Dolly's lang gekoesterd plan, Anna op Wronsky's naburig landgoed te
bezoeken, werd eindelijk ten uitvoer gebracht. Reeds voor zonsopgang
waren zij vertrokken. De weg was goed, de kales, die Lewin haar
gegeven had, gemakkelijk, de paarden liepen lustig en op den bok
naast den koetsier zat de klerk, dien Lewin haar tot bescherming
had medegegeven. Na een kort oponthoud bij een dorpsherberg, waar
de paarden gedrenkt werden, reden zij om tien uur verder. Te huis
had zij met haar eeuwige kinderzorgen tot nadenken niet veel tijd
gevonden. Nu echter, op dit rijtoertje, dat verscheiden uren duurde,
drongen zich in haar hoofd al de tot nu toe teruggehouden gedachten
samen en zooals nog nooit te voren overzag zij nu haar leven naar alle
zijden. Haar gedachten schenen haar zelf zonderling toe. Eerst dacht
zij aan haar kinderen, die zij onder de hoede van de vorstin en Kitty
had achtergelaten. Toen werden de gedachten aan het tegenwoordige
vervangen door gedachten aan de naaste toekomst. Zij dacht er aan,
dat zij dien winter in Moskou een andere woning zouden betrekken,
dat de meubels in het salon opnieuw overtrokken moesten worden en dat
haar oudste dochter een nieuwen pels moest hebben. Toen volgden vragen
naar een verder verwijderde toekomst, over de verdere ontwikkeling
harer kinderen. "Met de meisjes is het niet erg," dacht zij. "Maar
de jongens! Goed, dat ik mij nu nog met Grischa bezig kan houden,
daar ik nu vrij en niet in zekere omstandigheden ben. Op Stiwa
kan ik toch niet rekenen. En met Gods hulp zal ik ze tot menschen
vormen. Maar als weder...." En haar gesprek met de jonge, knappe vrouw
uit de herberg viel haar weer in. Op haar vraag, of zij kinderen had,
had deze onverschillig geantwoord: "Een meisje heb ik gehad, maar God
heeft het van mij weggenomen; in de vasten heb ik het begraven." "Spijt
het u dan niet?" had Dolly gevraagd. "Waarom zou het mij spijten? De
oude heeft kleinkinders genoeg. Mij is het slechts een last. Men kan
niet werken en niets doen; het is niets als last."
Dit antwoord had haar, ondanks de bevalligheid der jonge vrouw,
stuitend en onnatuurlijk toegeschenen, maar nu dacht zij onwillekeurig
aan deze woorden. Er lag toch iets waars in.
"Trouwens," dacht Dolly met een terugblik op haar vijftienjarig
huwelijksleven, "de zwangerschap is een vreeselijke tijd; hoe leelijk
wordt men er bij, en die pijnen en slapelooze nachten! Dan de ziekten
der kinderen, de eeuwige angst daarvoor; dan de opvoeding, hun slechte
gewoonten, het onderwijzen, het Latijn, dat is alles zoo moeielijk
en zwaar om te begrijpen. En het schrikkelijkste is, als zij sterven."
In haar geest verrees de voor haar steeds wreede herinnering aan den
dood van haar jongste zoontje, dat aan diphtheritis gestorven was, aan
zijn begrafenis, aan de algemeene onverschilligheid bij zijn kleine
kist van rozenhout, aan haar eigen hartverscheurend wee, toen ze
zijn bleek gezichtje met de gelokte slapen en zijn als van verbazing
geopend mondje zag, voor het deksel met het gouden kruis het kistje
sloot. "En waartoe dat alles? Wat win ik daarbij? Slechts zooveel,
dat ik nu een oogenblik rust heb, dan weder zwanger ben, dan zoogen
moet, steeds geërgerd word, kwellend en weer gekweld, dat ik mijn man
overtollig mijn leven wijd en dat er ongelukkige, slecht opgevoede,
arme kinderen zullen opgroeien. Ik alleen zal er geen nette kinderen
van vormen kunnen, hoogstens met hulp van vreemden, voor wie men zich
vernederen moet. Nemen wij het beste aan: zij sterven niet en ik kom
op de een of andere manier met hun opvoeding gereed: dan worden zij
in het gunstigste geval ten minste geen deugnieten. Dat is alles,
wat ik wenschen kan. En alleen daarvoor al deze kwellingen, al deze
ellende....Het geheele leven opgeofferd....Moeten wij nog ver rijden,
Michailo?" vroeg zij den schrijver om deze gedachten, die haar zelf
verschrikten, van zich te weren.
