Toen Lewin en Stipan Arkadiewitsch aan de molenaarswoning kwamen,
was Wesslowsky daar reeds binnen gegaan. Hij zat in het midden der
hut en lachte op zijn vroolijke, aanstekelijke manier, terwijl hij
zich met beide handen aan de tafel vasthield en zich door een soldaat,
den broeder der molenaarsvrouw, de laarzen liet uittrekken.
"Ik ben ook nu pas gekomen," riep hij de binnentredenden te gemoet;
"ils ont été charmants!" Denkt een aan: niet alleen te drinken, ook te
eten hebben ze mij gegeven, en welk een gebak! Delicieux! En nooit heb
ik een beteren borrel gedronken! Maar zij wilden absoluut geen geld
aannemen, in tegendeel, zij zeiden nog altijd: "Neem het niet kwalijk!"
"Waarom zouden zij ook geld aannemen. Zij wilden u tracteeren; en zij
hebben geen brandewijn te koop," zeide de soldaat, die hem eindelijk
de eene laars met de natte kous uittrok.
Ondanks het vuil in de boerenkamer, dat de jagers met hun laarzen en
de beslijkte honden, die zich hevig schudden, er in hadden gebracht,
ondanks modder- en kruitlucht en ondanks het gerammel van messen en
vorken, gebruikten de jagers hun thee en hun avondmaal met een eetlust,
die alleen de jacht te weeg brengt.
Toen, na zich gereinigd en gewasschen te hebben, begaven zij zich
naar een aangeveegden hooizolder, waar de koetsier reeds het leger
voor de heeren bereid had.
Hoewel het reeds donker was, had toch geen der jagers lust tot slapen.
Nadat zij elkaar een tijdlang met herinneringen, anecdoten en
jachtverhalen hadden onderhouden, kwam hun gesprek op een thema, dat al
hun belangstelling tot zich trok. Oblonsky had van een jacht verteld,
waaraan hij den vorigen zomer op het landgoed van een zekeren heer
Maltus had deelgenomen. Maltus was een bekend spoorwegkoning, die de
gezelligheid zeer beminde en dien Stipan Arkadiewitsch uit den grond
van zijn hart een kerel van goud noemde. Hij had verteld, hoe deze
Maltus in het Twerskoïsche gouvernement groote moerassen gepacht had,
hij beschreef de wagens en paarden, die de jagers daarheen hadden
gebracht en de tent, die men voor het ontbijt in de nabijheid der
moerassen had opgeslagen.
"Ik begrijp niet," zeide Lewin zich uit het hooi oprichtende, "dat
zulke menschen u niet tegenstaan. Ik begrip wel, dat een ontbijt
met Lafitte iets heel aangenaams is, maar is het mogelijk, dat zulke
weelde u niet tegen de borst stond? Al deze menschen--vroeger waren
zij onze brandewijnpachters--verwerven zich een groot fortuin, maar op
een wijze, waardoor zij toch de verachting van ieder verdienen; deze
verachting is hun echter volkomen onverschillig, want met hun op zoo
oneerlijke wijze verworven geld koopen zij zich van de verachting los."
"Ja, dat is waar," bevestigde Wesslowsky; "volkomen waar! Trouwens
Oblonsky doet het uit bonhommie, maar anderen zeggen toch: 'Oblonsky
bezoekt ze....'"
"Neen, volstrekt niet!" Lewin hoorde, hoe Oblonsky dit lachend zeide:
"Ik houd hem eenvoudig voor niets oneerlijker dan ieder rijk koopman
of edelman."
"Ja, maar door welken arbeid heeft hij het verdiend? Is dat dan arbeid,
als men op lage, slinksche wijze een concessie verkrijgt om die later
weer te verkoopen?"
"Zeker is dat arbeid, namelijk arbeid in dien zin, dat wij zonder
lieden van dit slag ook geen spoorwegen zouden hebben."
"Maar deze arbeid is toch een geheel andere dan die van een landbouwer
of een geleerde."
"Dat geef ik toe, maar het is toch in zoover arbeid, als het een
handeling is, waaruit iets ontstaat, zooals hier de spoorweg. Of
vindt ge misschien, dat spoorwegen iets onnoodigs zijn?"
"O, zeker zijn ze nuttig. Maar iedere winst, die in geen verhouding
staat tot den arbeid, die er voor verricht wordt, is oneerlijk."
"Wie kan echter hierin de juiste verhouding bepalen?"
"Een geldwinning door oneerlijke middelen, door list...." zei Lewin,
die gevoelde, dat het hem niet gelukken wilde een scherpe lijn
tusschen eerlijkheid en oneerlijkheid te trekken, zooals hij zich
in gedachten voorstelde: "zooals ook deze inrichtingen van bankiers-
en wisselaarskantoren...." ging hij voort: "kortom al deze soort van
beroepen om zich zonder arbeid groote, kolossale vermogens te verwerven
zijn een kwaad. Nu is slechts de vorm veranderd. Le roi est mort,
vive le roi! Nauwelijks had men de brandewijnpacht opgeheven, of daar
kwamen de spoorwegen, de banken: louter geldwinningen zonder arbeid."
