"Daar ben ik met Dolly, ma tante," zeide Anna terwijl zij met Darja
Alexandrowna naar buiten ging op het groote steenen terras, waar
vorstin Warwara in de schaduw aan een borduurraam zat en aan het
overtrek voor een stoel voor graaf Alexei Kyrillowitsch werkte. "Zij
zegt, dat zij voor den middag niets wenscht te gebruiken, maar
laat toch het ontbijt maar hier brengen, ik wil Alexei opzoeken
en medebrengen."
Vorstin Warwara was zich ongetwijfeld van de ongepastheid van haar
verblijf bij Wronsky even pijnlijk bewust als Dolly, want reeds met
het eerste woord begon zij een verklaring te geven, waarom zij Anna
hierheen begeleid had; niet omdat zij er behagen in schepte, met haar
in weelde te leven, maar omdat zij altijd veel van Anna gehouden en
zich altijd gaarne voor haar opgeofferd had, en dat deed zij ook nu
om haar toestand te verlichten en haar in dezen moeielijken tijd van
overgang behulpzaam te zijn.
"Haar man zal in de scheiding bewilligen en dan zal ik mij weer in
mijn eenzaamheid terugtrekken. Maar nu kan ik haar van dienst zijn
en zal, hoe zwaar het mij ook vallen moge, mijn plicht vervullen. En
gij, hoe bekoorlijk zijt ge geworden. Je hebt den hemel verdiend,
dat je hier gekomen zijt. Zij leven als de beste echtgenooten met
elkaar. God zal hen richten, niet wij. Buitendien, c'est un intérieur
si joli, si comme il faut. Tout a fait à l'anglaise. On se réunit le
matin au breakfast et puis on se sépare. Tot het diner doet ieder,
wat hij wil. Om zeven uur wordt opgedragen. Maar zij doen ook veel
goeds. Heeft hij u nog niet van zijn ziekenhuis verteld? Ce sera
admirable. Alles is uit Parijs...."
Dit gesprek werd afgebroken door Anna, die de heeren in de biljartkamer
had aangetroffen en nu met hen op het terras terugkeerde. Vóór den
middag was er nog veel tijd en het weer was schoon. Daarom werden
allerlei voorslagen gedaan, hoe men de nog overblijvende twee uren het
best zou kunnen doorbrengen. Men had ook in Wosdwijenskoje allerhande
tijdverdrijf, maar van geheel anderen aard als in Lewins Pokrowskoje.
"Une partie de lawntennis," sloeg Wesslowsky met zijn innemend lachje
voor, "en wij spelen weer samen, Anna Arkadiewna."
"Neen, daartoe is het te warm. Zou het niet beter zijn een wandeling
in den tuin of een tochtje met het bootje te doen om Darja Alexandrowna
de oevers te toonen," sloeg Wronsky voor.
"Mijn is alles goed," zeide Swijaschsky.
"Ik geloof, dat Dolly het liefst een kleine wandeling zou doen en
dan misschien nog in de boot?" zeide Anna.
Hiertoe werd dan ook besloten. Wesslowsky en Tuschkewitsch gingen naar
het badhuis om de boot gereed te maken en de overigen op te wachten,
terwijl Anna met Swijaschsky en Dolly met Wronsky paarsgewijs in het
park gingen wandelen. Dolly gevoelde zich in haar nieuwe omgeving
eenigszins bedeesd en angstig. Niet alleen, dat zij Anna's gedrag op
abstracte wijze en in theorie verontschuldigde, maar zij billijkte
en prees het zelfs.
Zoo gaat het trouwens vlekkeloos reine en deugdzame vrouwen
dikwijls. Door de eentoonigheid van haar eigen zedelijken levenswandel
vermoeid, verontschuldigen zij niet alleen van verre de misdadige
liefde van anderen, maar benijden er hen zelfs om. Daarbij kwam,
dat zij Anna hartelijk liefhad. Alleen hier, waar zij zich in de
werkelijkheid te midden van deze haar vreemde menschen met hun voor
haar nieuwen, zoogenaamd goeden toon bevond, gevoelde zij zich beklemd.
Overigens, al veroordeelde zij ook Anna's handelwijze niet, toch was
haar de aanblik van den man, die er de aanleiding toe geweest was,
onaangenaam. Ook was Wronsky haar nooit zeer bevallen, zij hield hem
voor zeer trotsch en kon aan hem volstrekt niets vinden, waarop hij
trotsch kon zijn, tenzij op zijn rijkdom.
Toch imponeerde hij haar hier in zijn huis meer dan anders en
van dit gevoel kon zij zich niet losmaken. Zij had tegenover
hem hetzelfde gevoel als tegenover het kamermeisje om haar
uitgestukte nachtjapon. Het was geen schaamte, maar een gevoel van
onbehagelijkheid, van gegeneerdheid.
Dolly gevoelde zich dus beklemd en zocht naar een onderwerp van
gesprek. Hoewel zij meende, dat bij zijn trots de lof van zijn huis
en tuin hem onaangenaam zou kunnen zijn, zeide zij hem hierover toch
iets vleiends, daar zij niets anders wist te zeggen.
"Ja, het is een heel net gebouw van ouden, goeden smaak," antwoordde
hij.
"Bizonder is mij het terrein vóór de inrijpoort bevallen. Is dat
vroeger ook zoo geweest?"
