XVIII.

De koetsier deed het vierspan stilhouden en keek naar het roggeveld,

waar naast een telega verscheiden boeren zaten. De schrijver riep en

wenkte hen. Een van de boeren stond op en naderde de kales.

"Naar Wosdwijenskoye? Naar het heerenhuis? Naar den graaf?" herhaalde

hij. "Hier dadelijk achter de kromming links afslaan, dan

rechtuit. Naar wien wilt gij gaan? Naar hem zelf?"

"Zijn zij thuis, Golubtschik?" vroeg Dolly, verlegen zijnde, hoe ze

de boeren naar Anna zou vragen.

"Ja wel," antwoordde de boer. "Gisteren zijn er ook reeds gasten

gekomen. Veel, veel gasten! Nog niet lang geleden zijn ze hier voorbij

gereden. Wie zijt gij?"

"Wij komen van heel verre," antwoordde de koetsier. Hij trok de

teugels aan, maar nauwelijks zetten de paarden zich weer in beweging,

of de boer riep hem achterna: "Halt, heidaar, koetsier! Daar komen

zij zelf! Daar zijn ze! Zie eens, hoe zij rennen!" Daarbij wees bij

op vier ruiters en een char à bancs met twee personen, die op den

weg naderden. Het waren Wronsky met een jockey, Wesslowsky en Anna te

paard, en vorstin Warwara Iwanowna met Swijaschsky in den wagen. Zij

waren uitgereden om eenige pas aangekomen maaimachines in werking

te zien.

Toen de wagen stilhield, kwamen de ruiters stapvoets naderbij. Vooraan

reed naast een heer op een grooten grauwen telganger een dame op een

niet heel grooten, maar krachtigen Engelschen klepper met geschoren

manen en afgesneden staart. Het schoone hoofd der dame met het onder

den hoed uitgolvend zwarte haar, haar gevulde schouders, de slanke

taille in het zwarte rijkleed en haar volkomen rustige en bevallige

houding frappeerden Dolly. "Is dat Anna?" dacht zij en het scheen haar

in het eerste oogenblik niet zeer welvoegelijk, dat Anna reed. Met een

dame, die reed, verbond zich voor Dolly de voorstelling van een lichte,

jeugdige coquetterie, die naar haar meening voor Anna's leeftijd en

positie niet meer paste, maar toen zij haar nader beschouwde, verzoende

zij zich weer met haar rijden; in weerwil van groote élégance was

toch alles in Anna's houding, kleeding en beweging eenvoudig, kalm

en waardig, zoodat niets natuurlijker kon schijnen.

Naast Anna, op het grauwe, vurige cavaleriepaard, de dikke beenen recht

uitgestrekt en klaarblijkelijk zich zelf bewonderend, reed Wassenka

Wesslowsky, met zijn Schotsch mutsje met wapperende linten, en Dolly

kon een glimlach niet onderdrukken, toen zij hem herkende. Achter

hen reed Wronsky op een verhitten, donkerbruinen volbloed.

Anna's gelaat werd plotseling bij den aanblik der kleine, in den

hoek der kales teruggedoken gestalte van Dolly door een vergenoegd

lachje verhelderd; zij riep luide, verhief zich in den zadel en liet

het paard in galop naderen. Bij den wagen sprong zij zonder hulp

uit den zadel en, terwijl zij haar rijkleed ophield, liep zij snel

Dolly te gemoet. "Dat heb ik gehoopt, maar waagde nauwelijks het te

verwachten! Dat verheugt mij! Je kunt je niet voorstellen, hoe blij

ik ben," zeide zij, terwijl ze nu eens haar gelaat tegen dat van

Dolly drukte, dan haar weer van zich afschoof en haar lachend aanzag.

"Dat is heerlijk, Alexei," zei ze, zich naar Wronsky omkeerend,

die eveneens afgestegen was en hen naderde, terwijl hij zijn hoogen,

grijzen hoed afnam.

"Ge kunt niet denken, hoezeer ons uw komst verheugt," zeide hij met

nadruk en toonde lachend zijn gezonde, witte tanden.

Wassenka Wesslowsky nam, zonder af te stijgen, groetend zijn klein

mutsje af en zwaaide vroolijk met de linten boven zijn hoofd. "Dat

is prinses Warwara," antwoordde Anna op Dolly's vragenden blik,

toen nu ook de jachtwagen naderde.

