XIII.

Toen Lewin en Stipan Arkadiewitsch aan de molenaarswoning kwamen,

was Wesslowsky daar reeds binnen gegaan. Hij zat in het midden der

hut en lachte op zijn vroolijke, aanstekelijke manier, terwijl hij

zich met beide handen aan de tafel vasthield en zich door een soldaat,

den broeder der molenaarsvrouw, de laarzen liet uittrekken.

"Ik ben ook nu pas gekomen," riep hij de binnentredenden te gemoet;

"ils ont été charmants!" Denkt een aan: niet alleen te drinken, ook te

eten hebben ze mij gegeven, en welk een gebak! Delicieux! En nooit heb

ik een beteren borrel gedronken! Maar zij wilden absoluut geen geld

aannemen, in tegendeel, zij zeiden nog altijd: "Neem het niet kwalijk!"

"Waarom zouden zij ook geld aannemen. Zij wilden u tracteeren; en zij

hebben geen brandewijn te koop," zeide de soldaat, die hem eindelijk

de eene laars met de natte kous uittrok.

Ondanks het vuil in de boerenkamer, dat de jagers met hun laarzen en

de beslijkte honden, die zich hevig schudden, er in hadden gebracht,

ondanks modder- en kruitlucht en ondanks het gerammel van messen en

vorken, gebruikten de jagers hun thee en hun avondmaal met een eetlust,

die alleen de jacht te weeg brengt.

Toen, na zich gereinigd en gewasschen te hebben, begaven zij zich

naar een aangeveegden hooizolder, waar de koetsier reeds het leger

voor de heeren bereid had.

Hoewel het reeds donker was, had toch geen der jagers lust tot slapen.

Nadat zij elkaar een tijdlang met herinneringen, anecdoten en

jachtverhalen hadden onderhouden, kwam hun gesprek op een thema, dat al

hun belangstelling tot zich trok. Oblonsky had van een jacht verteld,

waaraan hij den vorigen zomer op het landgoed van een zekeren heer

Maltus had deelgenomen. Maltus was een bekend spoorwegkoning, die de

gezelligheid zeer beminde en dien Stipan Arkadiewitsch uit den grond

van zijn hart een kerel van goud noemde. Hij had verteld, hoe deze

Maltus in het Twerskoïsche gouvernement groote moerassen gepacht had,

hij beschreef de wagens en paarden, die de jagers daarheen hadden

gebracht en de tent, die men voor het ontbijt in de nabijheid der

moerassen had opgeslagen.

"Ik begrijp niet," zeide Lewin zich uit het hooi oprichtende, "dat

zulke menschen u niet tegenstaan. Ik begrip wel, dat een ontbijt

met Lafitte iets heel aangenaams is, maar is het mogelijk, dat zulke

weelde u niet tegen de borst stond? Al deze menschen--vroeger waren

zij onze brandewijnpachters--verwerven zich een groot fortuin, maar op

een wijze, waardoor zij toch de verachting van ieder verdienen; deze

verachting is hun echter volkomen onverschillig, want met hun op zoo

oneerlijke wijze verworven geld koopen zij zich van de verachting los."

"Ja, dat is waar," bevestigde Wesslowsky; "volkomen waar! Trouwens

Oblonsky doet het uit bonhommie, maar anderen zeggen toch: 'Oblonsky

bezoekt ze....'"

"Neen, volstrekt niet!" Lewin hoorde, hoe Oblonsky dit lachend zeide:

"Ik houd hem eenvoudig voor niets oneerlijker dan ieder rijk koopman

of edelman."

"Ja, maar door welken arbeid heeft hij het verdiend? Is dat dan arbeid,

als men op lage, slinksche wijze een concessie verkrijgt om die later

weer te verkoopen?"

"Zeker is dat arbeid, namelijk arbeid in dien zin, dat wij zonder

lieden van dit slag ook geen spoorwegen zouden hebben."

"Maar deze arbeid is toch een geheel andere dan die van een landbouwer

of een geleerde."

"Dat geef ik toe, maar het is toch in zoover arbeid, als het een

handeling is, waaruit iets ontstaat, zooals hier de spoorweg. Of

vindt ge misschien, dat spoorwegen iets onnoodigs zijn?"

"O, zeker zijn ze nuttig. Maar iedere winst, die in geen verhouding

staat tot den arbeid, die er voor verricht wordt, is oneerlijk."

"Wie kan echter hierin de juiste verhouding bepalen?"

"Een geldwinning door oneerlijke middelen, door list...." zei Lewin,

die gevoelde, dat het hem niet gelukken wilde een scherpe lijn

tusschen eerlijkheid en oneerlijkheid te trekken, zooals hij zich

in gedachten voorstelde: "zooals ook deze inrichtingen van bankiers-

en wisselaarskantoren...." ging hij voort: "kortom al deze soort van

beroepen om zich zonder arbeid groote, kolossale vermogens te verwerven

zijn een kwaad. Nu is slechts de vorm veranderd. Le roi est mort,

vive le roi! Nauwelijks had men de brandewijnpacht opgeheven, of daar

kwamen de spoorwegen, de banken: louter geldwinningen zonder arbeid."

