XIV.

Het was tegen tien uur 's morgens, toen Lewin moede, hongerig en zeer

opgeruimd van een gelukkige jacht met dertien stuks watersnippen en

een eend naar den molen terugkeerde. Zijn kameraden waren intusschen

ook reeds ontwaakt en zaten aan het ontbijt.

"Wacht eens, wacht eens!" zeide Lewin. "Ik weet, er waren er negentien

in 't geheel!" en voor de tweedemaal werden de bloedige op zijde

gebogen koppen der watersnippen en groote snippen geteld, die er nu

niet meer zoo trotsch uitzagen, als toen ze waren uitgevlogen. De

rekening kwam uit, en Stipans ijverzucht deed Lewin goed. Nog een

tweede genoegen wachtte hem. De door Kitty uitgezonden bode te paard

bracht haar brief.

"Ik ben gezond en welgemoed," schreef zij. "Gij kunt omtrent mij gerust

zijn. Mijn nieuwe lijfwacht, Marie Wlassnewja, (het was de vroedvrouw,

voortaan een nieuw en gewichtig personage in Lewins familieleven) is

gekomen om naar mij te zien. Zij heeft mij volkomen gezond bevonden,

maar toch willen wij haar tot uw thuiskomst hier houden. Ook al de

overigen zijn gezond en vroolijk, ik bid u, haast u om onzentwille

niet en, gaat de jacht goed, blijf dan nog maar een dag."

Deze beide redenen tot vreugde, de gelukkige jacht en het briefje

zijner vrouw, wogen volkomen op tegen twee kleine onaangenaamheden,

die hem wachtten. De eene was, dat het handpaard zich gisteren

overwerkt had en daarom vandaag niets eten wilde en moedeloos voor

zich uit stond te kijken. De andere onaangenaamheid, die in het

eerste oogenblik zijn goede luim geheel scheen te zullen bederven,

was, dat van al den mondvoorraad, dien Kitty hun zoo overvloedig had

meegegeven, dat men had kunnen gelooven, dat zij dien in een week

niet hadden kunnen verteren, niets meer was overgebleven. Toen Lewin

nu moede en hongerig terugkeerde, zweefden de pasteien en vooral het

koude gebraad zoo levendig voor zijn verbeelding, dat hij ze reeds

meende te ruiken en te proeven. Hij zond daarom den koetsier Philip

terstond heen om hem er van te brengen. Doch ziedaar! er waren geen

kuikens meer en ook geen vleesch.

"Ja, die daar heeft een fameusen eetlust!" zeide Stipan naar Wesslowsky

wijzend. "Ik lijd nu juist ook niet aan gebrek aan eetlust, maar met

dien.... Neen, dat is iets verwonderlijks!"

"Nu, dan is er niets aan te doen," antwoordde Lewin en zag Wesslowsky

donker aan. "Breng mij dan wat van de pasteien, Philip."

"Er zijn ook geen pasteien meer," antwoordde Philip.

Dat speet Lewin zeer, zoodat hij op geraakten toon zeide, dat zij

toch ook wel iets voor hem hadden kunnen overlaten.

"Nu, maak deze watersnippen dan schoon," wendde hij zich tot Philip;

zijn stem beefde van toorn en hij vermeed het Wesslowsky aan te

zien! "Doe er brandnetels in en breng mij eerst melk."

Later, toen hij zich met melk verzadigd had, schaamde hij zich,

dat hij zijn verdrietige stemming aan zijn gasten had getoond en

schertste hij over zijn hongerige boosheid.

Des avonds jaagden zij nog een veld af en keerden des nachts

vroolijk naar huis terug. De terugrit deed aan vroolijkheid voor den

heenrit niet onder. Wesslowsky zong voortdurend en herinnerde zich

met verrukking zijn avontuur bij de boeren, die hem met brandewijn

vrijgehouden en daarbij gedurig gezegd hadden: "Neem het niet kwalijk;"

dan weer sprak hij van de noten en de dorpsmeisjes en van den boer,

die hem gevraagd had, of hij al getrouwd was en die, toen hij vernam,

dat dit nog niet het geval was, groot medelijden met Wesslowsky had

gehad; bizonder koddig schenen hem echter de woorden van den boer:

"je moet de vreemde vrouwen niet aankijken, maar zorgen, dat je er

zelf een krijgt."

"Over 't geheel ben ik over dit uitstapje zeer voldaan. En gij, Lewin?"

"Ik ben ook zeer tevreden," antwoordde Lewin, voor wien het een groote

voldoening was, dat hij geen vijandig gevoel meer tegen Wesslowsky

koesterde, maar dat hij integendeel zeer vriendschappelijk jegens

hem gezind was.

Anna Karenina(#13214) · 第 141 / 196 题