XXIV.

Reeds in den loop van den dag had Anna verscheiden malen getracht het

gesprek op intiemer onderwerpen te brengen, maar had altijd na eenige

woorden weer afgebroken: "Later, wanneer wij alleen zijn, willen wij

daarover spreken. Ik heb u nog veel mee te deelen," had zij gezegd.

Nu waren zij alleen, maar Anna zweeg. Zij was aan het venster gaan

zitten en zag Dolly aan. Zij doorzocht haar geheugen naar al de

onuitputtelijke stof van vertrouwelijke mededeelingen, maar zij vond

niets. Het scheen haar in dit oogenblik, alsof reeds alles gezegd was,

en zij wist niet, waarover zij zou spreken.

"Hoe gaat het Kitty?" vroeg zij met een diepen zucht en een schuldigen

blik op Dolly. "Zeg mij de zuivere waarheid, Dolly, is zij boos

op mij?"

"Boos? Neen," antwoordde Dolly met een glimlach.

"Maar zij haat, zij veracht mij."

"Volstrekt niet. Maar weet ge, zoo iets vergeeft men niet."

"Ja, ja!" zeide Anna, wendde zich af en zag door het open

venster. "Maar ik heb geen schuld. Wie heeft trouwens schuld? Wat

is schuld hebben? Kon het dan anders zijn? Wat dunkt u? Kon het dan,

dat gij niet Stiwa's vrouw waart geworden?"

"Ik weet het waarlijk niet. Maar zeg mij...."

"Ja, ja! Maar wij zijn over Kitty nog niet uitgepraat. Is zij

gelukkig? Men zegt, dat hij een uitstekend mensch is!"

"Dat zegt nog te weinig! Ik ken geen beteren man."

"O, wat doet mij dat veel genoegen. Het verheugt mij zeer!"

Dolly glimlachte. "Maar vertel nu van u zelf. Ik heb u nog veel te

zeggen. Wij hebben ook met elkander gesproken, ik met...." Dolly

wist niet, hoe zij hem zou noemen. "Graaf Alexei Kyrillowitsch"

scheen haar te stijf.

"Met Alexei?" zei Anna. "Ik weet, dat gij met elkander gesproken

hebt. Maar ik wilde u juist vragen: wat denkt gij van mij, van

mijn leven?"

"Hoe kan men dat met een enkel woord zeggen? Ik weet het waarlijk

niet."

"Neen, zeg het mij toch. Gij ziet, hoe ik hier leef. Maar gij moet

niet vergeten, dat gij in den zomer bij ons gekomen zijt, nu niet

alleen zijn.... Toen wij in het begin van de lente hier kwamen, leefden

wij geheel alleen en wij zullen weder alleen leven; ik verlang niets

liever dan dat. Maar stel u eens voor, dat ik alleen, ook zonder hem

leef, ik geheel alleen.--En dat zal komen ... ik bespeur aan alles,

hoe hij zeer dikwijls den halven tijd weg zal zijn!" zeide zij en

ging dichter bij Dolly zitten.

"Trouwens," voorkwam zij deze, die iets antwoorden wilde, "ik zal hem

niet met geweld terughouden en dat doe ik ook niet. Van daag zijn er

wedrennen, zijn paarden rennen mee, hij rijdt er heen. Ik verheug mij

er zeer over. Maar denk ook aan mij; stel u mijn toestand voor.... Maar

wat helpt het er over te spreken?" Zij glimlachte. "Waarover heeft

hij met u gesproken?"

"Hij heeft met mij over datgene gesproken, wat ik u reeds zelf

wilde zeggen. Het valt mij daarom licht voor hem te pleiten. Of

men misschien niet ... of er geen mogelijkheid zou zijn ..."--Dolly

bleef steken, verbeterde haar woorden--"om uw toestand te veranderen,

te verbeteren.... Gij kent immers mijn meening.... Alleen, als het

mogelijk was, dat gij trouwdet...."

"Dat wil zeggen, gij bedoelt, de scheiding," zeide Anna meteen

plotseling betrokken gelaat. "Gij weet, de eenige vrouw, die ik in

Petersburg bezocht heb, was Betsy Twerskoja. Gij kent haar. Au fond

c'est la femme la plus dépravée qui existe. Zij had een liaison met

Tuschkewitsch en bedroog haar man op de afschuwelijkste wijze. Ook

die heeft mij gezegd, dat zij niets van mij weten wilde, zoo lang

mijn positie niet gerectificeerd was.... Meen niet, dat ik u met haar

gelijk wil stellen.... U ken ik, mijn lieve ziel.... Maar het viel mij

daar juist zoo in.... Nu, wat heeft hij u dan gezegd?" herhaalde zij

haar vraag: "Wat begrijpt hij er van? Wat kan hij er van begrijpen?"

"Hij heeft gezegd, dat hij om uwentwil en om zijnentwil

lijdt. Misschien zult ge dat egoïstisch noemen, maar dat is een edel,

een loyaal egoïsme. In de eerste plaats zou hij uw dochter wettig

erkend willen zien en uw echtgenoot zijn; hij zou een recht op u

willen bezitten."

"Welke vrouw, welke slavin kan tot zulk een graad slavin zijn als

ik?" viel Anna haar somber in de rede.

"De hoofdzaak voor hem is, hij wil.... Hij wil, dat gij niet lijdt...."

"Dat is onmogelijk! Verder?"

"En dan de wettigheid. Hij wil, dat uw kinderen een naam hebben."

"Welke kinderen?" vroeg Anna zonder Dolly aan te zien en kneep de

oogen toe.

