IX.

Lewin keerde eerst naar haar terug, toen men hem voor het

avondeten riep. Op de trap stonden Kitty en Agasija over den wijn

te beraadslagen.

"Wat maakt ge toch voor omhaal? Denzelfden als gewoonlijk."

"Neen, dien drinkt Stiwa niet.... Kostja! Wacht toch! Wat scheelt

je?" zeide Kitty en ging achter hem aan. Maar onbarmhartig, zonder

op haar te wachten, ging hij met groote stappen naar de eetkamer en

nam terstond deel aan een levendig gesprek, dat Stipan en Wassenka

daar met elkander voerden.

"Nu? Hoe is het? Gaan we morgen op de jacht?" vroeg Stipan.

"Ja, toe, laat ons gaan," zei Wesslowsky, terwijl hij zijdelings op

een stoel ging zitten en zijn welgedaan been onder zich trok.

"Zeer gaarne! Laat ons gaan! Zijt ge dit jaar al op de jacht

geweest?" zeide Lewin, terwijl hij opmerkzaam Wesslowsky's been

beschouwde, met geveinsde beleefdheid, die Kitty zoo goed in hem kende,

en die hem volstrekt niet goed stond. "Ik weet niet, of wij snippen

zullen vinden, maar watersnippen zijn er veel. Maar wij moeten vroeg

opstaan. Zult gij ook niet te vermoeid zijn? Zijt gij niet moede,

Stiwa?"

"Ik moede, ik ben nog nooit moede geweest. Wat mij aangaat, behoeven

wij den geheelen nacht niet te slapen. Wij zullen gaan wandelen."

"Inderdaad! Dat zou heerlijk zijn!" bevestigde ook Wesslowsky.

"O, daarvan zijn wij overtuigd, dat gij niet behoeft te slapen en

anderen ook geen tijd tot slapen zult gunnen!" zeide Dolly tot haar

man met nauwelijks merkbare ironie, waarmede zij zich nu bijna altijd

tot hem wendde. "Mij dunkt, het zou nu reeds tijd zijn.... Ik ga en

eet van avond niet."

"Neen, blijf toch, Dollinka!" zeide hij en ging om de tafel heen naar

haar toe; "ik heb u nog zooveel te vertellen."

"'t Zal wel niet veel bizonders zijn!"

"Weet gij: Wesslowsky is bij Anna geweest. Zij wonen nu

slechts zeventig werst van hier. En ik wil er ook bepaald

heenrijden. Wassenka! kom eens hier!"

En Wassenka ging naar de dames en nam naast Kitty plaats.

"Och, toe! Vertel ons eens! Gij zijt bij haar geweest? Hoe gaat het

haar?" wendde zich Dolly tot hem.

Lewin bleef aan het andere eind van de tafel zitten en zonder

zijn gesprek met Sergej en de vorstin af te breken, zag hij, dat

zich tusschen Stipan, Dolly, Kitty en Wesslowsky een levendig en

geheimzinnig gesprek ontspon; en dat niet alleen, hij zag ook op het

gezicht zijner vrouw de uitdrukking van een ernstig gevoel, terwijl

zij onafgewend in het knap gelaat van Wesslowsky zag, die levendig

iets vertelde.

"Het is heel prettig bij hen," verhaalde hij van Wronsky en Anna;

"ik mag mij trouwens geen oordeel aanmatigen, maar men gevoelt zich

bij hen, alsof men tot de familie behoort."

"Wat denken zij te doen?"

"Ik geloof, dat hun plan is den winter in Moskou door te brengen."

"Hoe goed zou het zijn, als wij elkaar allen bij hen

ontmoetten! Wanneer gaat gij weer naar hen toe?" vroeg Stipan aan

Wassenka.

"Ik denk de maand Juli bij hen door te brengen."

"En gij? Wanneer wilt gij er heen?" vroeg hij zijn vrouw.

"Ik heb het reeds lang willen doen en ga er bepaald heen,"

antwoordde Dolly. "Ik heb medelijden met haar. Ik ken haar. Zij is

een uitstekende vrouw. Ik ga alleen, wanneer gij weg zijt; dan val

ik niemand lastig. Het is zelfs beter zonder u."

