Anna was reeds vóór Dolly daarheen teruggekeerd. Zij zag haar
opmerkzaam in de oogen, alsof zij naar het gesprek met Wronsky wilde
vragen. Maar zij vroeg toch niets.
"Nu is het al weer tijd voor het diner," zeide zij. "Wij komen er in 't
geheel niet toe elkander te zien. Nu reken ik op den avond. Nu moet men
toilet maken. Wij hebben ons in het nieuwe gebouw geheel vuil gemaakt."
Dolly ging in haar kamer, maar het was haar belachelijk te moede. Zij
had niets om zich om te kleeden, want zij had haar beste kleed
aangetrokken. Om zich nu toch ook voor den middag voor te bereiden,
liet zij door haar kamermeisje haar kleed afslaan, stak zich een
anderen strik voor en koos andere kanten voor haar hoofd.
"Dat is alles, wat ik doen kon," zeide zij glimlachend tot Anna,
toen deze reeds in het derde, weer zeer eenvoudige kleed bij haar
binnentrad.
"Ja, wij kleeden ons hier te veel! Alexei is met uw bezoek zoo
gelukkig, als anders zelden met iets. Hij is bepaald op u verliefd,"
zeide Anna. "Maar zijt gij ook niet moede?"
Voor den middag vonden zij ook geen tijd meer om haar gedachten uit
te spreken. In het salon vonden zij vorstin Warwara en de heeren
in het zwart gekleed; slechts de architect droeg een frak. Wronsky
stelde zijn gast den dokter en den Duitschen rentmeester voor. Den
architect had zij reeds in het ziekenhuis leeren kennen.
De dikke huishofmeester met zijn rond, gladgeschoren gezicht en
zijn witten das kondigde aan, dat er opgediend was. De dames stonden
op. Wronsky verzocht Swijaschsky Anna den arm te reiken, terwijl hij
zelf Dolly naderde. Wesslowsky kwam Tuschkewitsch voor en bood vorstin
Warwara den arm, zoodat Tuschkewitsch, de dokter, de rentmeester en
de architect zonder dames bleven.
De eetzaal, het middagmaal, de bedienden, de wijn en de gerechten
pasten niet alleen bij de algemeene weelde in dit huis, maar schenen
nog grootscher dan al het overige.
Aan Wronsky's blik, zooals hij de tafel overzag en den huismeester
met het hoofd teekens gaf, zooals hij Dolly tusschen botwinja en soep
liet kiezen, bemerkte deze als ervaren huisvrouw, dat dit geheele
diner zonder Anna's toedoen, hoewel onder toezicht van den huisheer
zelf tot stand kwam. Van haar hing klaarblijkelijk niet meer af dan
van Wesslowsky; Anna, Swijaschsky en Wesslowsky waren allen gasten,
die vroolijk datgene genoten, wat voor hen bereid was.
Anna trad slechts als gastvrouw op in de leiding van het gesprek. Tegen
deze, voor een huisvrouw aan een kleine tafel en met personen, zooals
de rentmeester en de architect, die in een gansch anderen kring thuis
behoorden en zich alle moeite gaven zich door de ongewone weelde niet
verbluft te toonen en aan het algemeen gesprek zoo weinig mogelijk deel
te nemen,--alzoo tegen deze voor een huisvrouw niet gemakkelijke taak
was Anna met haar gewonen tact ten volle opgewassen en zij leidde het
gesprek met natuurlijke bevalligheid, ja, zooals het Dolly toescheen,
zelfs met genoegen.
Het gesprek stokte onder de dischgenooten, behalve van de zijde van den
in somber zwijgen verzonken dokter, den architect en den rentmeester,
nooit en Dolly gevoelde zich zoo opgewekt en was zoozeer in vuur
geraakt, dat zij zelfs een kleur had gekregen en bij later nadenken
daarover het niet geheel met zich zelf eens was, of zij ook iets
dwaas of aanstootelijks kon gezegd hebben. Swijaschsky bracht het
gesprek op Lewin en zijn zonderlinge denkbeelden, dat de machines
niet pasten bij den Russischen landbouw en er zelfs storend op werkten.
