Den volgenden morgen, nadat Lewin zijn landgoed geïnspecteerd had,
klopte hij aan Wesslowsky's deur.
"Entrez!" riep deze hem toe. "Ge moet mij excuseeren! Ik heb eerst
zooeven mijn ablutions voleindigd," zeide hij toen met een fijn lachje
en stond in zijn hemd voor hem.
"Ik bid u, geneer je niet," antwoordde Lewin en ging aan het venster
zitten. "Heb je goed geslapen?"
"Als een os. Gaan we vandaag weer op de jacht?"
"Wil je thee of koffie drinken?"
"Noch het een, noch het ander. Ik zal slechts wat eten. Ik moet mij
waarlijk schamen. De dames zullen al wel op zijn? Nu zou een kleine
wandeling zeer aangenaam wezen. Laat mij toch uw paarden eens zien."
Na een kleine wandeling in den tuin gingen ze naar den stal,
gymnastiseerden samen een tijdlang aan den rekstok, gingen daarop
het huis weer binnen en Lewin trad met zijn gast in het salon.
"Wij hebben een heele mooie jacht gehad en aardige dingen beleefd,"
zeide Wesslowsky tot Kitty, die achter den samowar zat. "Hoe jammer,
dat de dames van zulke genoegens beroofd zijn!"
"Hm! Wat schaadt het? Hij moet toch met de vrouw des huizes
spreken!" dacht Lewin. Maar toch scheen hem weer in het lachje in
de zegevierende wijze, waarop hij zich tot Kitty richtte, iets te
zijn, dat....
De vorstin, die met Marie Wlassnewja en Stipan Arkadiewitsch aan de
andere zijde zat, riep Lewin bij zich en begon met hem een gesprek
over de opwindende vragen: wanneer er om Kitty's bevalling naar Moskou
verhuisd zou worden en hoe men daar hun woning zou inrichten.
Voor Lewin waren al deze voorbereidselen onaangenaam, zij kwetsten de
verhevenheid van de naderende gebeurtenis, waarvan men het tijdstip
op den dag af op de vingers uitrekende op een wijze, die voor hem
stuitend was. Hij gaf zich moeite al de gesprekken, hoe het pasgeboren
kind ingewikkeld zou worden, niet te hooren en wendde zich af om die
geheimzinnige, eindeloos lange, gehaakte strepen en zekere driehoekige
doeken van linnen, waaraan Dolly een bizondere opmerkzaamheid en zorg
wijdde, niet te zien. De geboorte van een zoon--Lewin was er vast van
overtuigd, dat het een zoon zou zijn--waarvan men tot hem sprak en
waaraan hij toch nog niet geloofde, scheen hem zulk een ongehoorde
gebeurtenis, zulk een overgroot en daarom schier onmogelijk geluk,
en van den anderen kant weer zulk een geheimzinnig iets, dat hem
deze aanmatigende voorwetenschap en vooruitbepaling van de dingen,
die nog komen moesten, en de voorbereidselen daartoe, als voor iets
geheel gewoons, voor iets, dat door menschen tot stand gebracht kon
worden, stuitend en vernederend toeschenen.
Maar de vorstin begreep zijn gevoel niet; zij hield dus zijn onwil
om er over te spreken en te beraadslagen voor lichtzinnigheid en
onverschilligheid en liet hem nu in 't geheel geen rust meer. Zij
had Stipan Arkadiewitsch reeds opgedragen een woning te zoeken en
riep Lewin nu bij zich.
"Ik weet er niets van, vorstin," zeide hij: "doe, zooals u wil."
"Wij moeten toch beslissen, wanneer gij zult verhuizen."
"Dat weet ik waarlijk niet. Ik weet slechts, dat milioenen kinderen
zonder Moskou en zonder dokter geboren worden.... Waarom dan...."
"Goed, wanneer ge dat meent...."
"Neen, zooals Kitty wil."
"Met Kitty kan men daarover niet spreken. Wilt ge misschien, dat
zij bang gaat worden? Nog in dit voorjaar is Natalie Golizin door de
schuld van een slecht verloskundige gestorven."
"Wat gij zegt. Ik stem er immers volkomen in toe," zeide hij norsch.
De vorstin begon hem nu allerlei dingen uit te leggen, maar hij
luisterde er niet naar. Doch niet alleen het gesprek met de vorstin
ontstemde hem, maar veeleer datgene, wat hij bij den samowar waarnam.
"Neen, dat is niet mogelijk!" dacht hij van tijd tot tijd, toen hij
naar den naar Kitty gebogen Wesslowsky keek, die met zijn innemend
lachje iets tot haar zeide, waarover zij bloosde en zich scheen op
te winden. Er lag iets onkiesch' in Wesslowsky, in zijn houding, in
zijn blik, in zijn glimlach. Lewin bespeurde ook zelfs iets onkiesch
in Kitty's houding en blik. Hij gevoelde zich weer even als gisteren
plotseling van het toppunt van zijn geluk, van zijn vrede, van zijn
waardigheid naar beneden gestort in een afgrond vol vertwijfeling,
boosheid en schande. Weer stonden alle dingen en menschen hem tegen.
"Doe, wat u wil, vorstin," zeide hij, zich afwendend.