"Zeer goed," zeide Stipan. "En gij, Kitty?"

"Ik? Wat zou ik daar doen?" vroeg Kitty rood wordend. En zij wendde

haar oogen naar Lewin.

"Kent gij Anna Arkadiewna?" vroeg Wesslowsky haar; "zij is een

buitengewoon aantrekkelijke vrouw."

"Ja!" antwoordde zij nog sterker blozend, stond op en ging naar Lewin.

"Gaat ge morgen op de jacht?" vroeg ze.

Zijn ijverzucht was in deze weinige oogenblikken, vooral toen hij den

blos zag, die haar wangen bedekte, terwijl zij met Wesslowsky sprak,

reeds zeer hoog gestegen. Nu legde hij haar woorden op zijn manier

uit. Hoe dwaas het hem ook later scheen, nu was het hem duidelijk, dat

zij deze vraag slechts tot hem richtte, omdat zij gaarne dit genoegen

wilde bereiden aan Wesslowsky, op wien ze naar zijn voorstelling nu

reeds verliefd was.

"Ja zeker!" antwoordde hij met een onnatuurlijke stem, die hem zelf

onaangenaam toeklonk.

"Maar zou het niet beter zijn, dat gij morgen nog thuis bleeft? Anders

heeft Dolly niets aan haar man. Gij kunt dan overmorgen gaan." De

eigenlijke zin dezer woorden werd zoo door Lewin verklaard: "scheid

mij niet zoo spoedig van hem. Of gij heengaat, is mij onverschillig,

maar gun mij morgen nog het gezelschap van dezen bekoorlijken jongen

man.--Zoo ge wilt, kunnen wij ook morgen nog thuis blijven!" antwoordde

Lewin met gemaakte beleefdheid.

Intusschen was ook Wesslowsky, die niet vermoedde, welk lijden zijn

aanwezigheid veroorzaakte, van tafel opgestaan en Kitty met een

vriendelijk lachenden blik volgend, naderde hij haar weer. Lewin zag

dezen blik. Hij verbleekte en een oogenblik begaf hem de adem.

"Dus morgen? Mooi, dan gaan we!" zei Wesslowsky, viel op een stoel

neer en trok zijn been weer onder zich. Lewins ijverzucht groeide

aan. Hij zag zich reeds als bedrogen echtgenoot, wien de vrouw en

haar minnaar slechts noodig hadden om hen de genoegens en gemakken

des levens te verschaffen.--Toch vroeg hij zijn gast vriendelijk en

beleefd naar zijn jachtpartijen, zijn geweer, zijn laarzen en sprak

met hem af morgen op de jacht te gaan.

Tot Lewins geluk maakte de oude vorstin een eind aan zijn lijden,

door op te staan, terwijl zij Kitty den raad gaf dadelijk naar bed te

gaan. Maar ook dit liep niet zonder nieuwe smart voor Lewin af. Toen

namelijk Wesslowsky van de gastvrouw afscheid nam, wilde hij haar

weer de hand kussen, maar Kitty onttrok ze hem met naïve ruwheid,

waarvan haar moeder haar later een verwijt maakte, terwijl ze zeide:

"Dat is bij ons geen gewoonte."

In Lewins oogen echter had zij schuld, omdat zij deze verhouding reeds

zoover had laten komen, en nog meer, omdat zij hem haar misnoegen

daarover zoo onbeleefd te kennen gaf.

"Hoe kan men nu reeds slapen!" zeide Stipan Arkadiewitsch, die nu

na den bij het avondmaal gedronken wijn in zijn geliefkoosde, zalige

stemming geraakt was.

"Zie, Kitty," ging hij voort en wees naar de achter de linden opkomende

maan: "Hoe schoon! Nu een serenade, Wesslowsky! Weet ge, hij heeft

een heel mooie stem. Wij hebben onderweg gezongen. Hij heeft twee

zeer schoone romancen meegebracht, de nieuwste. Hij moet ze eens met

Warenka Andrejewna zingen."

Anna Karenina(#13214) · 第 136 / 196 题