De machinist moest toch den trein van drie uur verzuimen, want Lewin
had hem geheel vergeten. Nadat hij zijn vrouw naar boven geleid had,
was hij naar Dolly's kamer gegaan. Ook deze had heden veel reden tot
smart. Zij ging in de kamer op en neer en sprak toornig tot het in
den hoek staande en schreiende kleine meisje.
"En je zult den geheelen dag daar alleen in den hoek blijven staan
en van middag alleen eten en je zult geen pop te zien krijgen en
je nieuwe jurk wil ik ook niet meer voor je naaien!" zei ze en wist
niet meer hoe ze haar nog meer bestraffen zou. "Foei, wat is dat een
ondeugend kind!" wendde zij zich tot Lewin. "Hoe komt ze toch aan
die afschuwelijke neigingen?"
"Wat heeft zij dan misdaan?" vroeg Lewin tamelijk onverschillig. Hij
was gekomen om in zijn eigen aangelegenheid raad te vragen, en nu
hinderde het hem, dat hij op zulk een ongelegen tijd kwam. Darja
Alexandrowna vertelde nu Mascha's misdaad.
"Dat zijn volstrekt geen afschuwelijke neigingen, maar 't is eenvoudig
stoutheid," stelde Lewin de opgewonden moeder gerust.
"Maar gij schijnt ook slecht geluimd. Om welke reden komt gij?" vroeg
Dolly. "Is er iets gebeurd?"
Aan den toon dezer vraag voelde Lewin, dat het hem licht zou vallen
datgene te zeggen, wat hij zich voorgenomen had.
"Ik was daar juist alleen met Kitty in den tuin. Wij hebben weer met
elkaar getwist, reeds voor de tweede maal, sedert Stiwa hier is."
Dolly's schrandere oogen zeiden hem, dat zij hem begreep.
"Zeg jij me nu eens met de hand op het hart: lag er niet, ik meen
niet in Kitty's gedrag, maar in het gedrag van dezen heer, iets
onaangenaams, ik meen iets dat veel te vrij was, iets beleedigends
voor een echtgenoot? Of hoe zal ik het u toch zeggen...?"
"Blijf daar! Jij moet daar in den hoek blijven staan!" wendde
zich Dolly tot Mascha, die zich bij het eerste, nauwelijks merkbare
glimlachje harer moeder had omgekeerd. "De meening der wereld zal deze
zijn, dat hij zich juist gedraagt als alle andere jongelieden. Il fait
la cour à une jeune et jolie femme, en een man, die zijn wereld kent,
mag zich daardoor slechts gestreeld gevoelen."
"Ja, ja," zeide Lewin wrevelig. "Dus gij hebt het ook bemerkt?"
"Ik niet alleen, Stiwa ook. Hij zeide dadelijk na de thee tot mij:
'je crois, que Wesslowsky fait un petit brin de cour à Kitty.'"
"Nu, dat is goed. Nu ben ik gerust. Ik zal hem het huis uitjagen,"
verzekerde Lewin.
"Wat komt je in den zin! Ben je dol?" riep zij verschrikt uit. "Bezin
je toch, Kostja," voegde zij er toen lachend bij. "Je kunt nu naar
Fanny gaan," zeide zij tot Mascha. "Neen, hoor eens, als ge wilt,
zeg ik het liever aan Stiwa. Hij zal hem wel met goed fatsoen weg
zien te krijgen. Hij kan zeggen, dat gij andere gasten verwacht. Hij
past trouwens ook niet in ons huis."
"Neen, neen! Ik wil er zelf voor zorgen."
"Maar gij zult met hem in twist geraken!"
"Volstrekt niet. Het zal heel amusant zijn," zeide Lewin en zijn oogen
schitterden inderdaad vroolijk. "En nu, vergeef haar maar. Zij zal
het niet weer doen," zeide hij met het oog op de kleine misdadige,
die nog niet naar Fanny gegaan was, maar besluiteloos naast haar
moeder stond en met gebogen hoofd een blik van deze zocht op te vangen.
De moeder zag haar aan, het kind begon te snikken en verborg haar
gezichtje tusschen de knieën harer moeder, en deze legde haar tengere,
magere hand op haar hoofdje.
"Wat heeft zich al niet in mijn huis genesteld!" dacht Lewin en ging
heen om Wesslowsky te zoeken.
In de voorkamer gaf hij het bevel de kales aan te spannen, daar deze
terstond naar het station moest rijden.
"Er is gisteren een veer van gebroken," zeide de bediende.
"Nu, dan de tarantas! Maar vlug! Waar is onze gast?"
"Die is juist in zijn kamer gegaan."
Lewin trof Wesslowsky juist op het oogenblik, dat hij zijn goed had
uitgepakt en de beide romancen had gereed gelegd; nu paste hij zijn
nieuwe rijslobkousen aan.
Had nu Lewin iets bizonders in zijn gezicht of had Wesslowsky
zelf het gevoel, dat ce brin de cour, dat hij op touw had gezet,
in deze familie niet op zijn plaats was? Genoeg, hij werd bij Lewins
binnentreden een weinig verlegen, voor zoo ver een man van de wereld
verlegen kan worden.
"Dus, gij rijdt met slobkousen weg?"
"Ja, dat is veel zuidelijker," antwoordde Wesslowsky, zette zijn
welgedaan been op den stoel, liet de onderste veer inspringen en
lachte goedig.
Hij was zonder twijfel een goede vent en Lewin had medelijden met
hem; deze schaamde zich voor zich zelf als huisheer, toen hij de
verlegenheid in Wesslowsky's blik bemerkte.
Op de tafel lag het einde van een stok, dien zij 's morgens bij het
gymnastiseeren gebroken hadden. Lewin nam dit stuk in de handen,
begon het gespleten einde te breken, daar hij niet wist, hoe hij
beginnen zou.
