XXII.

"Neen, ik geloof, dat Darja Alexandrowna vermoeid is en wel geen

belang zal stellen in de paarden," zei Wronsky, toen Anna voorsloeg de

stoeterij te bezichtigen, waar Swijaschsky een hengst wenschte te zien.

"Gaat gijlieden er maar heen, ik begelijd Darja Alexandrowna naar

huis en zal haar zoolang gezelschap houden, als het haar aangenaam is."

"Van paarden heb ik geen verstand en het zal mij zeer aangenaam zijn,"

zeide Dolly een weinig verwonderd. Zij zag aan zijn gezicht, dat hij

daarmee iets bizonders voorhad. En zij had zich niet vergist.

Toen zij weer door de poort den tuin in waren gegaan, zag Wronsky

naar Anna om en toen hij zich overtuigd had, dat zij hem niet meer

zien en hooren kon, begon hij met een goedhartig lachje:

"Ik verheug mij zeer over de gelegenheid om met u te kunnen spreken. Ik

vergis mij niet, als ik u voor Anna's vriendin houd." Hij nam den

hoed af en streek zich over zijn reeds kaal wordend hoofd.

Dolly antwoordde niets, maar zag hem slechts verrast aan. Zij vreesde

plotseling voor hetgeen hij zeggen zou. Allerlei vermoedens vlogen

haar door het hoofd: "hij zal mij willen vragen hen met al mijn

kinderen te bezoeken, en ik zal hem dit verzoek moeten afslaan; of om

mij moeite te geven Anna in Moskou conversatie te verschaffen ... of

misschien iets over Wassenka Wesslowsky en zijn verhouding tot Anna,

of van Kitty, tegenover wie hij zich schuldig gevoelt?" Zij vermoedde

alleen onaangename dingen, maar het ware raadde zij niet.

"Gij hebt een grooten invloed op Anna en zij houdt veel van u; gij

moet mij helpen."

Zij zag hem schuchter vragend in het energiek gelaat, dat nu eens

door de zon helder verlicht, dan weer door het lommer der linden

ten volle beschaduwd werd, en wachtte, wat hij verder zeggen zou;

maar hij ging met den stok op het kiezelzand slaande zwijgend naast

haar voort, alsof hij zijn gedachten eerst wilde verzamelen.

"Nu gij, de eenige vrouw van alle vroegere bekenden van Anna, ons hier

bezocht hebt, zie ik wel in, dat ge het niet gedaan hebt, omdat ge

onzen toestand voor een normalen houdt, maar omdat ge, terwijl ge al

het moeielijke er van begrijpt, haar nog even lief hebt als vroeger

en haar gaarne zoudt willen helpen. Heb ik geen gelijk?" vroeg hij

en zag haar aan.

"Nu ja," antwoordde Dolly, "maar...." "Neen," viel hij haar in

de rede en, terwijl hij staan bleef, dwong hij ook haar stil te

staan. "Niemand kan beter en nauwkeuriger dan ik het moeielijke in

Anna's positie begrijpen. Dat moet gij gelooven, als ge mij de eer

bewezen wilt mij voor een mensch met een hart te houden. Ik ben de

oorzaak van dezen haar toestand en dat gevoel ik."

"Ik begrijp u," zeide Dolly, die onwillekeurig de oprechte en besliste

wijze bewonderde, waarop hij dit uitgesproken had. "Maar juist omdat

gij u voor de oorzaak houdt, vrees ik ook, dat gij overdrijft. Ik

begrijp wel, dat uw positie tegenover de wereld een zeer moeielijke

is...."

"Een ware hel, een pijniging!" zeide hij snel; "men kan zich geen

ergere zedelijke kwellingen voorstellen, dan ik die twee weken in

Petersburg heb doorgestaan.... Dit kunt ge gelooven."

"Ja, maar hier, zoolang Anna.... en ook gij geen behoefte aan de

wereld gevoelt...."

"Och, de wereld!" zeide hij verachtelijk. "Welk verlangen naar de

wereld kan men hebben!"

"Nu, tot zoo lang zult gij gelukkig en kalm zijn. Ik zie het Anna aan,

dat zij nu gelukkig, volkomen gelukkig is, zij heeft het mij zelf

ook reeds bekend," sprak Dolly glimlachend, maar toch twijfelde zij

onwillekeurig, of Anna ook werkelijk gelukkig was.

Maar Wronsky scheen daaraan niet te twijfelen.

"Ja, ja, ik weet het, zij leeft geheel op. Na al haar lijden gevoelt

zij zich nu gelukkig. Zij is met dezen tegenwoordigen toestand

tevreden--maar ik...? Ik vrees hetgeen ons nog wacht.... Excuseer,

ge wilt verder gaan."

"Neen, het is mij hetzelfde."

"Nu, laat ons dan gaan zitten."

Darja Alexandrowna ging op een bank in de allee zitten. Hij bleef

voor haar staan.

"Ik zie, dat zij gelukkig is," herhaalde hij, maar de twijfel aan

dit geluk overviel Dolly nu nog sterker.

"Maar zal het zoo voortgaan? Of wij goed of slecht gehandeld hebben,

dat is een zaak op zich zelf--de zaak is nu eenmaal geschied,"

zeide hij en vervolgde in het Fransch: "Wij zijn nu voor het leven

gebonden. Ons verbindt de voor ons heiligste band der liefde. Wij

hebben een kind en wij kunnen nog meer kinderen krijgen. Maar de wet

en onze overige voorwaarden van bestaan zijn zoo, dat nog duizend

verwikkelingen ontstaan kunnen, die zij nu, nu zich juist haar ziel

van al het lijden, al de beproevingen hersteld heeft, niet ziet

of niet zien wil. En dat is ook begrijpelijk. Maar ik--ik moet het

wel zien. Mijn dochter ... volgens de wet is zij mijn dochter niet,

maar die van Karenin.... Dit bedrog wil ik niet!" zeide hij met een

wrevelige beweging en zag Dolly norsch aan.