"Ik heb niet het genoegen dezen heer Lewin te kennen," zeide Wronsky
glimlachend, "maar hij zal wel nooit de machines, die hij zoo afkeurt,
gezien hebben. Of wanneer hij ze soms gezien en in gebruik gehad heeft,
dan zullen het wel geen buitenlandsche, maar de een of andere soort van
Russisch fabrikaat geweest zijn. Hoe kan men dan daarover oordeelen?"
"Hij heeft in 't algemeen Turksche denkbeelden!" zeide Wesslowsky
lachend tot Anna gewend.
"Ik kan zijn denkbeelden niet verdedigen," zei Darja Alexandrowna met
vuur, "maar ik kan zooveel wel zeggen, dat hij een zeer beschaafd
man is, die, als hij hier was, zijn denkbeelden wel zou weten te
verdedigen. Ik versta dat waarlijk niet."
"Ik houd zeer veel van hem en wij zijn zeer goede vrienden," zeide
Swijaschsky met een goedhartig lachje, mais pardon, il est un petit peu
toqué; zoo b.v. beweert hij ook, dat de vredegerechten en de Semstwo
geheel overbodig zijn, en hij wil aan geen van beide deelnemen."
"Dat is onze Russische onverschilligheid," zei Wronsky, terwijl hij
zich in een fijn glas ijswater schonk. "Men gevoelt niet, dat onze
voorrechten ons ook plichten opleggen en daarom ontkent men deze
plichten."
"Ik ken geen mensch, die strenger in de vervulling van zijne plichten
is dan Lewin," zei Dolly, door den aanmatigenden toon van Wronsky
aan zijn eigen tafel geprikkeld.
"Ik integendeel," ging Wronsky voort, "ben, zooals u ziet, buitengewoon
dankbaar voor de mij bewezen eer, dat men mij, dank zij Nikolaï
Iwanowitsch, tot vrederechter benoemd heeft. Ik houd het voor mijn
plicht de vergaderingen te bezoeken en de zaak van een boer wegens
een zijner paarden schijnt mij even gewichtig als de belangrijkste
zaak, die mij zelf betreft. Ik zal het ook voor een eer houden, als
men mij als lid in de Semstwo mocht kiezen; ik kan daarmede slechts de
voorrechten vergelden, die ik als landheer geniet. Ongelukkig ontbreekt
onzen grooten grondbezitters nog te zeer het begrip van de beteekenis,
die zij voor het rijk moesten hebben."
Het kwam Dolly zonderling voor te hooren, hoe kalm hij zich aan zijn
eigen tafel in zijn recht gevoelde. Zij dacht aan Lewin, die geheel
tegenovergestelde inzichten had en met zijn oordeelvellingen aan
zijn eigen tafel niet minder beslist was. Maar zij hield van Lewin
en daarom was zij geheel aan zijn zijde.
"Dus zullen wij bij de aanstaande verkiezingen op u mogen rekenen,"
zeide Swijaschsky. "Wij zullen er echter ter rechter tijd zijn moeten,
reeds op den achtsten. Als gij mij misschien de eer zoudt willen
bewijzen bij mij te komen...."
"Ik ben het met uw zwager ook eenigszins eens," zeide Anna tot Dolly:
"ik denk echter niet geheel zooals hij," voegde zij er lachend bij. "Ik
meen, wij hebben in den laatsten tijd veel te veel met algemeene,
openbare plichten te doen. Vroeger waren er te veel beambten, zoodat
er voor iedere zaak een bizondere beambte was; eveneens heeft men nu
overal verzorgers van het openbare welzijn. Alexei is nu nauwelijks
zes maanden hier en reeds is hij lid van ten minste vijf of zes
vereenigingen; hij is voogd, rechter, lid van dorpsbesturen en
gezworene. Als dat zoo verder gaat, zal hij voor niets anders meer
tijd over hebben. En ik vrees, dat men bij zulk een menigte zaken
overal maar een nul kan zijn. Op hoeveel plaatsen zijt gij in het
bestuur, Nikolaï Iwanowitsch?" wendde zij zich tot Swijaschsky:
"Mij dunkt wel op meer dan twintig."
