Den volgenden morgen, voor de dames waren opgestaan, hielden de
jachtwagens voor de trap stil en Laska, die reeds lang begrepen had,
dat men op de jacht ging, zat, nadat hij zich moe gesprongen en
gejankt had, naast den koetsier op den bok, van waar hij onrustig,
opgewonden en afkeurend door de deur naar de jagers keek, die nog
steeds niet kwamen.
De eerste, die verscheen, was Wassenka Wesslowsky met hooge nieuwe
laarzen, die tot over de helft der welgedane dijen reikten, met een
groen jachtbuis, met een nieuwe, sterk naar leer riekende patroontasch
omgord, met zijn muts met linten en met een nieuw Engelsch geweer
zonder ring aan den riem. Kort daarop ging weer een deur open en
zich draaiend en keerend sprong Kraak, de bont-gevlekte pointer van
Stipan Oblonsky, naar buiten, en deze zelf verscheen met een geweer
in de hand en een sigaar in den mond.
"Tubo, tubo, Kraak!" riep hij vriendelijk den hond toe, die hem met
zijn pooten tegen den buik en de borst opsprong en er mee in de
weitasch bleef hangen. Stipan was getooid met een soort schoenen
uit één stuk leer, met een gescheurde broek en een kort jasje; op
zijn hoofd zat de ruïne van een hoed, maar zijn geweer, een geweer
van het allernieuwste systeem, geleek op een speeltuig, en wei-
en patroontasch, hoewel er versleten uitziende, waren van het beste
materiaal.
Wassenka Wesslowsky had tot nu toe geen denkbeeld gehad van
deze echte jacht-chique om zich in lompen te kleeden, maar zijn
jachtbenoodigdheden waren altijd in den besten staat. Eerst nu begreep
hij dit, toen hij de elegante weldoorvoede en lustige jonkersgestalte
van Stipan in zijn lompen aanschouwde, en hij besloot zich op de
volgende jacht ook zoo te kleeden.
"Nu? en waar blijft onze gastheer?" vroeg hij.
"Een jonge vrouw!" zei Stipan lachend.
"Ja en zulk een bekoorlijke!"
"Hij was reeds in aantocht. Hij zal wel weer naar haar toegeloopen
zijn."
Stipan Arkadiewitsch had juist gegist. Lewin was weer naar zijn
vrouw geloopen om haar nog eens te vragen, of zij hem zijn domheid
van gisteren wel geheel vergeten had, en haar te smeeken om Gods wil
toch ook heel voorzichtig te zijn. "Gij moet u vooral de kinderen van
het lijf houden, zij zouden u kunnen stooten!" En toen moest zij hem
nogmaals verzekeren, dat ze niet meer boos op hem was; twee dagen zou
hij wegblijven, maar hij verzocht haar echter hem morgen een briefje
te zenden, slechts twee woorden, opdat hij wist, of het haar goed
ging. Daarna had hij nog allerlei schikkingen, de zaken betreffende,
te maken, en eindelijk reed het jachtgezelschap weg.
Toen Lewin alle zorgen over zijn zaken en zijn gezin achter zich had,
gevoelde hij zulk een levensvreugde en blijde verwachting, dat hij
niet in staat was te spreken.
Oblonsky ging het eveneens. Hij was ook niet spraakzaam. Maar
Wesslowsky babbelde onophoudelijk. Terwijl Lewin naar hem luisterde,
schaamde hij zich, dat hij gisteren zoo onrechtvaardig tegen hem
geweest was. Wesslowsky was werkelijk een beste jongen, eenvoudig,
goedhartig en zeer vroolijk. Zijn optimistische opvatting van het
leven en een zeker nobel laisser aller deden echter Lewin eenigszins
onaangenaam aan; hij scheen van meening, dat zijn lange nagels,
zijn met linten getooid mutsje en zulke dingen meer hem een hooge
beteekenis gaven; maar dat kon men in hem verontschuldigen om zijn
net gedrag en zijn goedhartigheid.
Nadat zij drie werst gereden hadden, bemerkte Wesslowsky plotseling,
dat hij zijn brieventasch miste. Hij moest ze onderweg verloren of
thuis gelaten hebben. Er bevonden zich driehonderd en zeventig roebel
in, en dus werd de koetsier met één paard teruggezonden om te zoeken,
terwijl Lewin nu met de beide andere zelf reed.
"Welke marschroute nemen we?" vroeg Stipan.
"Zoo is het plan: Eerst rijden we tot Gwosdewo, daar is een
snippenmoeras en achter Gwosdewo liggen overal mooie, groote moerassen
met watersnippen; maar houtsnippen zijn er ook. Nu is het zeer warm,
maar wij komen er nog voor den avond aan, twintig mijl is 't, en
onderweg schieten we wat zich nog vertoont. Dan overnachten wij daar
en gaan morgen naar de groote plassen."
"Is er dan onderweg niets?"
