XIX.

Toen Anna Dolly's mager, uitgeput gelaat zag, dat in de fijne rimpels

ietwat met stof was bedekt, had zij grooten lust haar gedachten uit

te spreken, maar in het bewustzijn dat zij zelf, zooals ook Dolly's

blik verried, schooner was geworden, zuchtte zij en begon over zich

zelf te spreken.

"Ge ziet mij zoo aan en denkt zeker, of ik in mijn toestand gelukkig

zijn kan? Nu dan--ik schaam mij bijna het te bekennen--ik gevoel mij

onvergefelijk gelukkig. Ik was als betooverd, als door een ontzettend

benauwenden droom bevangen, waaruit men plotseling ontwaakt, terwijl

men dan ziet, dat die verschrikkingen volstrekt niet werkelijk

bestonden. Nu ben ik ontwaakt. Ik heb vreeselijke oogenblikken

doorleefd, maar nu, in de drie maanden, dat ik hier ben, ben ik, zijn

wij, zoo gelukkig!" Zij zeide dat glimlachend en zag Dolly schuchter

en vragend aan.

"Hoe verheugt mij dat!" antwoordde deze eveneens glimlachend en toch

koeler, dan zij wilde. Zij verheugde zich, maar zij benijdde haar

ook. "Ik verheug mij om uwentwil. Maar waarom hebt gij volstrekt

niet geschreven?"

"Waarom?... Ik durfde niet.... Gij weet, in mijn toestand...."

"Tegenover mij? Gij durfdet niet? Als gij eens wist, hoe ik.... Ik

meen...." Dolly was op den besten weg aan haar gedachten van dien

morgen uitdrukking te geven, maar het scheen haar nu het rechte

oogenblik niet. "Overigens hiervan later! Wat zijn dat voor

gebouwen?" vroeg zij, om het gesprek op een ander onderwerp te

brengen, en wees naar eenige roode en groene daken, die boven het

loof der acacia's en vlierboomen uitstaken. "Dat lijkt waarlijk wel

een kleine stad."

Maar Anna antwoordde haar niet.

"Neen, neen! Hoe denkt ge over mij, over mijn toestand?" vroeg zij.

"Ik meen...." begon Dolly weer, maar op dit oogenblik galoppeerde

Wesslowsky haar op den klepper voorbij, in zijn kort jaquet telkens

zwaar op het leder van het dameszadel neerploffend.

"Het gaat zeer goed, Anna Arkadiewna!" riep hij deze toe.

Anna keek niet eens op, maar weer scheen het Dolly, alsof deze kales

een zeer ongemakkelijke plaats was om er een lang gesprek te beginnen

en daarom kortte zij af, hetgeen zij dacht.

"Ik heb eigenlijk in 't geheel geen meening," zeide zij; "maar ik heb

u altijd liefgehad, en als men liefheeft, dan heeft men den geheelen

mensch lief, zooals hij is, en niet zooals men hem zou wenschen."

Anna kneep de oogen toe (een nieuwe gewoonte, die Dolly nog niet

kende) en wendde zich van haar vriendin af; zij dacht over den zin

harer woorden na. En ze opvattend zooals zij ze wenschte op te vatten,

zag zij Dolly weer aan.

"Als gij zonden hadt, dan zouden ze u alle vergeven worden voor uw

bezoek en voor deze woorden."

Dolly zag, dat haar de tranen in de oogen gekomen waren. Zij drukte

zwijgend Anna's hand.

"Wat zijn dat voor gebouwen?" herhaalde zij haar vraag.

