De nieuwe maarschalk was gekozen en Wronsky had op den avond van den
verkiezingsdag de hoofden der overwinnende partij op een feestmaal
bij zich vereenigd.
Wronsky had aan de verkiezingen deelgenomen, omdat hij zich op het
land begon te vervelen en om zijn recht op vrijheid tegenover Anna te
doen gelden, maar ook ter wille van Swijaschsky, jegens wien hij zich
bij deze gelegenheid, door zijn invloed ter beschikking te stellen,
erkentelijk wilde betoonen voor diens bemoeiingen om hem als de tijd
daar zou zijn in de Semstwo te doen opnemen, hoofdzakelijk echter om al
zijn plichten als landedelman en grondbezitter zoo nauwgezet mogelijk
te vervullen. Hij had zelf niet verwacht, dat dit werven van stemmen
voor de verkiezingen hem zoo zou interesseeren, dat hij er zoo geheel
in op zou gaan. Als een homo novus was hij in den kring der edellieden
getreden, maar hij slaagde terstond bij zijn eerste optreden en dwaalde
niet, als hij vernam, dat hij op hen reeds een zekeren invloed vermocht
uit te oefenen. Hierbij hielpen hem zijn rijkdom en zijn voorname
afkomst, zijn prachtige tijdelijke woning in deze gouvernementstad,
die hem een oud bekende, die er een bloeiende bankierszaak bezat, had
afgestaan, verder zijn uitstekende kok, dien hij van zijn landgoed had
meegebracht, zijn vriendschap met den gouverneur, die niet alleen een
oud kameraad, maar een vroeger door Wronsky geprotegeerd kameraad was,
bovenal echter zijn eenvoud en de gelijke mate van hoffelijkheid, die
hij aan allen betoonde, waardoor hij de meeste edellieden terstond
dwong hun meening omtrent zijn ingebeelden trots op te geven. Hij
wist het en anderen moesten het ruiterlijk erkennen, dat de zege van
zijn partij grootendeels aan hem toegeschreven moest worden, en nu,
aan zijn tafel, bij het feest ter eere van den nieuwen maarschalk, had
hij een aangenaam bewustzijn van overwonnen te hebben voor den door
hem gekozene. Deze verkiezingen waren hem zoo goed bevallen, dat hij
er reeds aan dacht, bij het begin van den volgenden verkiezingstijd
over drie jaar, in geval hij dan reeds gehuwd zou zijn, zich zelf
mede candidaat te laten stellen.
Wronsky zat boven aan de tafel, aan zijn linkerhand zijn vriend,
de jonge gouverneur, generaal à la suite; voor allen was deze het
hoofd van het gouvernement, die de verkiezing plechtig geopend en een
redevoering gehouden had en dien men met achting en onderdanigheid
moest naderen; voor Wronsky echter was hij slechts Kathka Maslow--dit
was zijn bijnaam in het pagecorps geweest,--die zich voor hem verlegen
gevoelde en dien hij trachtte à mettre à son aise. Aan zijn rechterhand
zat met zijn streng, onbewegelijk, nieuw ambtsgelaat Newedowsky, de pas
gekozen maarschalk. Jegens hem was Wronsky eenvoudig en beleefd. Ook
Stipan Arkadiewitsch was voor de verkiezingen overgekomen. Hij was zeer
vergenoegd, nu hij zijn tijd zoo vroolijk kon doorbrengen. Onder het
weelderig maal besprak men de bizonderheden van den verkiezingsdag
en er werden verscheiden telegrammen afgezonden aan personen, die
zich voor de verkiezingen interesseerden. Ook Stipan Arkadiewitsch,
die in de beste luim was, zond een telegram van den volgenden inhoud
aan Dolly:
"Newedowsky met twaalf kogels gekozen. Ik feliciteer ons. Verbreid
het."
Hij dicteerde deze woorden luid, terwijl hij opmerkte: "Men moet haar
toch ook eens een genoegen doen."
Maar toen Dolly dit telegram ontving, zuchtte zij slechts om
den roebel, dien het gekost had, en vermoedde zeer juist, dat het
slechts aan het eind van een feestmaal kon neergeschreven zijn. Zij
kende Stiwa's zwak om aan het eind van een diner, "faire jouer le
télégraphe."
Alles te zamen genomen verliep de voortreffelijke maaltijd zeer naar
behooren, eenvoudig en vroolijk. Het gezelschap van deze twintig mannen
was door Swijaschsky uit de gelijkgezinde liberalen gekozen, die niet
alleen den grootsten invloed uitoefenden, maar ook te gelijker tijd
geestig en van goede opvoeding waren. Men stelde ernstige en luimige
toasten in op den nieuwen maarschalk, den gouverneur, den directeur
van de bank en op "onzen beminnelijken gastheer." Wronsky gevoelde
zich volkomen bevredigd; zulk een goeden toon had hij op het land
volstrekt niet verwacht.
Tegen het eind van den maaltijd werd de stemming nog levendiger. De
gouverneur noodigde Wronsky uit mede naar een concert te gaan, dat
zijn vrouw ten voordeele "der broeders" (de oorlog der Serviërs tegen
de Turken was toen uitgebroken) gearrangeerd had; ook wenschte zij
zelf hem te leeren kennen.
"Daarna zal er gedanst worden en gij hebt gelegenheid onze schoonheden
te leeren kennen. Het is werkelijk de moeite waard er heen te gaan."
"Not in my line!" antwoordde Wronsky, wiens lievelingsphrase dit was;
maar hij glimlachte en beloofde toch mee te gaan.
Toen zij reeds van tafel opstonden en men begon te rooken, naderde
Wronsky's kamerdienaar hem en reikte hem op een presenteerblad een
brief over.
"Uit Wosdwijenskoje door een expresse," zeide hij veelbeteekenend.
De brief was van Anna. Wronsky kende den inhoud, voor hem te hebben
gelezen. In de veronderstelling, dat de verkiezingen hem niet meer
dan vijf dagen zouden bezig houden, had hij beloofd des Vrijdags
terug te keeren. Heden was het reeds Zaterdag, en dus wist hij, dat
de brief verwijten moest bevatten, dat hij niet op den beloofden tijd
teruggekeerd was. Zijn brief, die hij haar daarom gisteren gezonden
had, zou zij nog wel niet ontvangen hebben.
De inhoud van den brief was inderdaad zooals hij vermoed had, slechts
de vorm was anders dan hij had verwacht en was voor hem bizonder
onaangenaam: Nana was ziek en de dokter had verklaard, dat er een
ontsteking uit ontstaan kon.
"Alleen verlies ik het hoofd geheel, Warwara is voor mij geen hulp,
maar veeleer een last. Ik heb u reeds eergisteren en gisteren verwacht,
nu zend ik naar u om te weten, waar gij zijt en wat gij doet. Ik
wilde eerst zelf komen, maar ik heb mij bedacht, daar ik wist, dat u
dit onaangenaam zou zijn. Geef mij een kort antwoord opdat ik weet,
wat ik doen moet...."
"Het kind is ziek en toch wilde zij zelf komen--onze dochter ziek
... en deze vijandige toon...!"
Het onschuldig genoegen hier, deze verkiezingen, die hem in den grond
onverschillig waren, en daar ginds die sombere, drukkende liefde,
waartoe hij moest terugkeeren.... Wronsky gevoelde thans al het
scherpe dezer tegenstelling.
Maar hij moest nu vertrekken en met den eersten nachttrein reisde
hij naar huis.