XI.

Den volgenden morgen, voor de dames waren opgestaan, hielden de

jachtwagens voor de trap stil en Laska, die reeds lang begrepen had,

dat men op de jacht ging, zat, nadat hij zich moe gesprongen en

gejankt had, naast den koetsier op den bok, van waar hij onrustig,

opgewonden en afkeurend door de deur naar de jagers keek, die nog

steeds niet kwamen.

De eerste, die verscheen, was Wassenka Wesslowsky met hooge nieuwe

laarzen, die tot over de helft der welgedane dijen reikten, met een

groen jachtbuis, met een nieuwe, sterk naar leer riekende patroontasch

omgord, met zijn muts met linten en met een nieuw Engelsch geweer

zonder ring aan den riem. Kort daarop ging weer een deur open en

zich draaiend en keerend sprong Kraak, de bont-gevlekte pointer van

Stipan Oblonsky, naar buiten, en deze zelf verscheen met een geweer

in de hand en een sigaar in den mond.

"Tubo, tubo, Kraak!" riep hij vriendelijk den hond toe, die hem met

zijn pooten tegen den buik en de borst opsprong en er mee in de

weitasch bleef hangen. Stipan was getooid met een soort schoenen

uit één stuk leer, met een gescheurde broek en een kort jasje; op

zijn hoofd zat de ruïne van een hoed, maar zijn geweer, een geweer

van het allernieuwste systeem, geleek op een speeltuig, en wei-

en patroontasch, hoewel er versleten uitziende, waren van het beste

materiaal.

Wassenka Wesslowsky had tot nu toe geen denkbeeld gehad van

deze echte jacht-chique om zich in lompen te kleeden, maar zijn

jachtbenoodigdheden waren altijd in den besten staat. Eerst nu begreep

hij dit, toen hij de elegante weldoorvoede en lustige jonkersgestalte

van Stipan in zijn lompen aanschouwde, en hij besloot zich op de

volgende jacht ook zoo te kleeden.

"Nu? en waar blijft onze gastheer?" vroeg hij.

"Een jonge vrouw!" zei Stipan lachend.

"Ja en zulk een bekoorlijke!"

"Hij was reeds in aantocht. Hij zal wel weer naar haar toegeloopen

zijn."

Stipan Arkadiewitsch had juist gegist. Lewin was weer naar zijn

vrouw geloopen om haar nog eens te vragen, of zij hem zijn domheid

van gisteren wel geheel vergeten had, en haar te smeeken om Gods wil

toch ook heel voorzichtig te zijn. "Gij moet u vooral de kinderen van

het lijf houden, zij zouden u kunnen stooten!" En toen moest zij hem

nogmaals verzekeren, dat ze niet meer boos op hem was; twee dagen zou

hij wegblijven, maar hij verzocht haar echter hem morgen een briefje

te zenden, slechts twee woorden, opdat hij wist, of het haar goed

ging. Daarna had hij nog allerlei schikkingen, de zaken betreffende,

te maken, en eindelijk reed het jachtgezelschap weg.

Toen Lewin alle zorgen over zijn zaken en zijn gezin achter zich had,

gevoelde hij zulk een levensvreugde en blijde verwachting, dat hij

niet in staat was te spreken.

Oblonsky ging het eveneens. Hij was ook niet spraakzaam. Maar

Wesslowsky babbelde onophoudelijk. Terwijl Lewin naar hem luisterde,

schaamde hij zich, dat hij gisteren zoo onrechtvaardig tegen hem

geweest was. Wesslowsky was werkelijk een beste jongen, eenvoudig,

goedhartig en zeer vroolijk. Zijn optimistische opvatting van het

leven en een zeker nobel laisser aller deden echter Lewin eenigszins

onaangenaam aan; hij scheen van meening, dat zijn lange nagels,

zijn met linten getooid mutsje en zulke dingen meer hem een hooge

beteekenis gaven; maar dat kon men in hem verontschuldigen om zijn

net gedrag en zijn goedhartigheid.

Nadat zij drie werst gereden hadden, bemerkte Wesslowsky plotseling,

dat hij zijn brieventasch miste. Hij moest ze onderweg verloren of

thuis gelaten hebben. Er bevonden zich driehonderd en zeventig roebel

in, en dus werd de koetsier met één paard teruggezonden om te zoeken,

terwijl Lewin nu met de beide andere zelf reed.

"Welke marschroute nemen we?" vroeg Stipan.

"Zoo is het plan: Eerst rijden we tot Gwosdewo, daar is een

snippenmoeras en achter Gwosdewo liggen overal mooie, groote moerassen

met watersnippen; maar houtsnippen zijn er ook. Nu is het zeer warm,

maar wij komen er nog voor den avond aan, twintig mijl is 't, en

onderweg schieten we wat zich nog vertoont. Dan overnachten wij daar

en gaan morgen naar de groote plassen."

"Is er dan onderweg niets?"

"Ja, een weinig is er wel, maar het kost ons slechts tijd en het is

ook te warm!"