"Zoo!" zeide Dolly en haar gezicht drukte onwillekeurig ontevredenheid

uit. Prinses Warwara was immers ook de tante van haar echtgenoot; zij

kende haar reeds lang en koesterde slechts weinig achting voor haar;

zij wist, dat deze haar geheele leven als klaploopster bij rijkere

verwanten doorbracht en dat zij zich nu bij Wronsky, een haar vreemd

man, ophield, geneerde haar om de verwantschap met haar man. Anna

bemerkte deze uitdrukking in Dolly's gelaat, zij werd verlegen,

bloosde, liet haar kleed los en trad er op.

Dolly was uit haar wagen geklommen en begroette vorstin Warwara op

koelen toon. Ook Swijaschsky was haar bekend. Hij informeerde naar

zijn origineelen vriend, hoe deze met zijn jonge vrouw leefde en

terwijl hij met een vluchtigen blik de niet bij elkander passende

paarden en het gelapte leer aan Dolly's koets overzag, sloeg hij de

dames voor in den jachtwagen te rijden.

"En ik rijd met prinses Warwara in haar rijtuig," zeide hij, "te meer,

daar de vorstin bang is in deze char à bancs." "Neen, allen blijven

op hun plaats," zeide Anna, "en wij rijden in de kales." Zij nam

Dolly onder den arm en leidde haar weg.

Dolly's oogen waren eerst door deze elegante equipage, door de

fraaie paarden en de schitterende personen, die haar omringden,

geheel verblind. Het meest trof haar echter de verandering, die met

de haar zoo goed bekende en geliefde Anna had plaats gevonden. Een

andere vrouw, die Anna vroeger niet gekend had en niet zulke

gedachten en beschouwingen had gehad als Dolly onderweg, zou aan

Anna niets bizonders bemerkt hebben. Maar haar, Dolly, viel nu de

slechts haar tijd durende schoonheid van Anna op, zooals zij de

vrouwen alleen eigen is in de oogenblikken, dat zij beminnen. Alles

bij Anna was aantrekkelijk: de diepe kuiltjes in kin en wangen,

de volheid der lippen, de glimlach, die haar gelaat verhelderde,

de glans harer oogen, de bevalligheid en snelheid harer bewegingen,

de volle toon harer stem, zelfs de wijze, waarop zij half vriendelijk,

half verdrietig Wesslowsky op zijn verzoek zich op haar paard te mogen

zetten en hem ook met den rechtervoet te laten galoppeeren antwoordde:

"Nu, neem mijn paard dan maar!"--Dit alles was bevallig; en zij zelf

scheen zich daarvan bewust te zijn en verheugde er zich over.

Toen de beide vrouwen in den wagen zaten, overviel haar een zekere

beklemdheid. Anna geraakte door den onderzoekenden blik van Dolly

in de war en Dolly, omdat zij zich, zooals Swijaschsky opmerkte,

schaamde over het oude, vuile rijtuig, waarin Anna met haar was gaan

zitten. Ook de koetsier Philip en de schrijver hadden en dergelijk

gevoel. De laatste was, om zijn verlegenheid te verbergen, de dames

ijverig bij het uitstappen behulpzaam, maar de koetsier Philip

keek norsch voor zich uit en besloot reeds vooraf zich naar dien

uiterlijken glans niet te schikken. Hij lachte ironisich, terwijl hij

naar den zwarten harddraver keek, en oordeelde in zijn binnenste:

deze zwarte daar voor den jachtwagen is slechts voor "bromenascha"

geschikt, maar om veertig werst in de zonnehitte te loopen, daarvoor

deugt hij niet. De boeren bij de telega waren allen opgestaan en keken

nieuwsgierig en vroolijk naar de begroeting der gasten, terwijl ze

daarbij hun aanmerkingen maakten.

"Die zijn ook in hun schik; ze hebben elkaar zeker in lang niet

gezien! zeide een kroeskop, die zijn haar met lindenbast samengebonden

had.

"Zie eens, oom Garoszim, deze zwarte moest onze garven rijden dat

zou flink gaan!"

"Kijk eens! die daar in zijn onderbroek! Is dat een vrouw?" vroeg

een van hen, terwijl hij naar Wesslowsky wees, die zich in Anna's

dameszadel zette.

"Neen, oude. Zie maar eens, hoe flink hij daar heen rijdt!"

"Nu, jongens, van slapen zal wel niet meer komen?"

"Zouden we dan nu nog kunnen slapen?" zei de oude, terwijl hij

naar de zon keek. "Het middaguur is reeds lang voorbij. Neemt de

bijlen! Vooruit!"

Anna Karenina(#13214) · 第 145 / 196 题