X.

Toen men elkander goeden nacht gezegd had, gingen Oblonsky en

Wesslowsky nog lang in de allee op en neer, en men hoorde hun stemmen,

toen zij de nieuwe romancen, zongen.

Lewin, die nu met zijn vrouw alleen was, beantwoordde geruimen tijd

haar herhaalde vraag niet, wat hem toch scheelde? Maar eindelijk,

toen zij zelf hem met een bedeesd lachje vroeg:

"Is u misschien iets aan Wesslowsky niet bevallen?" toen barstte hij

los, het eene woord viel er na het andere uit en hij zeide haar alles.

Wat hij toen uitsprak, deed hem zelf zeer, maar daardoor wond hij

zich nog meer op.

Hij stond voor haar, met van toorn stralende blikken en grimmig

samengetrokken wenkbrauwen; hij drukte zijn gespierde handen tegen

de borst, als moest hij al zijn krachten inspannen om zich in te

houden. Zijn houding zou belachelijk geweest zijn, als zich daarin

niet al zijn kwellend zelfbedwang had uitgesproken. De uitdrukking

van zijn gelaat zou hard, ja wreed geweest zijn, wanneer die niet

tevens een hevig lijden, waardoor hij zich vernederd gevoelde,

verraden had. Zijn kin beefde en zijn stem was gebroken. "Jaloersch

ben ik niet! Dat is een belachelijk woord! Ik kan niet jaloersch

zijn en denken, dat.... Ik kan niet uitspreken, wat ik gevoel, maar

het is verschrikkelijk.... Ik ben niet jaloersch, beleedigd ben ik,

vernederd, omdat iemand het wagen kan te gelooven ... het wagen kan

u met zulke oogen aan te zien...."

"Met welke oogen?" vroeg Kitty, terwijl zij zich zoo nauwkeurig

mogelijk alle woorden en gebaren van dien avond zocht te herinneren. In

den grond van haar hart vond zij trouwens, dat er iets in dien

blik gelegen had, waarmee hij haar van het andere eind van de tafel

was gevolgd, maar dat waagde zij zich zelf niet te bekennen, veel

minder kon zij er toe besluiten het Lewin mee te deelen en daardoor

zijn lijden slechts te vergrooten. "En wat zou er aan mij dan voor

aantrekkelijks zijn...."

"Ach!" riep hij en greep zich naar het hoofd: "Hadt ge dat toch niet

gezegd! Dus, wanneer gij aantrekkelijk waart...."

"Ach neen, Kostja, wacht toch! Hoor dan toch!" zeide zij deelnemend en

medelijdend: "Hoe kunt ge zoo iets denken? Mogen er dan voor mij in

't geheel geen menschen bestaan, geen.... Zeg, wilt ge dan, dat ik

niemand zien zal?"

In het eerste oogenblik had zijn jaloezie haar beleedigd; het ergerde

haar, dat haar zelfs de kleinste en onschuldigste verstrooiing verboden

zou zijn, maar nu had zij gaarne deze kleinigheden, ja alles opgeofferd

om hem slechts gerust te stellen en van het lijden, dat hem kwelde,

te bevrijden.

"Begrijp toch het angstige en belachelijke mijner positie" ging hij in

vertwijfeling fluisterend voort: "Hij bevindt zich als gast in mijn

huis, hij doet eigenlijk niets onbehoorlijks, maar deze te groote

vrijheid, de manier, waarop hij zijn been onder zich trekt.... Hij

houdt dat voor een goeden, ja den besten toon--en zoo moet ik de rol

van voorkomend gastheer tegen over hem spelen!"

"Maar Kostja! Gij overdrijft!" zeide Kitty, die zich in haar hart over

de kracht zijner liefde voor haar, die zich nu in zijn jaloezie uitte,

verheugde en ze toch vreesde.

"Hoofdzakelijk echter dit: gij zijt nu eenmaal voor mij iets zoo

heiligs, wij zijn zoo gelukkig met elkander, zoo gelukkig op onze

eigen manier, en nu komt plotseling deze erbarmelijke.... Neen, geen

erbarmelijke--waarom hem uit te schelden? Wat gaat mij dat aan? Maar

waarom moet uw en mijn geluk...?"

"Weet ge, nu wordt het mij duidelijk, waardoor dit gekomen is!" viel

Kitty hem in de rede.

"Nu? Waardoor? waardoor dan?"

"Ik heb bemerkt, hoe gij ons aanzaagt, toen wij ons daar aan tafel

met elkander onderhielden...."

"Nu ja! Ja!" zeide Lewin geheel verschrikt.

Zij vertelde hem alles, wat zij daar gesproken hadden. Lewin hoorde

zwijgend toe, toen zag hij onderzoekend in haar bleek, bedeesd gelaat

en greep zich plotseling naar het hoofd.

"Kitty, vergeef mij! Ik heb u gekweld, mijn lieveling! Dat is immers

niets als waanzin! Katja, ik heb groot ongeluk. Hoe kan men zich nu

om zulken onzin kwellen!"

"Neen, ik heb met u te doen...!"

"Met mij? Wat ben ik? Een waanzinnige...! En daaronder zoudt gij

lijden? Maar het is verschrikkelijk te denken, dat ieder vreemd mensch

ons geluk zou kunnen verstoren!"

"Dat is waar! Dat is bepaald beleedigend!"

"Maar nu zal hij juist den geheelen zomer bij ons blijven en ik

zal hem met attenties overladen!" zei Lewin haar de handen kussend:

"Gij zult zien! Reeds morgen.... Ja, dat is waar, morgen gaan wij

immers op de jacht...."

Anna Karenina(#13214) · 第 137 / 196 题