"Ik wilde...." Hij zweeg een oogenblik, maar plotseling herinnerde
hij zich Kitty en al het voorgevallene, en vastberaden blikte hij
hem in de oogen en zeide: "Ik heb de paarden voor u laten aanspannen,
gij komt nog bij tijds voor het vertrek van den trein."
"Hoe meent ge dat?" begon Wesslowsky: "Wie zou wegrijden?"
"Gij, naar het spoor!" zei Lewin norsch.
"Ik? Wat is er dan gebeurd?"
"Er is niets gebeurd, ik verwacht gasten!" zeide Lewin nu heftiger en
brak met zijn sterke vingers de gespleten einden van den stok af. "Of
ik verwacht ook geen gasten en er is niets gebeurd. Maar ik verzoek
u te vertrekken. Vat mijn onbeleefdheid op, zooals ge wilt."
Wesslowsky richtte zich hoog op.
"Ik verzoek u mij te willen verklaren...." zei hij waardig en eindelijk
begrijpend.
"Ik kan het u niet verklaren," zeide Lewin langzaam en zacht, terwijl
hij moeite deed het beven van zijn kin te verbergen. "En het is beter,
wanneer gij niet vraagt."
En daar de gespleten einden reeds alle afgebroken waren, brak Lewin
den stok zelf door en ving voorzichtig met de hand een afgevallen
splinter op.
Misschien overtuigden de aanblik van deze gespierde handen, die
hij dien morgen bij het gymnastiseeren had leeren kennen en ook
de schitterende oogen, de zachte stem en de bevende kin Wesslowsky
meer dan Lewins woorden. Hij haalde de schouders op en boog met een
verachtelijk lachje.
"Kan ik Oblonsky nog eens spreken?"
Het schouderophalen en het glimlachje maakten op Lewin geen
indruk. "Wat blijft hem anders over?" dacht hij.
"Ik zal hem terstond bij u zenden."
"Maar wat is dat voor een onzin?" zeide Stipan Arkadiewitsch nadat hij
van zijn vriend vernomen had, dat men hem uit het huis had weggezonden,
tot Lewin, dien hij wandelende in den tuin vond, wachtende op het
vertrek van zijn gast. "Mais c'est ridicule! Wat voor een vlieg heeft
je gestoken? Mais c'est du dernier ridicule! Wat kun je daar nu achter
zoeken, wanneer een jonge man...."
Maar de plaats, waar de vlieg Lewin gestoken had, scheen nog zeer te
doen; hij verbleekte weer, toen hij Stipan Arkadiewitsch de reden wilde
zeggen en brak daarom kort af. "Ik bid u, laten wij alle verklaringen
achterwege. Ik kan niet anders. Ik schaam mij voor u en hem. Maar
voor hem zal het wel geen groot verlies zijn van hier weg te moeten,
mij en mijne vrouw daarentegen is zijn tegenwoordigheid lastig."
"Maar het is een beleediging voor hem. Et puis, c'est ridicule!"
"En hij is voor mij een beleediging en een plaag. En ik ben geheel
onschuldig en behoef niet te lijden."
"Nu, dat had ik van u niet verwacht. On peut être jaloux, mais à ce
point, c'est du dernier ridicule."
Lewin keerde zich snel om en verwijderde zich verder in de allee,
waar hij weer op en neer begon te gaan. Weldra hoorde hij het rollen
van de tarantas en zag door de boomen, hoe Wesslowsky op het hooi
zat (ongelukkig bevond zich op de tarantas geen bank) met zijn
schotsch mutsje, bij iederen stoot in de hoogte vloog, en zoo de
allee inreed. "Nu? Wat is dat?" dacht Lewin, toen hij plotseling zag,
dat hem uit het huis een bediende kwam naloopen en de tarantas stil
liet houden.
Het was de Duitsche machinist. Deze boog zich, sprak iets met
Wesslowsky, besteeg toen de tarantas en beiden reden heen.
Stipan Arkadiewitsch en de vorstin lieten nu Lewin geen rust om hem
wegens zijn handelwijze beschaamd te maken. Hij gevoelde zich toen
ook in den hoogsten graad ridicule en schaamde zich, maar in den
grond van zijn hart bleef hij kalm, en terwijl hij zich afvroeg, hoe
hij op een anderen keer onder gelijke omstandigheden zou handelen,
zeide hij bij zich zelf: "volkomen zooals nu!"
Ondanks dit belachelijk voorval waren allen tegen het einde van dezen
dag zeer vroolijk en opgewekt, evenals kinderen na een straf of als
volwassenen na een lastige, officiëele receptie. Des avonds sprak men
van Wassenska's verdrijving als van iets, dat lang geleden gebeurd
was. En Dolly, die van haar vader de gave geërfd had hoogst komiek
te vertellen, liet allen bijna van het lachen van hun stoel vallen,
toen zij voor de derde of vierde maal, maar steeds in veranderden
poëtisch humoristischen vorm, vertelde, hoe zij, toen zij juist
begonnen was zich ter eere van den gast met nieuwe strikken te
tooien, plotseling het ratelen van het oude voertuig gehoord had,
en wie zat daarin? Hij zelf, Wesslowsky, met zijn Schotsch mutsje,
met zijn romancen en slobkousen, midden in het hooi.
"En als gij nog de koets hadt laten aanspannen! Daar hoor ik
plotseling: Halt, halt! Ach, denk ik nu, men heeft zich toch nog over
hem erbarmd! Ik kijk naar buiten en ziedaar, men zet den Duitscher
nog bij hem in en voorwaarts gaan ze....En al mijn strikken en linten
waren nutteloos...."