"Dat is misschien zeer waar en geestig.... Stil, Kraak! Rustig

liggen!" riep Stipan Arkadiewitsch zijn hond, die zich krabde, toe;

hij was van de juistheid van zijn standpunt ten volle overtuigd en

bleef dus volkomen kalm en maakte geen haast.

"Ge hebt nog altijd niet de grens tusschen eerlijken en oneerlijken

arbeid getrokken. Is het dan misschien ook oneerlijk, dat ik een

grooter inkomen geniet dan mijn griffier, hoewel hij misschien meer

van de zaak verstaat dan ik?"

"Dat weet ik niet."

"Nu goed, dan willen wij zeggen, dat de netto opbrengst van uw goederen

misschien vijfduizend roebel bedraagt, maar de boer, die er op werkt,

krijgt er, hoe hij zich ook moge inspannen, niet meer dan vijftig. Zou

dat niet even onrechtvaardig zijn, als dat ik meer krijg dan mijn

griffier? Of dat Maltus een grooter inkomen heeft dan een van zijn

stationschefs? Integendeel, ik zie in de houding der wereld tegenover

deze soort lieden slechts een op niets gegronde vijandelijkheid,

en ik geloof, dat het niets is als ijverzucht."

"Neen, dat is niet waar," viel Wesslowsky in. "IJverzucht kan het

niet zijn. Er is en blijft iets onreins in zulk een zaak...."

"Pardon," zeide Lewin, "gij vindt het onrechtvaardig, als ik

vijfduizend roebel krijg en de boer er slechts dertig verdient. Het

is onrechtvaardig, dat voel ik, maar...."

"Inderdaad! Wij eten, drinken, gaan op de jacht, doen niets en hij is

altijd zonder verpoozing aan het werk," zeide Wassenka Wesslowsky,

in wien heden klaarblijkelijk voor de eerste maal deze gedachte was

opgekomen, en die hij dus zeer open en oprecht uitsprak.

"Ja, je gevoelt dat, maar geeft hem toch uw goed niet," zeide

Oblonsky eenigszins spottend tot Lewin. In den laatsten tijd,

sedert zij beiden met twee zusters getrouwd waren, was er tusschen

hen ongemerkt een soort van wedijver ontstaan, wie van beiden zijn

leven het beste ingericht had, en deze wedijver deed zich ook nu in

hun gesprek gelden, door er iets persoonlijks aan te geven.

"Ik geef het niet, omdat niemand het van mij eischt; en wanneer ik

het ook wilde geven, dan zou ik het toch niet kunnen. En dan zou ik

ook niet weten aan wien?"

"Geef het dezen molenaar hier; hij zal het niet weigeren."

"Nu goed, maar hoe zal ik het hem geven?"

"Dat weet ik niet. Maar wanneer gij er zoo van overtuigd zijt, dat

je er geen recht op hebt...."

"Daarvan ben ik volstrekt niet overtuigd. Integendeel, ik gevoel,

dat ik geen recht heb het weg te geven, dat ik plichten tegenover

mijn bezittingen, tegenover mijn familie heb."

"Maar ik bid u, als gij deze ongelijkheid voor onrechtvaardig houdt,

dan moet gij ook zoo handelen, dat...."

"Ik handel ook, maar negatief, d.w.z. zoo, dat ik mij geen moeite

geef om het onderscheid tusschen hem en mij nog te vergrooten...."

"Neen, pardon, dat is een paradox!"

"Ja, dat is een sophistische uitlegging," bevestigde ook

Wesslowsky. "O, zie daar! Onze gastheer!" zeide hij tot den molenaar

gewend, die door de krakende deur binnen kwam. "Slaapt gij nog niet?"

"Neen, hoe kan ik slapen? Ik meende, dat de heeren slapen wilden,

en daar hoor ik u spreken. Ik wilde mij hier nog een haak halen. Bijt

hij ook?" vroeg de boer en ging voorzichtig op zijn bloote voeten de

honden voorbij.

"Een kostelijke nacht!" zeide Wesslowsky. "Daar zingen immers vrouwen

en lang niet kwaad! Wie zingt daar mulder?"

"Dat zijn de dienstmeisjes van de hoeve hiernaast."

"Laat ons nog wat gaan wandelen; wij slapen toch niet in. Kom

Oblonsky."

"Hoe kan dat nu: hier blijven liggen en te gelijkertijd gaan

wandelen?" zeide Oblonsky en rekte zich uit. "We liggen hier zoo

lekker."

"Nu, dan ga ik alleen," antwoordde Wesslowsky opspringend en trok

zijn laarzen aan: "Tot weerziens, heeren! Zoodra het amusant wordt,

zal ik je roepen."

"Niet waar? Een kerel van goud!" zeide Oblonsky, toen Wesslowsky weg

was en de boer de deur achter hem had toegedaan.