"Van het naaste dorp nog zeven werst."
De wagen reed over een brug. Over deze brug ging juist een troepje
vroolijk babbelende boerenvrouwen met korenschoven op de schouders. Zij
bleven staan en keken nieuwsgierig in de kales. Al deze gezichten,
die naar haar toegewend waren, schenen Dolly gezond en vroolijk,
haar tergend met hun levensvreugde.
"Allen leven, allen genieten het leven," dacht Dolly verder, toen zij
weer een berg opreden en terwijl zij zich behagelijk op de zachte
veeren der oude koets liet schommelen; slechts ik ben als een uit
de gevangenis vrijgelatene, uit een wereld, die mij zoozeer met
haar zorgen gedood heeft, dat ik eerst nu voor een oogenblik tot
bewustzijn ontwaak. Allen leven: deze vrouwen, zuster Natascha en
Warenka en Anna, waar ik nu heen ga, allen, slechts ik alleen niet! En
op Anna vallen ze allen aan! Waarom? Ben ik dan misschien beter dan
zij? Ik heb ten minste een man, dien ik liefheb, hoewel niet zoo,
als ik hem zou willen liefhebben, maar ik heb hem toch lief en Anna
heeft den haren nooit liefgehad. Waarom is zij dan schuldig? Zij wil
beminnen. Dat heeft God in onze harten gelegd. Zeer goed mogelijk,
dat ik in haar plaats evenzoo gehandeld had. En nu nog weet ik niet,
of het goed van mij was haar raad te volgen in dien vreeselijken tijd,
toen zij mij in Moskou bezocht. Ik had mijn man moeten verlaten en van
voren af aan een nieuw leven moeten beginnen. Ik had kunnen beminnen
en op de rechte wijze bemind kunnen worden. Is het nu misschien
beter? Ik acht hem niet. Ik heb hem noodig en ik duld hem. Is dat
dan beter? Toen had ik nog kunnen behagen, toen bezat ik nog mijn
schoonheid! dacht zij verder en gevoelde grooten lust zich in den
spiegel te beschouwen. Zij had een reisspiegeltje in den zak en wilde
dit te voorschijn halen; maar toen zij de ruggen van den koetsier
en van den klerk zag, dacht zij, dat zij zich zou schamen, wanneer
zich een hunner mocht omkeeren, en dus haalde zij den spiegel niet te
voorschijn. Maar ook zonder de getuigenis van den spiegel dacht zij,
dat het ook nu misschien nog niet te laat was, waarbij zij zich Sergej
Iwanowitsch herinnerde, die altijd heel vriendelijk jegens haar was,
en een vriend van Stiwa; den goedhartigen Turowzin, die gedurende de
scharlakenkoorts haar kinderen zoo trouw met haar verpleegd had en op
haar verliefd was. En dan was er nog een heel jonge man, die, zooals
Stiwa haar schertsend verteld had, vond, dat zij de mooiste van de drie
zusters was. En Darja Alexandrowna stelde zich de hartstochtelijkste
en onmogelijkste romans voor. "Anna heeft recht gehandeld en ik zal
haar niet aanklagen. Zij is gelukkig en maakt het geluk van een anderen
mensch uit; zij is niet zoo afgetobd als ik en zeker nog even frisch,
verstandig en voor alles ontvankelijk als altijd," dacht Dolly. Een
schelms lachje krulde haar lippen; zij dacht aan Anna's liefderoman
en stelde zich daarna haar eigen voor met een man uit haar fantasie,
die op haar verliefd was. Even als Anna bekende zij haar echtgenoot
alles, en de verwondering en verlegenheid van Stiwa bij dat bericht
deed haar lachen.
In zulke droomen naderde zij de kromming van den landweg, waar deze
naar Wosdwijenskoye voerde.