XXV.

"Des te meer moet gij er naar streven uw toestand te verbeteren,

voor zoo ver het mogelijk is," zei Dolly.

"Ja, voor zoo ver het mogelijk is," antwoordde Anna op een plotseling

geheel veranderden, zachten en treurigen toon.

"Is de scheiding dan niet mogelijk. Men heeft mij gezegd, dat uw man

er in toegestemd had."

"Dolly! Ik zou daar liefst niet over spreken."

"Goed, dan spreken wij er niet van," haastte zich Dolly te antwoorden,

toen zij de lijdende uitdrukking in Anna's gezicht bemerkte. "Ik zie

slechts, dat gij alles te donker inziet."

"Ik? Volstrekt niet. Ik ben zeer vroolijk en tevreden. Gij hebt gezien,

je fais des passions. Wesslowsky...."

"Om de waarheid te zeggen, beviel mij Wesslowsky's toon volstrekt

niet," zei Dolly met den wensch een andere wending aan het gesprek

te geven.

"Ach, dat prikkelt Alexei--verder niets. Hij is een knaap, geheel in

mijn handen, weet ge; ik kan hem leiden, zooals ik wil. Hij is geheel

als uw Grischa.... Dolly!" zeide zij, plotseling een andere wending

aan het gesprek gevende, "gij zegt, dat ik alles te donker inzie. Gij

kunt het niet begrijpen. Het is verschrikkelijk! Ik beijver mij om in

't geheel niets te zien."

"Maar ik meen, dat men toch alles moet doen, wat maar eenigszins

mogelijk is."

"Ja, maar wat kan men hier doen? In 't geheel niets. Gij zegt: 'Alexei

huwen.' Alsof ik daaraan niet denk. Ik daaraan niet denken!" herhaalde

zij en bloosde. Zij stond op, richtte zich hoog op zuchtte diep en

begon met haar lichte schreden de kamer op en neer te gaan. "Ik daaraan

niet denken! Er is geen dag, geen uur, dat ik er niet aan denk en mij

niet verwijt, dat ik er aan denk ... want de gedachten daaraan kunnen

iemand waanzinnig maken, ja waanzinnig maken! Wanneer ik daaraan denk,

kan ik zonder morphium niet inslapen. Nu goed. Wij willen er bedaard

over spreken. Men zegt mij: scheiding! Maar ten eerste wil hij die

niet meer--hij staat geheel onder den invloed van gravin Lydia."

Dolly zat in rechte houding op haar stoel en volgde met haar

medelijdend, deelnemend gezicht Anna's bewegingen.

"Men moet evenwel een poging doen," zeide zij zacht.

"Goed, men moet een poging doen. Wat zal dat beteekenen?" Hiermee

sprak Anna klaarblijkelijk een gedachte uit, die zij wel honderdmaal

overlegd had en reeds van buiten kende. "Dat beteekent, dat ik hem

haat en dat ik, die mij toch schuldig tegenover hem beken en hem

voor grootmoedig houd, mij voor hem vernederen, aan hem schrijven

moet.... Goed! Ik overwin mij ook zoo ver en doe het. Ik ontvang of

een beleedigend antwoord of zijn toestemming. Goed! Ik krijg ook

zijn toestemming...." Anna bevond zich op dit oogenblik aan het

verst verwijderde eind van de kamer en verschikte daar iets aan

de venstergordijnen. "Ik krijg dus zijn toestemming, maar ... de

zoon? Dien zullen zij mij niet geven. Die zal bij den vader, dien

ik verlaten heb, in verachting tegen mij opgroeien. Versta mij wel:

twee wezens heb ik lief, beiden evenzeer: Serëscha en Alexei...."

Zij was in het midden van de kamer dicht voor Dolly getreden en

drukte de handen tegen de borst. In het witte nachtgewaad scheen

haar gestalte buitengewoon hoog en gezet. Zij liet het hoofd zinken

en blikte met haar vochtige oogen neer op de kleine, magere en van

aandoening bevende Dolly in haar uitgestukte nachtjapon en muts.

"Slechts deze beide wezens heb ik lief, maar het eene sluit het andere

uit. Ik kan ze niet met elkander vereenigen en dat toch is voor mij

noodig. Kan dat niet zijn, dan is mij alles onverschillig, geheel,

geheel onverschillig. Maar op de een of andere wijze moet het een

eind nemen en daarom kan en wil ik er niet gaarne over spreken. Klaag

mij dus niet aan, veroordeel mij niet. Gij in uw onschuld en reinheid

kunt niet begrijpen, wat ik lijd."

Zij ging naast Dolly zitten, zag haar met een schuldig gelaat in het

gezicht en greep haar hand.

"Wat denkt gij? Wat denkt gij van mij? Veracht mij niet. Verachting

verdien ik niet. Ik ben eenvoudig ongelukkig. Is iemand ongelukkig,

dan ben ik het," zeide zij, wendde zich af en begon te weenen.

Anna Karenina(#13214) · 第 152 / 196 题