"Zonder twijfel!" verzekerde Lewin, die nog altijd aan het onderwerp

van hun gesprek dacht. Hij meende toch zijn gedachten, voor zoover hij

dit kon, duidelijk te hebben uitgesproken, en toch zeiden deze beide

menschen, die alles behalve dom en heel oprecht waren, eenparig,

dat hij zich met sophismen troostte. Dat had hem in verlegenheid

gebracht. "Ja, vriendje, zoo is het: of men moet de tegenwoordig

bestaande maatschappelijke verhoudingen als billijk erkennen en ze

verdedigen, of men moet bekennen, dat men zich zelf op onrechtmatige

wijze in een bevoorrechte positie bevindt en zich dit voordeel,

zooals ik doe, maar met genoegen ten nutte maken."

"Neen, als het een onrechtmatig voordeel was, dan zoudt ook gij

dat niet met genoegen kunnen genieten, ik ten minste zou het niet

kunnen. Om dat te kunnen, moet ik mij er van bewust zijn dat ik niet

schuldig ben."

"Wat dunkt je? Zullen wij ook nog niet wat naar buiten gaan?" vroeg

Stipan Arkadiewitsch, die het moede werd zijn gedachten nog meer in

te spannen. "Inslapen doen wij toch niet. Laat ons dus gaan!"

Lewin gaf geen antwoord. Het zooeven uitgesproken woord, dat hij

slechts negatief rechtvaardig handelde, had hij nog niet kunnen

verkroppen.

"Is het mogelijk, dat men rechtvaardig zijn kan, als men slechts

negatief handelt?" vroeg hij zich af.

"Hoe sterk riekt dit versche hooi!" zeide Stipan zich oprichtend. "Ik

slaap toch niet in. Wesslowsky schijnt daar wat uit te voeren. Hoor je

wel, hoe ze lachen? Dat is zijn stem. Laat ons er toch ook heengaan."

"Neen, ik ga niet," antwoordde Lewin.

"Is dat misschien ook uit principe?" vroeg Stipan Arkadiewitsch

lachend en zocht daarbij in het donker naar zijn muts.

"Niet uit principe; maar wat zal ik daar doen?"

"Hoor eens: jij zult je nog wat op den hals halen!" zeide Stipan,

die eindelijk zijn muts gevonden had.

"Hoe zoo?"

"Meent ge, dat ik niet gezien heb, hoe je naar uw vrouw geloopen

zijt? Ik heb het wel gehoord, hoe het tusschen u beiden een kwestie

van het grootste gewicht was, of ge twee dagen op de jacht mocht

gaan of niet. Dat is in een idylle heel mooi, maar zijn geheele

leven door kan men dat niet volhouden. De man moet zorgen, dat hij

altijd onafhankelijk blijft, hij heeft immers zijn eigen mannelijke

belangen. De man moet man zijn...." meende Stipan en opende de deur.

"Dat wil zeggen, hij moet de dorpsmeisjes het hof maken?" vroeg Lewin.

"Waarom niet, wanneer hij er plezier in heeft? Ça ne tire pas à

conséquence. Mijn vrouw gaat het er niet slechter om en ik heb er

pret mede. De hoofdzaak is slechts, dat ons eigen huis ons heilig

is. In huis mag niets voorvallen, voor de rest behoeft men zich zelf

echter de handen niet te binden."

"'t Is mogelijk!" antwoordde Lewin droog en ging op de andere zijde

liggen. "Ik wil morgen vroeg opstaan en reeds bij zonsopgang de deur

uit. Van ulieden zal ik niemand wekken."

"Messieurs! Venez vite!" klonk de stem van den terugkeerenden

Wesslowsky. "Charmante! Ik heb ze ontdekt! Charmante! Een waar

Gretchen!"

Lewin deed, alsof hij sliep. Oblonsky stak een sigaar op, verwijderde

zich met Wesslowsky en spoedig vernam men het geluid der stemmen

niet meer.

Lewin kon langen tijd niet inslapen. Hij hoorde zijn paarden beneden

zich het hooi eten en hoe de molenaar met zijn oudsten zoon naar

de nachtweide reed. Hij dacht aan den dag van morgen. "Morgen ga

ik heel vroeg en zal mij niet overijlen. Er zijn daar een menigte

watersnippen en groote snippen, en kom ik dan weer hier terug, dan vind

ik Kitty's brief. Ja, ik gedraag mij niet als een man tegenover haar;

ik ben geheel verwijfd geworden ... Maar wat te doen? Weer slechts

negatief handelen!"

In zijn halve sluimering hoorde hij het lachen en het vroolijke

gebabbel van Stipan en Wesslowsky. Hij sloeg de oogen op. De

maan scheen. In haar helder licht zag hij beiden in de open

deur staan. Stipan zeide iets van de frischheid van het meisje

en vergeleek haar bij een noot, die van den bast ontdaan was, en

Wesslowsky herhaalde lachend de door een boer gesproken woorden:

"Maak maar, dat je zelf een vrouw krijgt!" en Lewin zeide slaperig:

"Heeren, morgen bij het aanbreken van den dag...." en sliep in.

Anna Karenina(#13214) · 第 140 / 196 题