"O neen," zeide hij, terwijl zijn gelaat van genoegen verhelderde:
"Dit terrein hadt gij in het voorjaar eens moeten zien."
En nu begon hij, eerst terughoudend, maar spoedig meer ongedwongen,
haar op verscheiden bizonderheden van huis en tuin opmerkzaam te
maken. Men zag, dat het hem, nadat hij zooveel zorg aan de verfraaiing
van zijn landgoed besteed had, nu eenigszins een behoefte was bij
zijn nieuwe bekenden daarmede te pronken, en Dolly's lof deed zijn
hart goed.
"Als ge het ziekenhuis wenscht te zien en niet reeds te vermoeid zijt,
dan is het niet ver van hier. Kom," zeide hij en zag haar in 't gelaat
om zich te overtuigen, dat het haar niet verveelde. "Gaat ge ook mee,
Anna," wendde hij zich tot deze.
"Wij gaan ook mee, niet waar?" antwoordde zij met een blik op
Swijaschsky. "Mais il ne faut pas laisser le pauvre Wesslowsky et
Tuschkewitsch se morfondre la dans le bateau. Wij moeten het hen
laten weten. Ja, dat is een gedenkteeken, dat hij zich hier opricht,"
wendde zij zich tot Dolly.
"Ja, een kostbaar werkje," bevestigde Swijaschsky, maar om niet den
schijn van vleierij tegenover Wronsky op zich te laden, voegde hij
er dadelijk een afkeurend gezegde bij: "Het verwondert mij slechts,
graaf, dat gij, die zooveel voor de gezondheid van het volk doet,
zoo onverschillig ten opzichte van de scholen zijt."
"C'est devenu tellement commun, les écoles," antwoordde
Wronsky. "Versta mij wel, dit is bij mij niet de leidende gedachte
geweest, maar ik heb mij laten meevoeren."
De dames staken haar parasols op en sloegen een zijlaan in, die hen na
eenige kronkelingen uit den tuin bracht. Daar zag Dolly op een hoogte
een schoon, groot, bijna reeds voltooid gebouw, dat in de helle zon
schitterend uitkwam. Daarnaast werd een ander nog door den steiger
omgeven huis gebouwd, waaraan verscheiden arbeiders bezig waren.
"Het werk gaat goed vooruit," zeide Swijaschsky. "Toen ik den laatsten
keer hier was, was er nog niets van het dak te zien."
"Tegen den herfst moet alles gereed zijn. Van binnen is reeds alles
voltooid," zeide Anna.
"Wat wordt dit hier voor een gebouw?"
"De woning voor den dokter en de apotheek," antwoordde Wronsky en
voerde de dames naar het binnenste gedeelte van het ziekenhuis.
Terwijl buiten nog aan de kroonlijsten gewerkt en de benedenste
verdieping geverfd werd, was boven reeds alles ingericht. Nadat zij
de breede trap van gegoten ijzer waren opgeklommen, betraden zij een
groote, geheel voltooide kamer. De muren waren zoo fraai gestukadoord,
alsof ze met marmer belegd waren, de reusachtige glasruiten had men
reeds in de vensters gezet, slechts aan de ruiten van den ingelegden
vloer waren de meubelmakers nog bezig met polijsten.
"Dit is de ontvangkamer," zeide Wronsky. "Hier komt nog een staande
lessenaar, een tafel en een kast, verder niets."
Zij begaven zich op den corridor. Hier toonde hun Wronsky een
ventilatie van de nieuwste vinding, marmeren badkuipen en bedden
met eigenaardige springveeren matrassen; daarna bezichtigden zij de
waschkamer, kachels van nieuwe constructie, schuifstoelen, die zonder
geraas werden gereden en waarop zaken en personen getransporteerd
zouden worden. Swijaschsky waardeerde dit een en ander als een man,
die van alles het noodige begrip heeft; Dolly verwonderde zich
eenvoudig over hetgeen zij tot nu toe nog niet gezien had en, daar
zij wenschte het goed te begrijpen, vroeg zij naar alles, wat Wronsky
groot genoegen deed.
"Ik geloof, dat dit tot nu toe in Rusland het eenige, volkomen goed
ingerichte ziekenhuis zijn zal," merkte Swijaschsky aan.
"Maar gij zult geen afdeeling voor verlossingen hebben," wierp Dolly
in het midden. "En dat is toch op het land zoo noodzakelijk. Ik heb
reeds dikwijls ..."
Maar Wronsky viel haar ondanks zijn beleefdheid in de rede:
"Daarvoor moet het ook geen inrichting worden, maar uitsluitend een
ziekenhuis; het is voor alle ziekten, behalve voor besmettelijke
bestemd. Zie eens hier, als ik u verzoeken mag ..." en hij schoof
een ziekenstoel voor Dolly, ging er in zitten en toonde er haar de
constructie van. "Ziet ge, men kan nog niet loopen, men is nog te
zwak of er hapert iets aan de voeten, maar men heeft lucht noodig en
dan gaat men zoo uitrijden."
Darja Alexandrowna stelde in alles belang, alles beviel haar, het
meest echter Wronsky met zijn eenvoudige, natuurlijke geestdrift.
"Ja, hij is toch een net, goed mensch!" dacht zij soms en begreep,
hoe Anna verliefd op hem had kunnen worden.