Anna had schertsend gesproken, maar er klonk toch een zekere
bitterheid uit. Dolly, die Anna en Wronsky opmerkzaam gadesloeg,
bemerkte dat terstond. Zij had ook bemerkt, dat Wronsky's trekken bij
dit gesprek dadelijk een ernstige en vastberaden uitdrukking hadden
aangenomen. Hieruit en ook uit de omstandigheid, dat vorstin Warwara
het gesprek snel op Peterburger kennissen zocht te brengen, alsook uit
de wijze, waarop Wronsky zich in den tuin over zijn werkzaamheden had
uitgelaten, besloot zij, dat met deze kwestie van publieke werkzaamheid
een geheim verschil van meening tusschen Anna en Wronsky verbonden was.
Het diner, de bediening, de wijnen, alles was voortreffelijk, maar
het was zoo, als Darja Alexandrowna het op groote diners en op bals
had leeren kennen, het had niets eigenaardigs en natuurlijks; daarom
maakte het hier in het gewone leven en in dezen engeren kring op haar
een onaangenamen indruk.
Na den middag zat men een tijd lang op het terras. Toen speelde
men lawn-tennis. De twee partijen plaatsten zich op den zorgvuldig
geëffenden en vastgestampten crocket-ground aan beide zijden van
het tusschen twee vergulde zuiltjes gespannen net. Ook Dolly deed
een poging om mee te spelen, maar het duurde lang eer zij het spel
begreep en toen zij het eindelijk gevat had, was zij zoo moede,
dat zij ging zitten en nog slechts bij het spel toekeek. Ook haar
partner Tuschkewitsch bleef bij haar, terwijl de anderen nog lang
voortspeelden. Swijaschsky en Wronsky speelden zeer goed en met
opmerkzaamheid, Wesslowsky het slechtst, maar toch hield zijn lachen
en roepen niet op. Hij had, evenals de andere heeren, met verlof der
dames zijn jas uitgetrokken, en zijn groote, fraaie gestalte in de
witte hemdsmouwen, zijn verhit gelaat en zijn stootende bewegingen
bleven haar in de herinnering. Nog toen zij zich 's avonds reeds te
bed begeven en de oogen gesloten had, zag zij den op den crocketground
rondspringenden Wesslowsky.
Gedurende het spel had Dolly zich weinig vermaakt. De schertsende toon
tusschen Anna en Wesslowsky, evenals de algemeene onnatuurlijkheid
dezer volwassenen, die hier zonder kinderen een kinderspel speelden,
bevielen haar niet. Toch, om de anderen niet te storen en, het ging
hoe het ging, den tijd te verdrijven, nam zij, na te zijn uitgerust,
weer aan het spel deel en deed, alsof zij er vermaak in schepte. Op
dezen dag meende zij met veel betere tooneelspelers dan zij zelf was,
komedie te spelen en dacht, dat zij door haar slecht spel de geheele
zaak bedierf.
Zij was met het voornemen gekomen om, wanneer het haar geschikt
voorkwam, twee dagen te blijven. Maar reeds des avonds, gedurende het
spel, besloot zij, reeds morgen weder terug te keeren. De kwellende
zorgen der moeder, die zij onderweg zoo verafschuwd had, verschenen
haar nu al, nadat zij nauwelijks een dag zonder haar kinderen had
doorgebracht, in een geheel ander licht en misten hun uitwerking op
haar niet.
Na de thee en een nachtelijk tochtje in de boot trad Dolly haar kamer
binnen, trok haar kleed uit en ging zitten om het haar voor den nacht
los te maken. Zij gevoelde een groote verlichting.
Het was haar zelfs een onaangename gedachte, dat Anna dadelijk bij
haar zou komen. Zij zou gaarne met haar gedachten alleen zijn geweest,
maar toen Anna in haar nachtgewaad bij haar kwam, verheugde zij zich
toch bij dien aanblik. Nu voor de eerste maal zag zij haar weder
geheel natuurlijk en zooals zij haar liefhad.