"Dat is misschien zeer waar en geestig.... Stil, Kraak! Rustig
liggen!" riep Stipan Arkadiewitsch zijn hond, die zich krabde, toe;
hij was van de juistheid van zijn standpunt ten volle overtuigd en
bleef dus volkomen kalm en maakte geen haast.
"Ge hebt nog altijd niet de grens tusschen eerlijken en oneerlijken
arbeid getrokken. Is het dan misschien ook oneerlijk, dat ik een
grooter inkomen geniet dan mijn griffier, hoewel hij misschien meer
van de zaak verstaat dan ik?"
"Dat weet ik niet."
"Nu goed, dan willen wij zeggen, dat de netto opbrengst van uw goederen
misschien vijfduizend roebel bedraagt, maar de boer, die er op werkt,
krijgt er, hoe hij zich ook moge inspannen, niet meer dan vijftig. Zou
dat niet even onrechtvaardig zijn, als dat ik meer krijg dan mijn
griffier? Of dat Maltus een grooter inkomen heeft dan een van zijn
stationschefs? Integendeel, ik zie in de houding der wereld tegenover
deze soort lieden slechts een op niets gegronde vijandelijkheid,
en ik geloof, dat het niets is als ijverzucht."
"Neen, dat is niet waar," viel Wesslowsky in. "IJverzucht kan het
niet zijn. Er is en blijft iets onreins in zulk een zaak...."
"Pardon," zeide Lewin, "gij vindt het onrechtvaardig, als ik
vijfduizend roebel krijg en de boer er slechts dertig verdient. Het
is onrechtvaardig, dat voel ik, maar...."
"Inderdaad! Wij eten, drinken, gaan op de jacht, doen niets en hij is
altijd zonder verpoozing aan het werk," zeide Wassenka Wesslowsky,
in wien heden klaarblijkelijk voor de eerste maal deze gedachte was
opgekomen, en die hij dus zeer open en oprecht uitsprak.
"Ja, je gevoelt dat, maar geeft hem toch uw goed niet," zeide
Oblonsky eenigszins spottend tot Lewin. In den laatsten tijd,
sedert zij beiden met twee zusters getrouwd waren, was er tusschen
hen ongemerkt een soort van wedijver ontstaan, wie van beiden zijn
leven het beste ingericht had, en deze wedijver deed zich ook nu in
hun gesprek gelden, door er iets persoonlijks aan te geven.
"Ik geef het niet, omdat niemand het van mij eischt; en wanneer ik
het ook wilde geven, dan zou ik het toch niet kunnen. En dan zou ik
ook niet weten aan wien?"
"Geef het dezen molenaar hier; hij zal het niet weigeren."
"Nu goed, maar hoe zal ik het hem geven?"
"Dat weet ik niet. Maar wanneer gij er zoo van overtuigd zijt, dat
je er geen recht op hebt...."
"Daarvan ben ik volstrekt niet overtuigd. Integendeel, ik gevoel,
dat ik geen recht heb het weg te geven, dat ik plichten tegenover
mijn bezittingen, tegenover mijn familie heb."
"Maar ik bid u, als gij deze ongelijkheid voor onrechtvaardig houdt,
dan moet gij ook zoo handelen, dat...."
"Ik handel ook, maar negatief, d.w.z. zoo, dat ik mij geen moeite
geef om het onderscheid tusschen hem en mij nog te vergrooten...."
"Neen, pardon, dat is een paradox!"
"Ja, dat is een sophistische uitlegging," bevestigde ook
Wesslowsky. "O, zie daar! Onze gastheer!" zeide hij tot den molenaar
gewend, die door de krakende deur binnen kwam. "Slaapt gij nog niet?"
"Neen, hoe kan ik slapen? Ik meende, dat de heeren slapen wilden,
en daar hoor ik u spreken. Ik wilde mij hier nog een haak halen. Bijt
hij ook?" vroeg de boer en ging voorzichtig op zijn bloote voeten de
honden voorbij.
"Een kostelijke nacht!" zeide Wesslowsky. "Daar zingen immers vrouwen
en lang niet kwaad! Wie zingt daar mulder?"
"Dat zijn de dienstmeisjes van de hoeve hiernaast."
"Laat ons nog wat gaan wandelen; wij slapen toch niet in. Kom
Oblonsky."
"Hoe kan dat nu: hier blijven liggen en te gelijkertijd gaan
wandelen?" zeide Oblonsky en rekte zich uit. "We liggen hier zoo
lekker."
"Nu, dan ga ik alleen," antwoordde Wesslowsky opspringend en trok
zijn laarzen aan: "Tot weerziens, heeren! Zoodra het amusant wordt,
zal ik je roepen."
"Niet waar? Een kerel van goud!" zeide Oblonsky, toen Wesslowsky weg
was en de boer de deur achter hem had toegedaan.
