XVI.

De machinist moest toch den trein van drie uur verzuimen, want Lewin

had hem geheel vergeten. Nadat hij zijn vrouw naar boven geleid had,

was hij naar Dolly's kamer gegaan. Ook deze had heden veel reden tot

smart. Zij ging in de kamer op en neer en sprak toornig tot het in

den hoek staande en schreiende kleine meisje.

"En je zult den geheelen dag daar alleen in den hoek blijven staan

en van middag alleen eten en je zult geen pop te zien krijgen en

je nieuwe jurk wil ik ook niet meer voor je naaien!" zei ze en wist

niet meer hoe ze haar nog meer bestraffen zou. "Foei, wat is dat een

ondeugend kind!" wendde zij zich tot Lewin. "Hoe komt ze toch aan

die afschuwelijke neigingen?"

"Wat heeft zij dan misdaan?" vroeg Lewin tamelijk onverschillig. Hij

was gekomen om in zijn eigen aangelegenheid raad te vragen, en nu

hinderde het hem, dat hij op zulk een ongelegen tijd kwam. Darja

Alexandrowna vertelde nu Mascha's misdaad.

"Dat zijn volstrekt geen afschuwelijke neigingen, maar 't is eenvoudig

stoutheid," stelde Lewin de opgewonden moeder gerust.

"Maar gij schijnt ook slecht geluimd. Om welke reden komt gij?" vroeg

Dolly. "Is er iets gebeurd?"

Aan den toon dezer vraag voelde Lewin, dat het hem licht zou vallen

datgene te zeggen, wat hij zich voorgenomen had.

"Ik was daar juist alleen met Kitty in den tuin. Wij hebben weer met

elkaar getwist, reeds voor de tweede maal, sedert Stiwa hier is."

Dolly's schrandere oogen zeiden hem, dat zij hem begreep.

"Zeg jij me nu eens met de hand op het hart: lag er niet, ik meen

niet in Kitty's gedrag, maar in het gedrag van dezen heer, iets

onaangenaams, ik meen iets dat veel te vrij was, iets beleedigends

voor een echtgenoot? Of hoe zal ik het u toch zeggen...?"

"Blijf daar! Jij moet daar in den hoek blijven staan!" wendde

zich Dolly tot Mascha, die zich bij het eerste, nauwelijks merkbare

glimlachje harer moeder had omgekeerd. "De meening der wereld zal deze

zijn, dat hij zich juist gedraagt als alle andere jongelieden. Il fait

la cour à une jeune et jolie femme, en een man, die zijn wereld kent,

mag zich daardoor slechts gestreeld gevoelen."

"Ja, ja," zeide Lewin wrevelig. "Dus gij hebt het ook bemerkt?"

"Ik niet alleen, Stiwa ook. Hij zeide dadelijk na de thee tot mij:

'je crois, que Wesslowsky fait un petit brin de cour à Kitty.'"

"Nu, dat is goed. Nu ben ik gerust. Ik zal hem het huis uitjagen,"

verzekerde Lewin.

"Wat komt je in den zin! Ben je dol?" riep zij verschrikt uit. "Bezin

je toch, Kostja," voegde zij er toen lachend bij. "Je kunt nu naar

Fanny gaan," zeide zij tot Mascha. "Neen, hoor eens, als ge wilt,

zeg ik het liever aan Stiwa. Hij zal hem wel met goed fatsoen weg

zien te krijgen. Hij kan zeggen, dat gij andere gasten verwacht. Hij

past trouwens ook niet in ons huis."

"Neen, neen! Ik wil er zelf voor zorgen."

"Maar gij zult met hem in twist geraken!"

"Volstrekt niet. Het zal heel amusant zijn," zeide Lewin en zijn oogen

schitterden inderdaad vroolijk. "En nu, vergeef haar maar. Zij zal

het niet weer doen," zeide hij met het oog op de kleine misdadige,

die nog niet naar Fanny gegaan was, maar besluiteloos naast haar

moeder stond en met gebogen hoofd een blik van deze zocht op te vangen.

De moeder zag haar aan, het kind begon te snikken en verborg haar

gezichtje tusschen de knieën harer moeder, en deze legde haar tengere,

magere hand op haar hoofdje.

"Wat heeft zich al niet in mijn huis genesteld!" dacht Lewin en ging

heen om Wesslowsky te zoeken.

In de voorkamer gaf hij het bevel de kales aan te spannen, daar deze

terstond naar het station moest rijden.

"Er is gisteren een veer van gebroken," zeide de bediende.

"Nu, dan de tarantas! Maar vlug! Waar is onze gast?"

"Die is juist in zijn kamer gegaan."

Lewin trof Wesslowsky juist op het oogenblik, dat hij zijn goed had

uitgepakt en de beide romancen had gereed gelegd; nu paste hij zijn

nieuwe rijslobkousen aan.

Had nu Lewin iets bizonders in zijn gezicht of had Wesslowsky

zelf het gevoel, dat ce brin de cour, dat hij op touw had gezet,

in deze familie niet op zijn plaats was? Genoeg, hij werd bij Lewins

binnentreden een weinig verlegen, voor zoo ver een man van de wereld

verlegen kan worden.

"Dus, gij rijdt met slobkousen weg?"

"Ja, dat is veel zuidelijker," antwoordde Wesslowsky, zette zijn

welgedaan been op den stoel, liet de onderste veer inspringen en

lachte goedig.

Hij was zonder twijfel een goede vent en Lewin had medelijden met

hem; deze schaamde zich voor zich zelf als huisheer, toen hij de

verlegenheid in Wesslowsky's blik bemerkte.

Op de tafel lag het einde van een stok, dien zij 's morgens bij het

gymnastiseeren gebroken hadden. Lewin nam dit stuk in de handen,

begon het gespleten einde te breken, daar hij niet wist, hoe hij

beginnen zou.