"Nana en die er nog komen zullen...."

"Daaromtrent kan ik gerust zijn. Ik zal geen kinderen meer krijgen."

"Hoe kunt ge zeggen, dat ge er geene meer krijgen zult?"

"Omdat ik het niet wil!" En ondanks haar opgewondenheid glimlachte

Anna, toen zij de naïve uitdrukking van nieuwsgierigheid, verwondering

en ontzetting in Dolly's gezicht bemerkte. "De dokter heeft mij eens

na een ziekte gezegd...."

Dolly was nu door de nu volgende openbaringen, waarvan de

gevolgtrekkingen haar zoo juist schenen, in het eerste oogenblik

dermate in de war geraakt, dat zij meende er niets van te kunnen

begrijpen, en dat men daarover eerst nog veel, veel nadenken moest.

Deze openbaringen, die haar plotseling de haar zoo lang raadselachtig

geschenen opmerking verklaarde, dat eenige familiën niet meer

dan een of twee kinderen kregen, riepen in haar zooveel gedachten

en tegenstrijdige gevoelens te voorschijn, dat zij niets wist te

zeggen en met wijd geopende oogen Anna verwonderd aanstaarde. Had

zij onderweg niet iets dergelijks gedacht? Maar zulk een oplossing

dezer gecompliceerde vraag scheen haar al zeer eenvoudig en het oproer

harer gevoelens, dat zich in haar hart verhief in tegenstelling met den

opzettelijk frivolen en lichtzinnigen toon, dien Anna had aangeslagen,

maakte op haar een diepen indruk.

"N'est-ce pas immoral?!" Dat was alles, wat zij vermocht te antwoorden.

"Waarom?" antwoordde Anna: "Bedenk toch, ik heb slechts de keuze

in andere omstandigheden, dat wil zeggen ziek, of de gezellin, de

kameraad van mijn man, dus zooals deze zelf te zijn."

"Nu ja, nu ja!" zei Dolly bij het hooren van deze argumenten, die

zij voor zich zelf had aangevoerd, maar die nu voor haar hun vroegere

overtuigingskracht verloren hadden.

"Voor u en voor anderen," hernam Anna, als het ware haar gedachten

radend, "kan misschien nog twijfel bestaan, voor mij echter niet. Ik

ben zijn vrouw niet, hij bemint mij slechts totdat het hem verveelt? En

dan? Waarmee zal ik zijn liefde vasthouden? Daarmede!"

In Dolly's hoofd verdrongen zich de gedachten en herinneringen met

ongewone snelheid, zooals altijd in oogenblikken van opwinding.

"Ik," dacht zij, "heb Stiwa ook niet kunnen vasthouden; hij is van

mij naar anderen gegaan, en de eerste, om wie hij mij ontrouw is

geworden, heeft hem met haar schoonheid en vroolijkheid ook niet

vastgehouden. Hij verliet haar om een andere. Meent Anna werkelijk

zoo aantrekkelijk te blijven en Wronsky te kunnen vasthouden? Als

hij slechts dat zoekt, dan kan hij ook toiletten en manieren vinden,

die nog schooner en betooverender zijn dan de hare."

Dolly zuchtte nu diep. Anna hoorde dezen zucht, die haar verried, dat

Dolly het niet met haar eens was, en ging verder. Zij had een voorraad

van nog andere, sterkere argumenten, waartegen men niets kon inbrengen.

"Bedenk eens, wat moet er van mijn kinderen worden? Zij zullen

ongelukkig zijn, een vreemden naam dragen en zich van hun geboorte

af aan over hun moeder, over hun vader schamen."

"Ja, daarom is immers juist een scheiding noodig!"

Maar Anna hoorde niet. Zij wilde slechts dezelfde bewijsgronden

waardoor zij zich zelf zoo dikwijls overtuigd had, luide uitspreken.

"Waartoe is mij dan mijn verstand gegeven, dat mij toch zegt, dat

het een dwaasheid is ongelukkigen in de wereld te brengen?" Zij zag

Dolly aan, wachtte echter geen antwoord af, maar ging voort:

"Ik zou mij altijd tegenover deze ongelukkige kinderen schuldig

gevoelen. Bestaan zij niet, dan zijn zij ook niet ongelukkig, en als

zij ongelukkig waren, dan droeg ik er alleen de schuld van."

"Hoe kan men zich tegenover wezens, die in 't geheel niet bestaan,

schuldig gevoelen?" dacht Dolly en plotseling viel haar de gedachte

in, of het ook soms in het een of andere geval beter kon zijn, als

haar lieveling Grisch niet had bestaan? Dat scheen haar zoo dol,

zoo ongehoord toe, dat zij het hoofd schudde om deze waanzinnige

gedachten te verdrijven.

"Neen, ik weet het niet! Dat is niet goed!" zeide zij slechts met

een uitdrukking van afschuw op het gelaat.

"Neen, maar gij moogt niet vergeten, wat gij zijt en wat ik ben.... En

bovendien," ging Anna voort, die ondanks den overvloed harer bewijzen

en de armoede van Dolly's tegenbewijzen toch in zekere mate toestemde,

dat het niet goed was: "In mijn toestand kan ik mij geen kinderen

wenschen."

Dolly sprak dit niet tegen. Zij gevoelde zich plotseling zoo ver

van Anna verwijderd en erkende, dat tusschen hen vragen bestonden,

waarover zij het nooit met elkander eens zouden worden, zoodat het

beter was er in 't geheel niet over te spreken.

Anna Karenina(#13214) · 第 151 / 196 题