"Zonder twijfel!" verzekerde Lewin, die nog altijd aan het onderwerp
van hun gesprek dacht. Hij meende toch zijn gedachten, voor zoover hij
dit kon, duidelijk te hebben uitgesproken, en toch zeiden deze beide
menschen, die alles behalve dom en heel oprecht waren, eenparig,
dat hij zich met sophismen troostte. Dat had hem in verlegenheid
gebracht. "Ja, vriendje, zoo is het: of men moet de tegenwoordig
bestaande maatschappelijke verhoudingen als billijk erkennen en ze
verdedigen, of men moet bekennen, dat men zich zelf op onrechtmatige
wijze in een bevoorrechte positie bevindt en zich dit voordeel,
zooals ik doe, maar met genoegen ten nutte maken."
"Neen, als het een onrechtmatig voordeel was, dan zoudt ook gij
dat niet met genoegen kunnen genieten, ik ten minste zou het niet
kunnen. Om dat te kunnen, moet ik mij er van bewust zijn dat ik niet
schuldig ben."
"Wat dunkt je? Zullen wij ook nog niet wat naar buiten gaan?" vroeg
Stipan Arkadiewitsch, die het moede werd zijn gedachten nog meer in
te spannen. "Inslapen doen wij toch niet. Laat ons dus gaan!"
Lewin gaf geen antwoord. Het zooeven uitgesproken woord, dat hij
slechts negatief rechtvaardig handelde, had hij nog niet kunnen
verkroppen.
"Is het mogelijk, dat men rechtvaardig zijn kan, als men slechts
negatief handelt?" vroeg hij zich af.
"Hoe sterk riekt dit versche hooi!" zeide Stipan zich oprichtend. "Ik
slaap toch niet in. Wesslowsky schijnt daar wat uit te voeren. Hoor je
wel, hoe ze lachen? Dat is zijn stem. Laat ons er toch ook heengaan."
"Neen, ik ga niet," antwoordde Lewin.
"Is dat misschien ook uit principe?" vroeg Stipan Arkadiewitsch
lachend en zocht daarbij in het donker naar zijn muts.
"Niet uit principe; maar wat zal ik daar doen?"
"Hoor eens: jij zult je nog wat op den hals halen!" zeide Stipan,
die eindelijk zijn muts gevonden had.
"Hoe zoo?"
"Meent ge, dat ik niet gezien heb, hoe je naar uw vrouw geloopen
zijt? Ik heb het wel gehoord, hoe het tusschen u beiden een kwestie
van het grootste gewicht was, of ge twee dagen op de jacht mocht
gaan of niet. Dat is in een idylle heel mooi, maar zijn geheele
leven door kan men dat niet volhouden. De man moet zorgen, dat hij
altijd onafhankelijk blijft, hij heeft immers zijn eigen mannelijke
belangen. De man moet man zijn...." meende Stipan en opende de deur.
"Dat wil zeggen, hij moet de dorpsmeisjes het hof maken?" vroeg Lewin.
"Waarom niet, wanneer hij er plezier in heeft? Ça ne tire pas à
conséquence. Mijn vrouw gaat het er niet slechter om en ik heb er
pret mede. De hoofdzaak is slechts, dat ons eigen huis ons heilig
is. In huis mag niets voorvallen, voor de rest behoeft men zich zelf
echter de handen niet te binden."
"'t Is mogelijk!" antwoordde Lewin droog en ging op de andere zijde
liggen. "Ik wil morgen vroeg opstaan en reeds bij zonsopgang de deur
uit. Van ulieden zal ik niemand wekken."
"Messieurs! Venez vite!" klonk de stem van den terugkeerenden
Wesslowsky. "Charmante! Ik heb ze ontdekt! Charmante! Een waar
Gretchen!"
Lewin deed, alsof hij sliep. Oblonsky stak een sigaar op, verwijderde
zich met Wesslowsky en spoedig vernam men het geluid der stemmen
niet meer.
Lewin kon langen tijd niet inslapen. Hij hoorde zijn paarden beneden
zich het hooi eten en hoe de molenaar met zijn oudsten zoon naar
de nachtweide reed. Hij dacht aan den dag van morgen. "Morgen ga
ik heel vroeg en zal mij niet overijlen. Er zijn daar een menigte
watersnippen en groote snippen, en kom ik dan weer hier terug, dan vind
ik Kitty's brief. Ja, ik gedraag mij niet als een man tegenover haar;
ik ben geheel verwijfd geworden ... Maar wat te doen? Weer slechts
negatief handelen!"
In zijn halve sluimering hoorde hij het lachen en het vroolijke
gebabbel van Stipan en Wesslowsky. Hij sloeg de oogen op. De
maan scheen. In haar helder licht zag hij beiden in de open
deur staan. Stipan zeide iets van de frischheid van het meisje
en vergeleek haar bij een noot, die van den bast ontdaan was, en
Wesslowsky herhaalde lachend de door een boer gesproken woorden:
"Maak maar, dat je zelf een vrouw krijgt!" en Lewin zeide slaperig:
"Heeren, morgen bij het aanbreken van den dag...." en sliep in.