"Ja, een weinig is er wel, maar het kost ons slechts tijd en het is
ook te warm!"
Lewin zelf verachtte deze plaatsen volstrekt niet; maar zij waren
te dicht bij zijn huis en hij kon er alle dagen jagen; ook waren zij
klein, ten minste voor drie personen.
Toen zij in de nabijheid van zulk een moeras kwamen, wilde Lewin
er voorbij rijden, maar het geoefend jagersoog van Stipan bespeurde
terstond een ter zijde van den weg gelegen poel. Hij verzocht Lewin
stil te houden en stapte met Wesslowsky uit, terwijl Lewin als
voorkomend gastheer bij de paarden bleef.
Kraak ging terstond in het boschje en Lewin liep het eerst achter hem.
Stipan was nog niet aan den poel gekomen, toen een groote snip er
uit vloog. Wesslowsky schoot langs hem heen en de vogel vloog op een
ongemaaide weide. Kraak vond hem daar weer, joeg hem op en Wesslowsky
schoot hem neder. Daarop keerde hij naar den wagen terug.
"Nu moet gij gaan en ik blijf bij de paarden," zeide hij tot Lewin.
De lust om ook aan de jacht deel te nemen werd Lewin te sterk. Hij
gaf Wesslowsky de teugels en begaf zich in het moeras.
Laska had, zich over onrechtvaardigheid willende beklagen, reeds
lang gejankt. Nu liep hij rechtstreeks naar een geheel veiligen,
Lewin bekenden heuvel, waar Kraak nog niet geweest was.
"Houd hem toch terug!" riep Stipan Arkadiewitsch.
"Hij zal er geen op de vlucht jagen," riep Lewin terug en snelde
achter Laska aan.
Laska liep in een kring om den heuvel, herhaalde dit, kromp plotseling
ineen en bleef in die houding staan.
"Stiwa, kom!" riep Lewin, die zijn hart luider voelde kloppen, en
terwijl hij vasten grond voor zijn voeten zocht, naderde hij den
hond. "Pil!"
Geen groote houtsnip, maar een watersnip vloog nabij den hond op;
maar op het oogenblik, dat Lewin mikte, hoorde hij een geplas in het
water, dat nader bij kwam en de stem van Wesslowsky, die hem luid
iets toeriep. Lewin zag zelf, dat hij te laag mikte, maar hij schoot
toch. Toen hij zag, dat hij gemist had, keek hij om en bespeurde,
dat de paarden met den wagen niet meer op den weg, maar in den poel
stonden. Wesslowsky, die bij het schieten wilde zijn, was het moeras
ingereden en de paarden zakten in den grond.
"De duivel hale hem!" zeide Lewin en snelde naar den zinkenden
wagen. "Waarom ben je er in gereden?" vroeg hij ontevreden en,
terwijl hij den juist terugkeerenden koetsier te hulp riep, begon
hij de paarden af te spannen.
Het verdroot Lewin, dat men hem in het schieten gestoord had en de
paarden in den drassigen grond had laten geraken, maar vooral, dat noch
Stipan Arkadiewitsch, noch Wesslowsky hem en den koetsier de geringste
hulp verleende om de paarden af te spannen en te bevrijden. Want
beiden hadden niet het minste begrip van aanspannen. Hij beantwoordde
dus Wesslowsky's verzekeringen, dat het hier toch geheel droog was,
in 't geheel niet en hield zich slechts met de paarden bezig. Toen
hij echter later bemerkte, hoeveel moeite zich deze gaf den wagen
uit den modder te trekken, verweet hij zich, dat hij nog onder den
indruk van zijn gevoel van gisteren stond en te koel tegen Wesslowsky
was. Hij gaf zich dus moeite om door vriendelijkheid zijn stroefheid
van zooeven weer goed te maken.
Toen alles weer in orde gebracht was en de wagen weer op den straatweg
stond, liet Lewin het ontbijt te voorschijn halen.
"Bon appetit, bonne conscience! Ce poulet va tomber jusqu'au fond de
mes bottes." zei de vroolijk gestemde Wesslowsky, terwijl hij zijn
tweede kuiken verslond. "Ziezoo! nu zijn onze rampen wel voorbij;
nu zal alles goed gaan. Maar voor mijn misdrijf moet ik op den bok
zitten, niet waar? Neen, neen! Ik ben Automedon! Gij zult eens zien,
hoe goed gij u aan mij kunt toevertrouwen!" antwoordde hij Lewin,
die hem niet wilde laten rijden: "Neen, ik moet mijn schuld boeten
en hier op den bok zit ik heerlijk!" En hij reed heen.
Lewin vreesde wel, dat hij de paarden te hard zou behandelen,
maar hij schikte zich naar zijn vroolijke luim, luisterde naar de
vroolijke liederen, die Wesslowsky zong, naar zijn vertellingen en
voorstellingen, hoe men op Engelsche manier four in hand moest rijden,
en zoo bereikten zij in de beste stemming de Gwosdewsche moerassen.