XVII.

Dolly's lang gekoesterd plan, Anna op Wronsky's naburig landgoed te

bezoeken, werd eindelijk ten uitvoer gebracht. Reeds voor zonsopgang

waren zij vertrokken. De weg was goed, de kales, die Lewin haar

gegeven had, gemakkelijk, de paarden liepen lustig en op den bok

naast den koetsier zat de klerk, dien Lewin haar tot bescherming

had medegegeven. Na een kort oponthoud bij een dorpsherberg, waar

de paarden gedrenkt werden, reden zij om tien uur verder. Te huis

had zij met haar eeuwige kinderzorgen tot nadenken niet veel tijd

gevonden. Nu echter, op dit rijtoertje, dat verscheiden uren duurde,

drongen zich in haar hoofd al de tot nu toe teruggehouden gedachten

samen en zooals nog nooit te voren overzag zij nu haar leven naar alle

zijden. Haar gedachten schenen haar zelf zonderling toe. Eerst dacht

zij aan haar kinderen, die zij onder de hoede van de vorstin en Kitty

had achtergelaten. Toen werden de gedachten aan het tegenwoordige

vervangen door gedachten aan de naaste toekomst. Zij dacht er aan,

dat zij dien winter in Moskou een andere woning zouden betrekken,

dat de meubels in het salon opnieuw overtrokken moesten worden en dat

haar oudste dochter een nieuwen pels moest hebben. Toen volgden vragen

naar een verder verwijderde toekomst, over de verdere ontwikkeling

harer kinderen. "Met de meisjes is het niet erg," dacht zij. "Maar

de jongens! Goed, dat ik mij nu nog met Grischa bezig kan houden,

daar ik nu vrij en niet in zekere omstandigheden ben. Op Stiwa

kan ik toch niet rekenen. En met Gods hulp zal ik ze tot menschen

vormen. Maar als weder...." En haar gesprek met de jonge, knappe vrouw

uit de herberg viel haar weer in. Op haar vraag, of zij kinderen had,

had deze onverschillig geantwoord: "Een meisje heb ik gehad, maar God

heeft het van mij weggenomen; in de vasten heb ik het begraven." "Spijt

het u dan niet?" had Dolly gevraagd. "Waarom zou het mij spijten? De

oude heeft kleinkinders genoeg. Mij is het slechts een last. Men kan

niet werken en niets doen; het is niets als last."

Dit antwoord had haar, ondanks de bevalligheid der jonge vrouw,

stuitend en onnatuurlijk toegeschenen, maar nu dacht zij onwillekeurig

aan deze woorden. Er lag toch iets waars in.

"Trouwens," dacht Dolly met een terugblik op haar vijftienjarig

huwelijksleven, "de zwangerschap is een vreeselijke tijd; hoe leelijk

wordt men er bij, en die pijnen en slapelooze nachten! Dan de ziekten

der kinderen, de eeuwige angst daarvoor; dan de opvoeding, hun slechte

gewoonten, het onderwijzen, het Latijn, dat is alles zoo moeielijk

en zwaar om te begrijpen. En het schrikkelijkste is, als zij sterven."

In haar geest verrees de voor haar steeds wreede herinnering aan den

dood van haar jongste zoontje, dat aan diphtheritis gestorven was, aan

zijn begrafenis, aan de algemeene onverschilligheid bij zijn kleine

kist van rozenhout, aan haar eigen hartverscheurend wee, toen ze

zijn bleek gezichtje met de gelokte slapen en zijn als van verbazing

geopend mondje zag, voor het deksel met het gouden kruis het kistje

sloot. "En waartoe dat alles? Wat win ik daarbij? Slechts zooveel,

dat ik nu een oogenblik rust heb, dan weder zwanger ben, dan zoogen

moet, steeds geërgerd word, kwellend en weer gekweld, dat ik mijn man

overtollig mijn leven wijd en dat er ongelukkige, slecht opgevoede,

arme kinderen zullen opgroeien. Ik alleen zal er geen nette kinderen

van vormen kunnen, hoogstens met hulp van vreemden, voor wie men zich

vernederen moet. Nemen wij het beste aan: zij sterven niet en ik kom

op de een of andere manier met hun opvoeding gereed: dan worden zij

in het gunstigste geval ten minste geen deugnieten. Dat is alles,

wat ik wenschen kan. En alleen daarvoor al deze kwellingen, al deze

ellende....Het geheele leven opgeofferd....Moeten wij nog ver rijden,

Michailo?" vroeg zij den schrijver om deze gedachten, die haar zelf

verschrikten, van zich te weren.

