en nog een gedeelte van
den herfst in dezelfde omstandigheden door, zonder den minsten stap
tot de scheiding te doen. Zij hadden besloten nergens heen te reizen,
maar beiden gevoelden, vooral in den herfst dat zij, hoe langer zij
alleen met elkander en zonder gasten waren, zulk een leven steeds
minder zouden kunnen uithouden.
Hun leven scheen zoodanig, als men het slechts kon wenschen; het was
vol overvloed en gezondheid, beiden hadden hun bezigheid en bovendien
een kind.
Anna hield zich, als er geen bezoek was, met zich zelf bezig en met
de lectuur van romans en andere boeken, die in de mode waren. Zij
liet zich alle boeken zenden, die in de door haar aangehouden
buitenlandsche tijdschriften met verlof vermeld werden, en wijdde
hare geheele opmerkzaamheid aan het lezen, zooals men dit slechts in
de eenzaamheid kent. Buitendien leerde zij alle zaken, waar Wronsky
belang bij had, uit zijn boeken en vakschriften kennen, zoodat hij zich
dikwijls tot haar wendde met vragen over landhuishoudkunde, bouwkunde
en zelfs over paardenteelt en sport. Hij bewonderde haar kennis en haar
geheugen. Ook voor den bouw van het ziekenhuis interesseerde zij zich,
en dat niet alleen, maar zij maakte zelf ook allerhande plannen en
liet de zaken daarnaar inrichten. Maar de voornaamste zorg voor haar
was toch zij zelf, dat zij voor Wronsky dierbaar mocht zijn, dat zij
hem alles vergoeden mocht, wat hij voor haar had verlaten. Wronsky
wist het te waardeeren, dat zij het zich tot levenstaak gesteld had
hem niet alleen te behagen, maar hem ook te dienen; toch werden hem
soms deze liefdenetten, waarmee zij hem zocht te omspannen, lastig:
hij wenschte soms, en met den tijd steeds vaker, niet zoozeer zich
er van te bevrijden, dan wel te beproeven, of zij zijn vrijheid ook
in den weg stonden. Waren op dezen immer sterker wordenden wensch
naar vrijheid niet telkens, wanneer hij eens naar de stad of naar
een wedren reed of zich naar een vergadering wilde begeven, hevige
scènes gevolgd en er aan voorafgegaan, dan zou Wronsky met zijn leven
volkomen tevreden geweest zijn. De rol, die hij zich nu gekozen had,
de rol van een rijk grondbezitter, waaruit de kern der Russische
aristocratie moest bestaan, was niet alleen geheel naar zijn smaak,
maar zij schonk hem, nadat hij ze nu een halfjaar gespeeld had, een
steeds grooter voldoening. En zijn arbeid, die hem steeds sterker
aantrok, had uitstekende gevolgen. Ondanks de kolossale sommen, die
hem het ziekenhuis, de machines en de onmiddellijk uit Zwitserland
gekomen koeien gekost hadden, was hij toch overtuigd, dat zij zijn
vermogen niet verminderd, maar vergroot hadden. Als het op geld
verdienen aankwam, b.v. bij het verkoopen van hout, koren en wol en
bij de landverpachting, was Wronsky zoo hard als steen en verstond
hij het gunstige gelegenheden af te wachten. Wat de zaken op dit en
zijn overige landgoederen betrof, hield hij zich aan de eenvoudigste
en niets risqueerende methode en was in alle kleinigheden hoogst
spaarzaam en berekenend. Ondanks alle slimheid en behendigheid van zijn
Duitschen rentmeester, die hem gaarne tot allerlei kostbare proeven en
aankoopen wilde verleiden, liet hij door dezen geen invloed op zich
uitoefenen. Hij hoorde hem aan, vroeg hem uit en was het slechts dan
met hem eens, wanneer hetgeen aangeschaft of ingericht moest worden
iets nieuws was, maar dat toch de proef reeds had doorgestaan, iets
dat tot nu toe in Rusland onbekend was en waardoor hij dus opzien
kon baren. Bovendien stelde hij geen geld beschikbaar, voor hij tot
in de kleinste bizonderheden wist, waarvoor het werd uitgegeven,
en zag er op toe, dat hij voor zijn geld het beste kreeg.
In October zou in het gouvernement, waarin de goederen der Wronsky's,
der Swijaschsky's, der Kosnischews, der Lewins en der Oblonsky's lagen,
de keuze van een nieuwen maarschalk voor den adel plaats hebben.
Deze verkiezingen trokken tengevolge van verschillende omstandigheden
de algemeene opmerkzaamheid tot zich. Er werd veel over gesproken en
groote toebereidselen werden er gemaakt. Kort voor deze verkiezingen
kwam Schwijaschsky, die zeer dikwijls op Wosdwijanskoje was, om
Wronsky af te halen.
Den vorigen dag waren Anna en Wronsky om dezen tocht bijna vertoornd op
elkander geworden. Het was in den herfst, juist in den moeielijksten
en vervelendsten tijd op het land. Wronsky was daarom reeds op
een strijd met Anna voorbereid, toen hij op een zoo ernstigen en
kouden toon, als hij nog nooit tegen haar had aangeslagen, haar
de mededeeling van zijn afreis deed. Tot zijn verwondering nam zij
echter het bericht zeer kalm op en vroeg slechts, wanneer hij terug
dacht te komen. Hij zag haar opmerkzaam aan, daar hij deze kalmte
niet begreep. Zij glimlachte om dezen blik. Hij kende deze gewoonte
van haar, zich geheel in zich zelf terug te trekken en wist, dat dit
slechts dan geschiedde, wanneer zij een vast besluit genomen had,
dat zij niet van plan was hem mee te deelen. Hij vreesde daarvoor,
maar hij wenschte zoozeer een scène te vermijden, dat hij het zocht
te ignoreeren, en hij geloofde inderdaad ook half, wat hij zoo gaarne
wilde gelooven, dat zij haar verstand gebruikte.
"Ik hoop, dat ge u niet zult vervelen."
"Dat hoop ik ook," zei Anna. "Ik heb gisteren een kist vol boeken
van Gautier ontvangen. Neen, ik zal mij niet vervelen."
"Zij wil dezen toon aanslaan, des te beter!" dacht hij. "Anders is
het altijd hetzelfde lied!"--
Zoo ging hij, zonder dat het tusschen hen tot een oprechte verklaring
gekomen was, naar de verkiezingen. Dit was de eerste maal sedert hun
verbintenis, dat zij vóór een scheiding niet ten volle hun gemoed voor
elkander hadden uitgestort. Aan den eenen kant verontrustte hem dit,
aan den anderen kant vond hij, dat het zóó beter was.
"Vooreerst zal de toestand bij deze onklaarheid en veinzerij zooals
nu blijven--maar later zal zij zich daaraan gewennen. In ieder geval
kan ik alles voor haar opofferen--slechts niet mijn zelfstandigheid
als man," dacht hij.