Lewin zelf verachtte deze plaatsen volstrekt niet; maar zij waren

te dicht bij zijn huis en hij kon er alle dagen jagen; ook waren zij

klein, ten minste voor drie personen.

Toen zij in de nabijheid van zulk een moeras kwamen, wilde Lewin

er voorbij rijden, maar het geoefend jagersoog van Stipan bespeurde

terstond een ter zijde van den weg gelegen poel. Hij verzocht Lewin

stil te houden en stapte met Wesslowsky uit, terwijl Lewin als

voorkomend gastheer bij de paarden bleef.

Kraak ging terstond in het boschje en Lewin liep het eerst achter hem.

Stipan was nog niet aan den poel gekomen, toen een groote snip er

uit vloog. Wesslowsky schoot langs hem heen en de vogel vloog op een

ongemaaide weide. Kraak vond hem daar weer, joeg hem op en Wesslowsky

schoot hem neder. Daarop keerde hij naar den wagen terug.

"Nu moet gij gaan en ik blijf bij de paarden," zeide hij tot Lewin.

De lust om ook aan de jacht deel te nemen werd Lewin te sterk. Hij

gaf Wesslowsky de teugels en begaf zich in het moeras.

Laska had, zich over onrechtvaardigheid willende beklagen, reeds

lang gejankt. Nu liep hij rechtstreeks naar een geheel veiligen,

Lewin bekenden heuvel, waar Kraak nog niet geweest was.

"Houd hem toch terug!" riep Stipan Arkadiewitsch.

"Hij zal er geen op de vlucht jagen," riep Lewin terug en snelde

achter Laska aan.

Laska liep in een kring om den heuvel, herhaalde dit, kromp plotseling

ineen en bleef in die houding staan.

"Stiwa, kom!" riep Lewin, die zijn hart luider voelde kloppen, en

terwijl hij vasten grond voor zijn voeten zocht, naderde hij den

hond. "Pil!"

Geen groote houtsnip, maar een watersnip vloog nabij den hond op;

maar op het oogenblik, dat Lewin mikte, hoorde hij een geplas in het

water, dat nader bij kwam en de stem van Wesslowsky, die hem luid

iets toeriep. Lewin zag zelf, dat hij te laag mikte, maar hij schoot

toch. Toen hij zag, dat hij gemist had, keek hij om en bespeurde,

dat de paarden met den wagen niet meer op den weg, maar in den poel

stonden. Wesslowsky, die bij het schieten wilde zijn, was het moeras

ingereden en de paarden zakten in den grond.

"De duivel hale hem!" zeide Lewin en snelde naar den zinkenden

wagen. "Waarom ben je er in gereden?" vroeg hij ontevreden en,

terwijl hij den juist terugkeerenden koetsier te hulp riep, begon

hij de paarden af te spannen.

Het verdroot Lewin, dat men hem in het schieten gestoord had en de

paarden in den drassigen grond had laten geraken, maar vooral, dat noch

Stipan Arkadiewitsch, noch Wesslowsky hem en den koetsier de geringste

hulp verleende om de paarden af te spannen en te bevrijden. Want

beiden hadden niet het minste begrip van aanspannen. Hij beantwoordde

dus Wesslowsky's verzekeringen, dat het hier toch geheel droog was,

in 't geheel niet en hield zich slechts met de paarden bezig. Toen

hij echter later bemerkte, hoeveel moeite zich deze gaf den wagen

uit den modder te trekken, verweet hij zich, dat hij nog onder den

indruk van zijn gevoel van gisteren stond en te koel tegen Wesslowsky

was. Hij gaf zich dus moeite om door vriendelijkheid zijn stroefheid

van zooeven weer goed te maken.

Toen alles weer in orde gebracht was en de wagen weer op den straatweg

stond, liet Lewin het ontbijt te voorschijn halen.

"Bon appetit, bonne conscience! Ce poulet va tomber jusqu'au fond de

mes bottes." zei de vroolijk gestemde Wesslowsky, terwijl hij zijn

tweede kuiken verslond. "Ziezoo! nu zijn onze rampen wel voorbij;

nu zal alles goed gaan. Maar voor mijn misdrijf moet ik op den bok

zitten, niet waar? Neen, neen! Ik ben Automedon! Gij zult eens zien,

hoe goed gij u aan mij kunt toevertrouwen!" antwoordde hij Lewin,

die hem niet wilde laten rijden: "Neen, ik moet mijn schuld boeten

en hier op den bok zit ik heerlijk!" En hij reed heen.

Lewin vreesde wel, dat hij de paarden te hard zou behandelen,

maar hij schikte zich naar zijn vroolijke luim, luisterde naar de

vroolijke liederen, die Wesslowsky zong, naar zijn vertellingen en

voorstellingen, hoe men op Engelsche manier four in hand moest rijden,

en zoo bereikten zij in de beste stemming de Gwosdewsche moerassen.

Anna Karenina(#13214) · 第 138 / 196 题