Zij antwoordde niet, maar zag hem slechts medelijdend in het

gezicht. Hij ging voort:

"En wordt morgen een zoon geboren, mijn zoon, dan is hij volgens de

wet ook een Karenin, hij is geen erfgenaam van mijn naam en van mijn

vermogen; hoe gelukkig wij ook in den familiekring zijn, hoeveel

kinderen wij ook krijgen mogen, tusschen hen en mij bestaat geen

wettige band. Zij zijn allen Karenins. Begrijpt gij het ondragelijke

van zulk een toestand? Ik heb getracht ook daarover met Anna te

spreken. Maar het wond haar te zeer op. Zij begrijpt het niet en haar

kan ik niet alles verklaren. Nu zult ge ons leven van een andere zijde

beschouwen. Haar liefde maakt mij gelukkig, maar ik heb behoefte aan

bezigheid. Die heb ik hier gevonden en ben er trotsch op, want ik

houd ze voor meer adellijk dan die mijner kameraden aan het hof en

in het regiment. Nooit zou ik nu meer met hen willen ruilen. Hier,

op deze plaats, werk ik, ben ik gelukkig en tevreden en er ontbreekt

anders niets aan ons geluk. Dit werkzame leven bevalt mij; cela n'est

pas un pis-aller, integendeel...."

Het viel Dolly op, dat hij hier in zijn verklaringen verward geraakte,

en zij begreep trouwens deze geheele afwijking niet goed; maar zij

gevoelde, dat hij nu, nu hij van zijn intiemste verhouding tot Anna

sprak, ook omtrent het overige zijn hart wenschte uit te storten en

dat hiertoe in de eerste plaats ook zijn werkzaamheid als landheer

behoorde.

"Ik ga dus voort," zei hij na een oogenblik nadenkens; "de hoofdzaak

bij iederen arbeid is, dat men de overtuiging heeft, dat, wat

men gedaan heeft, niet met ons sterven zal, dat men erfgenamen

zal hebben--en die heb ik niet. Stel u den toestand van een man

voor, die van te voren weet, dat zijn kinderen, die zijn door hem

beminde vrouw hem geschonken heeft, de zijnen niet zijn, maar iemand

anders toebehooren, die hen haat en niets van hen weten wil. Dat

is ontzettend!"

Hij zweeg in zichtbaar groote opgewondenheid.

"Ja waarlijk, ik begrijp u! Maar wat kan Anna daaraan doen?" vroeg

Dolly.

"Ja, dat is het doel van ons onderhoud," hernam hij zich slechts met

moeite kalmeerend; "Anna kan er veel aan doen, slechts van haar hangt

het af.... Zelfs als ik bij den keizer een verzoek wilde indienen om

mijn eigen kind te mogen adopteeren, zou een scheiding noodzakelijk

zijn. En deze hangt slechts van Anna af. Haar man had in de scheiding

toegestemd; alles was door hem reeds voorbereid, en nu, daarvan ben

ik overtuigd, zal hij niet terugtreden. Zij zal daarom slechts aan

hem te schrijven hebben. Hij heeft toen uitdrukkelijk verklaard,

dat, indien zij dezen wensch wilde uitspreken, hij hem niet zou

afslaan." "Waarlijk," voegde hij er wrevelig bij, "dat is weer een

van die pharizeeuwsche wreedheden, waartoe slechts zulke menschen

zonder hart in staat zijn! Hij weet, hoeveel kwelling haar iedere

herinnering aan hem bereidt, maar juist daarom eischt hij een brief

van haar. Ik begrijp, hoe kwellend dat voor haar is. Maar ook mijn

gronden zijn zoo gewichtig, dat men moet passer par-dessus toutes

ces finesses de sentiment. Il y va du bonheur et de l'existence

d'Anne et de ses enfants. Van mij wil ik niet eens spreken, hoewel

ik lijd, zooals ik nog nooit geleden heb," voegde hij er bij met een

dreigende uitdrukking tegen den een of ander, die hem met dit zware

kruis belast had. "Dus, Darja Alexandrowna, grijp ik zonder bedenken

naar u als naar een reddingsanker. Help gij mij Anna overreden om

aan haar echtgenoot te schrijven en hem om de scheiding te verzoeken."

"Ja zeker," antwoordde Dolly weifelend, terwijl zij zich haar

laatste gesprek met Alexei Alexandrowitsch voor den geest riep. "Ja

zeker!" herhaalde zij beslist, toen zij aan Anna dacht.

"Doe uw invloed op haar gelden, bewerk, dat zij schrijft. Ik zelf

zou niet gaarne en kan ook bijna niet met hem daarover spreken."

"Goed, ik zal er met haar over spreken. Maar hoe denkt zij er zelf

over?" zeide Dolly, terwijl haar plotseling Anna's eigenaardig

aanwendsel inviel om de oogen toe te knijpen, als het gesprek op

onderwerpen van haar intiemste leven kwam. "Alsof zij haar oogen

tegen haar leven wil sluiten om niet alles daarin te zien!" dacht

Dolly.--"Zeer zeker! om harentwil en om mij zelf zal ik met haar

daarover spreken," antwoordde zij op de uitingen van zijn dank,

en zij stonden op en gingen op het huis toe.

Anna Karenina(#13214) · 第 149 / 196 题