"Van het naaste dorp nog zeven werst."

De wagen reed over een brug. Over deze brug ging juist een troepje

vroolijk babbelende boerenvrouwen met korenschoven op de schouders. Zij

bleven staan en keken nieuwsgierig in de kales. Al deze gezichten,

die naar haar toegewend waren, schenen Dolly gezond en vroolijk,

haar tergend met hun levensvreugde.

"Allen leven, allen genieten het leven," dacht Dolly verder, toen zij

weer een berg opreden en terwijl zij zich behagelijk op de zachte

veeren der oude koets liet schommelen; slechts ik ben als een uit

de gevangenis vrijgelatene, uit een wereld, die mij zoozeer met

haar zorgen gedood heeft, dat ik eerst nu voor een oogenblik tot

bewustzijn ontwaak. Allen leven: deze vrouwen, zuster Natascha en

Warenka en Anna, waar ik nu heen ga, allen, slechts ik alleen niet! En

op Anna vallen ze allen aan! Waarom? Ben ik dan misschien beter dan

zij? Ik heb ten minste een man, dien ik liefheb, hoewel niet zoo,

als ik hem zou willen liefhebben, maar ik heb hem toch lief en Anna

heeft den haren nooit liefgehad. Waarom is zij dan schuldig? Zij wil

beminnen. Dat heeft God in onze harten gelegd. Zeer goed mogelijk,

dat ik in haar plaats evenzoo gehandeld had. En nu nog weet ik niet,

of het goed van mij was haar raad te volgen in dien vreeselijken tijd,

toen zij mij in Moskou bezocht. Ik had mijn man moeten verlaten en van

voren af aan een nieuw leven moeten beginnen. Ik had kunnen beminnen

en op de rechte wijze bemind kunnen worden. Is het nu misschien

beter? Ik acht hem niet. Ik heb hem noodig en ik duld hem. Is dat

dan beter? Toen had ik nog kunnen behagen, toen bezat ik nog mijn

schoonheid! dacht zij verder en gevoelde grooten lust zich in den

spiegel te beschouwen. Zij had een reisspiegeltje in den zak en wilde

dit te voorschijn halen; maar toen zij de ruggen van den koetsier

en van den klerk zag, dacht zij, dat zij zich zou schamen, wanneer

zich een hunner mocht omkeeren, en dus haalde zij den spiegel niet te

voorschijn. Maar ook zonder de getuigenis van den spiegel dacht zij,

dat het ook nu misschien nog niet te laat was, waarbij zij zich Sergej

Iwanowitsch herinnerde, die altijd heel vriendelijk jegens haar was,

en een vriend van Stiwa; den goedhartigen Turowzin, die gedurende de

scharlakenkoorts haar kinderen zoo trouw met haar verpleegd had en op

haar verliefd was. En dan was er nog een heel jonge man, die, zooals

Stiwa haar schertsend verteld had, vond, dat zij de mooiste van de drie

zusters was. En Darja Alexandrowna stelde zich de hartstochtelijkste

en onmogelijkste romans voor. "Anna heeft recht gehandeld en ik zal

haar niet aanklagen. Zij is gelukkig en maakt het geluk van een anderen

mensch uit; zij is niet zoo afgetobd als ik en zeker nog even frisch,

verstandig en voor alles ontvankelijk als altijd," dacht Dolly. Een

schelms lachje krulde haar lippen; zij dacht aan Anna's liefderoman

en stelde zich daarna haar eigen voor met een man uit haar fantasie,

die op haar verliefd was. Even als Anna bekende zij haar echtgenoot

alles, en de verwondering en verlegenheid van Stiwa bij dat bericht

deed haar lachen.

In zulke droomen naderde zij de kromming van den landweg, waar deze

naar Wosdwijenskoye voerde.

Anna Karenina(#13214) · 第 144 / 196 题