"Zwaar is de muts van den Monomach!" zeide Stipan Arkadiewitsch
schertsend tot hem, minder doelende op het gesprek met de vorstin, dan
wel op de reden van Lewins opgewondenheid. "Wat kom je van morgen laat,
Dolly!" Allen stonden op om Dolly te begroeten. Alleen Wesslowsky
verhief zich slechts even en met de aan onze tegenwoordige jonge
mannen eigene onbeleefdheid tegenover dames, groette hij nauwelijks
en zette zijn gesprek met Kitty voort.
"Mascha heeft mij zoo geplaagd. Zij heeft slecht geslapen en is nu
heel stout," zeide Dolly.
Wesslowsky had weder hetzelfde onderwerp als gisteren gekozen, hij
sprak namelijk over Anna en of men de liefde hooger moest stellen
dan de bestaande maatschappelijke instellingen.
Voor Kitty was dit gesprek onaangenaam, het onderwerp wond haar op,
ook de toon, waarop hij het behandelde, vooral, omdat zij wist, hoe
het op haar echtgenoot werken zou. Maar zij was te eenvoudig en te
onschuldig om te begrijpen, hoe zij aan dit gesprek een einde moest
maken en om het oppervlakkige genoegen te verbergen, dat haar toch de
klaarblijkelijke opmerkzaamheid van dezen jongen man veroorzaakte. En
hoe en waarom zou ze het onderwerp van hun gesprek ook veranderen? Zij
wist, dat, hoe zij zich ook mocht houden, haar man het bemerken en
ten kwade duiden zou.
"Zullen wij vandaag niet eens uitrijden om paddestoelen te
zoeken?" vroeg Dolly.
"O ja wel, dat moeten we doen! Ik rijd ook mee!" zeide Kitty
blozend. Uit beleefdheid wilde zij Wesslowsky vragen, of hij mede wilde
gaan, maar zij liet het na; daarentegen vroeg zij met een schuldige
uitdrukking in 't gelaat aan haar man, die hen juist met vasten tred
voorbij ging: "Waar gaat ge heen, Kostja?" Deze schuldige houding
bevestigde al zijn twijfel.
"De machinist is aangekomen. Ik heb hem nog niet gesproken," antwoordde
hij zonder haar aan te zien.
Hij ging naar beneden, maar hij had nog nauwelijks zijn kamer weer
verlaten, toen hij de schreden zijner vrouw vernam, die onvoorzichtig
snel achter hem aan kwam.
"Wat wil je?" vroeg hij droog; "wij hebben het druk."
"Excuseer," wendde hij zich tot den Duitschen machinist; "ik heb
slechts eenige woorden met mijn man te spreken."
De Duitscher wilde zich verwijderen; maar Lewin wendde zich tot hem:
"Laat u niet storen."
"Gaat de trein om drie uur?" vroeg de Duitscher. "Ik zou mij niet
gaarne verlaten!"
Lewin ging met zijn vrouw naar buiten.
"Wat hebt ge mij dan te zeggen?" vroeg hij in het Fransch. Hij vermeed
haar blik; hij wilde niet zien, hoe zij in haar toestand over het
geheele lichaam sidderde en er vernietigd en ongelukkig uitzag.
"Ik.... Ik wil zeggen, dat men zoo niet leven kan, dat het een kwelling
is...." zeide zij.
"Er zijn menschen in de buffetkamer," antwoordde hij verdrietig:
"maak geen scène."
"Dan willen wij hier binnengaan."
Zij bevonden zich in de voorkamer. Kitty wilde in de kamer daar naast
gaan, maar daar gaf juist de Engelsche les aan Tanja.
"Laat ons in den tuin gaan!"
Maar in den tuin kwam hen een boer tegen, die de paden
schoonmaakte. Maar zij dacht er niet meer aan, dat de boer haar
beschreid en opgewonden gezicht zien kon, zij dacht er niet aan, dat
zij er uitzagen als menschen, die een ongeluk getroffen heeft; haastig
schreden zij voort, met het besef, dat zij zich moesten verklaren,
dat zij met elkander alleen blijven en zich van de kwelling bevrijden
moesten, die zij beiden ondervonden.
"Zoo kan men niet verder leven! Ik lijd. Gij lijdt. Waarom?" zeide zij,
nadat zij eindelijk een eenzame bank gevonden had, in den laatsten
hoek naast de lindenlaan.
"Zeg mij slechts één ding: lag er in zijn toon iets ongepasts,
onbeleefds, vernederends?" vroeg hij en ging weer in dezelfde houding
voor haar staan als in den bewusten nacht, namelijk met de vuisten
voor de borst.
"Ja, er was zoo iets," antwoordde zij snikkend; "maar, Kostja, ziet gij
dan niet in, dat ik geen schuld heb. Reeds terstond vanmorgen wilde ik
een bepaalden toon aanslaan.... Maar deze soort van menschen.... Waarom
is hij toch gekomen? Wij waren immers zoo gelukkig!"
Wat zou de vorstin gezegd hebben, als zij nu haar dochter bijna in
haar tranen stikkend had gezien?
De tuinman, die hen eerst tot zijn verbazing had zien heen-snellen,
alsof zij vervolgd werden, zag hen nu weer met kalme, van vreugde
stralende gezichten naar huis terugkeeren, hoewel ze toch niets
verblijdends op de bank konden hebben gevonden.