"Ik wilde...." Hij zweeg een oogenblik, maar plotseling herinnerde

hij zich Kitty en al het voorgevallene, en vastberaden blikte hij

hem in de oogen en zeide: "Ik heb de paarden voor u laten aanspannen,

gij komt nog bij tijds voor het vertrek van den trein."

"Hoe meent ge dat?" begon Wesslowsky: "Wie zou wegrijden?"

"Gij, naar het spoor!" zei Lewin norsch.

"Ik? Wat is er dan gebeurd?"

"Er is niets gebeurd, ik verwacht gasten!" zeide Lewin nu heftiger en

brak met zijn sterke vingers de gespleten einden van den stok af. "Of

ik verwacht ook geen gasten en er is niets gebeurd. Maar ik verzoek

u te vertrekken. Vat mijn onbeleefdheid op, zooals ge wilt."

Wesslowsky richtte zich hoog op.

"Ik verzoek u mij te willen verklaren...." zei hij waardig en eindelijk

begrijpend.

"Ik kan het u niet verklaren," zeide Lewin langzaam en zacht, terwijl

hij moeite deed het beven van zijn kin te verbergen. "En het is beter,

wanneer gij niet vraagt."

En daar de gespleten einden reeds alle afgebroken waren, brak Lewin

den stok zelf door en ving voorzichtig met de hand een afgevallen

splinter op.

Misschien overtuigden de aanblik van deze gespierde handen, die

hij dien morgen bij het gymnastiseeren had leeren kennen en ook

de schitterende oogen, de zachte stem en de bevende kin Wesslowsky

meer dan Lewins woorden. Hij haalde de schouders op en boog met een

verachtelijk lachje.

"Kan ik Oblonsky nog eens spreken?"

Het schouderophalen en het glimlachje maakten op Lewin geen

indruk. "Wat blijft hem anders over?" dacht hij.

"Ik zal hem terstond bij u zenden."

"Maar wat is dat voor een onzin?" zeide Stipan Arkadiewitsch nadat hij

van zijn vriend vernomen had, dat men hem uit het huis had weggezonden,

tot Lewin, dien hij wandelende in den tuin vond, wachtende op het

vertrek van zijn gast. "Mais c'est ridicule! Wat voor een vlieg heeft

je gestoken? Mais c'est du dernier ridicule! Wat kun je daar nu achter

zoeken, wanneer een jonge man...."

Maar de plaats, waar de vlieg Lewin gestoken had, scheen nog zeer te

doen; hij verbleekte weer, toen hij Stipan Arkadiewitsch de reden wilde

zeggen en brak daarom kort af. "Ik bid u, laten wij alle verklaringen

achterwege. Ik kan niet anders. Ik schaam mij voor u en hem. Maar

voor hem zal het wel geen groot verlies zijn van hier weg te moeten,

mij en mijne vrouw daarentegen is zijn tegenwoordigheid lastig."

"Maar het is een beleediging voor hem. Et puis, c'est ridicule!"

"En hij is voor mij een beleediging en een plaag. En ik ben geheel

onschuldig en behoef niet te lijden."

"Nu, dat had ik van u niet verwacht. On peut être jaloux, mais à ce

point, c'est du dernier ridicule."

Lewin keerde zich snel om en verwijderde zich verder in de allee,

waar hij weer op en neer begon te gaan. Weldra hoorde hij het rollen

van de tarantas en zag door de boomen, hoe Wesslowsky op het hooi

zat (ongelukkig bevond zich op de tarantas geen bank) met zijn

schotsch mutsje, bij iederen stoot in de hoogte vloog, en zoo de

allee inreed. "Nu? Wat is dat?" dacht Lewin, toen hij plotseling zag,

dat hem uit het huis een bediende kwam naloopen en de tarantas stil

liet houden.

Het was de Duitsche machinist. Deze boog zich, sprak iets met

Wesslowsky, besteeg toen de tarantas en beiden reden heen.

Stipan Arkadiewitsch en de vorstin lieten nu Lewin geen rust om hem

wegens zijn handelwijze beschaamd te maken. Hij gevoelde zich toen

ook in den hoogsten graad ridicule en schaamde zich, maar in den

grond van zijn hart bleef hij kalm, en terwijl hij zich afvroeg, hoe

hij op een anderen keer onder gelijke omstandigheden zou handelen,

zeide hij bij zich zelf: "volkomen zooals nu!"

Ondanks dit belachelijk voorval waren allen tegen het einde van dezen

dag zeer vroolijk en opgewekt, evenals kinderen na een straf of als

volwassenen na een lastige, officiëele receptie. Des avonds sprak men

van Wassenska's verdrijving als van iets, dat lang geleden gebeurd

was. En Dolly, die van haar vader de gave geërfd had hoogst komiek

te vertellen, liet allen bijna van het lachen van hun stoel vallen,

toen zij voor de derde of vierde maal, maar steeds in veranderden

poëtisch humoristischen vorm, vertelde, hoe zij, toen zij juist

begonnen was zich ter eere van den gast met nieuwe strikken te

tooien, plotseling het ratelen van het oude voertuig gehoord had,

en wie zat daarin? Hij zelf, Wesslowsky, met zijn Schotsch mutsje,

met zijn romancen en slobkousen, midden in het hooi.

"En als gij nog de koets hadt laten aanspannen! Daar hoor ik

plotseling: Halt, halt! Ach, denk ik nu, men heeft zich toch nog over

hem erbarmd! Ik kijk naar buiten en ziedaar, men zet den Duitscher

nog bij hem in en voorwaarts gaan ze....En al mijn strikken en linten

waren nutteloos...."

Anna Karenina(#13214) · 第 143 / 196 题