"Dat zijn de woningen onzer fabriek- en landarbeiders," antwoordde

Anna. "En hier begint het park. Alles was zeer verwaarloosd, maar

Alexei hoeft het laten vernieuwen. Hij is aan dit landgoed zeer gehecht

en, wat ik volstrekt niet van hem verwacht heb, hij wijdt zich met vuur

aan den landbouw. Trouwens, wat is hij niet een rijke natuur! Alles,

wat hij aanvangt, zet hij op uitstekende wijze door. Niet alleen dat

hij zich niet verveelt, hij is landman met hart en ziel. Zoo ver ik

het beoordeelen kan, is hij een verstandig, een uitstekend landheer

geworden, in de zaken punctueel, zelfs bijna gierig. Maar ook alleen

in de zaken. Als er overigens van minder dan tienduizend sprake is,

dan rekent hij dit niet eens," voegde zij er bij met een vroolijk,

slim lachje, waarmee vrouwen dikwijls van verborgen, zoo zij meenen,

door hen ontdekte deugden van een bemind man spreken.

"Zie dat groote gebouw maar eens, dat is het nieuwe ziekenhuis; ik

geloof, dat het meer dan honderdduizend roebel zal kosten; dat is nu

zijn trots! En weet ge, hoe dat komt? De boeren hadden hem verzocht

hem een weide goedkooper af te staan, maar hij weigerde het hun en

daarom noemde ik hem gierig; trouwens niet daarom alleen, maar zoo in

het algemeen, en toen begon hij dit ziekenhuis te bouwen, begrijpt

ge, alleen om te toonen, dat hij niet gierig is. Zoo gij wilt, is

dat--c'est une petitesse.--Toch bemin ik hem hierom nog te meer. En

nu zult ge terstond het huis zien. Het is nog het grootouderlijke

huis en van buiten in 't geheel niet veranderd."

"Hoe schoon is het!" riep Dolly in onwillekeurige bewondering uit,

met den blik op het fraaie huis, met zijn deftige zuilenhal, dat nu

uit het in verschillend groen geschakeerde gebladert der oude boomen

te voorschijn kwam. "Niet waar? Is het niet schoon? En van boven,

welk een prachtig uitzicht!" Zij reden het met kiezelzand bestrooide

en met bloemperken getooide voorplein op en hielden voor de deur stil.

"En de andere zijn er reeds," zeide Anna, toen men de rijpaarden

voorbij voerde. "Waar is de graaf?" vroeg zij aan de beide naar buiten

snellende, elegante bedienden.

"Daar is hij," zeide Wronsky, die hen met Wesslowsky te gemoet kwam:

"Waar wilt ge Darja Alexandrowna inkwartieren?" vroeg hij toen in het

Fransch aan Anna en nog eenmaal Dolly begroetend, kuste hij haar de

hand en voegde er bij: "Mij dunkt in de groote balkonkamer."

"O neen, dat is te afgelegen, beter in de hoekkamer, dan zien we

elkaar meer. Hoe lang denkt ge te blijven? Hoe? Slechts een dag? Neen,

dat is onmogelijk."

"Ik heb het beloofd en ... dan de kinders...."

"Neen, Dolly, liefste! Nu, wij zullen zien! Kom!" en zij geleidde

Dolly naar haar kamer. Dit was niet de staatsiekamer, die Wronsky

had voorgeslagen, maar eene andere, die Anna zeide, dat Dolly

moest voor lief nemen. En deze kamer, waarover men zich meende te

moeten verontschuldigen, was met evenveel weelde gestoffeerd als de

voornaamste kamer in een buitenlandsch hôtel.

"En nu, lieve, hoe verheug ik mij over uw komst," zeide Anna, Dolly

kussend. "Je hebt mij nog altijd niet gezegd, hoe je over mij denkt. Ik

wil alles weten. Maar ik verheug mij, dat je nu ook zult zien, hoe

ik ben. Bewijzen wil ik niemand iets. Ik wil slechts leven en niemand

buiten mij wensch ik iets kwaads toe. Hiertoe heb ik toch het recht,

niet waar? Voor het overige is dat een lang thema, maar wij zullen

nog tijd hebben het geheel af te handelen. Nu wil ik me omkleeden en

zal u ook het meisje zenden."

Anna Karenina(#13214) · 第 146 / 196 题