Darja Alexandrowna sleet den ganschen zomer met haar kinderen in
Pokrowka bij haar zuster Kitty Lewina. Op haar eigen landgoed was het
huis geheel vervallen en Lewin en zijn vrouw hadden haar overgehaald
den zomer bij hen door te brengen. Stipan Arkadiewitsch vond deze
schikking voortreffelijk en zeide, dat 't hem alleen maar speet,
dat zijn betrekking hem verhinderde eveneens den zomer met de zijnen
buiten door te brengen, daar dit voor hem het grootste geluk zou
zijn. Hij bleef in Moskou achter en kwam van tijd tot tijd eenige
dagen naar buiten.
Behalve de Oblonsky's met al de kinderen en hun gouvernante, hield
zich dezen zomer ook de oude vorstin Tscherbatzky bij de Lewins op. Zij
hield het voor haar plicht onder de tegenwoordige omstandigheden haar
onervaren dochter ter zijde te staan. Ook Warenka, Kitty's vriendin,
die zij in Soden had leeren kennen, had haar belofte vervuld Kitty
te bezoeken, zoodra zij getrouwd zou zijn. Hoewel dit bijna allen
bloedverwanten van Kitty waren en Lewin ze allen genegen was, betreurde
hij toch een weinig zijn Lewinsche wereld en levenswijze, die, zooals
hij zich uitdrukte, door den toestroom van het "Tscherbatzkysche
element" met vernietiging bedreigd werd. Van zijn eigen familie
bezocht hem dezen zomer slechts zijn broeder Sergej Iwanowitsch; maar
ook hij was in zijn hart geen Lewin, maar een Kosnischew, zoodat het
Lewinsche element geheel onderlag.
In Lewins huis, dat zoo lang ledig was geweest, waren nu zooveel
menschen, dat bijna alle kamers bezet waren, en bijna elken dag
moest de oude vorstin, voor zij aan tafel ging zitten, de hoofden
tellen om het dertiende kleinkind aan een afzonderlijke tafel te
plaatsen. Ook Kitty, die zich zeer druk maakte met de huishouding,
had moeite genoeg al de hoenders, kalkoenen en eenden te verschaffen,
die de goede eetlust harer gasten zoozeer behoefde.
Terwijl de kinderen in de kamer thee dronken, zaten de volwassenen
op het balkon.
"Gij kunt er op aan, wat ik u zeg. Alexander komt niet mee," zeide
de oude vorstin.
Men verwachtte namelijk met den avondtrein Stipan Arkadiewitsch,
en de oude vorst had geschreven, dat hij misschien mede zou komen.
"En waarom?" ging de oude dame voort. "Hij zegt, dat men jonggetrouwden
aan zich zelf moet overlaten."
"Papa heeft ons reeds genoeg alleen gelaten; hij is nog nooit hier
geweest," zeide Kitty. "En welk een jong echtpaar zijn wij? We zijn
reeds oud genoeg."
"Maar wanneer hij niet komt, dan neem ik ook afscheid, kinderen,"
zei de oude vorstin met bekommerde zucht.
"Waar denkt ge aan, mama!" vielen haar nu haar dochters aan.
"Bedenkt toch, hoe het hem, nu hij alleen is, te moede moet zijn! Want
nu...." En plotseling, geheel onverwachts begon de stem der vorstin
te beven. De dochters zwegen en zagen elkander aan. "Mama haalt
zich altijd treurige dingen in 't hoofd," spraken haar blikken. Zij
wisten niet, dat, hoe behagelijk zich de vorstin ook bij haar dochter
gevoelde en hoewel zij haar aanwezigheid hier voor noodig hield,
het haar en haar man treurig te moede was, sedert ook haar laatste,
haar lievelingsdochter getrouwd was en haar familienest zoo geheel
was verlaten.
"Wat wilt ge, Agasija Michailowna?" vroeg Kitty plotseling aan de
met een geheimzinnig en gewichtig gelaat naast haar staande keukenmeid.
"Over het avondeten...."
"Ach, is het al weer zóó laat," zeide Dolly. "Ga gij nu heen om er voor
te zorgen, dan zal ik intusschen met Grischa de les repeteeren. Hij
is vandaag lui geweest."
"Dat is me ook een les! Neen, Dolly, ik zal gaan," riep Lewin
opspringende.
Grischa, die op het gymnasium zou komen, moest voor dien tijd in
dezen zomer nog al zijn lessen herhalen.
Dolly had reeds altijd in Moskou met haar zoon Latijn gewerkt,
en toen zij nu bij de Lewins gekomen was, had zij het zich tot een
regel gemaakt, ten minste eenmaal daags de moeielijkste Latijnsche
thema's en rekenkundige voorstellen met hem te repeteeren. Lewin
had aangeboden dit voor haar te doen; maar toen de moeder eens zijn
onderwijs had aangehoord, bemerkte zij, dat hij anders onderwees dan
de leeraar in Moskou.
Eenigszins verlegen, omdat zij Lewin niet beleedigen wilde, antwoordde
zij hem toch vastberaden, dat er precies naar het boek gerepeteerd
moest worden, zooals de onderwijzer gewoon was, en dat het beter was,
dat zij dit zelf deed.
Het verdroot Lewin, dat Stipan Arkadiewitsch uit louter traagheid
niet zelf over het onderwijs zijner kinderen waakte, maar dit aan de
moeder overliet, die toch van het onderwijs, dat zij geven moest,
zelf niets begrijpen kon. Daarom beloofde hij zijn schoonzuster,
geheel in haar geest en in dien van den leeraar te onderwijzen, hoewel
hij het volstrekt niet met deze methode eens was, en hij ging voort
zich met Grischa bezig te houden. Maar hij vergat somtijds den tijd
en zoo ook heden.
"Neen, Dolly, blijf zitten. Terstond zal alles in orde zijn!" zeide
hij en nam het boek. "Alleen wanneer Stiwa komt en wij op de jacht
mochten gaan, zal ik het uur verzuimen." En hij ging naar Grischa.
Intusschen had ook Warenka op dezelfde wijze tot Kitty gesproken. Zij
wist zich ook in het gelukkige, comfortabele huis van Lewin nuttig
te maken.
"Blijf gij zitten, Kitty, voor het avondeten zal ik zorgen," zeide
zij en ging naar Agasija Michailowna.
"Ja, ja, maar waarschijnlijk zullen er geen kuikens te krijgen
zijn. Dan moeten wij van ons eigen...." zeide Kitty.
"Zeer goed, wij zullen alles met Agasija Michailowna overleggen!" En
Warenka verdween.
"Welk een net meisje!" zeide de vorstin.
"Meer dan net, mama," zeide Kitty, "zij is er een, zooals er geen
tweede bestaat!"
"Dus gij verwacht Stipan Arkadiewitsch?" mengde zich Sergej Iwanowitsch
in het gesprek. "Twee meer verschillende zwagers zijn er niet," voegde
hij er fijntjes lachend bij; "de een levendig en als de visch in het
water, slechts in de gezellige kringen thuis, de ander, onze Kostja,
ook levendig, haastig en voor alles ontvankelijk, maar in gezelschappen
als verstijfd, of hij slaat om zich heen als een visch op het droge."
"Ja, hij is zeer lichtzinnig," zeide de vorstin tot Sergej gewend. "Ik
wou u juist verzoeken er eens met hem over te spreken, dat zij (ze
wees op Kitty) onmogelijk hier kan blijven; ze moet noodzakelijk naar
Moskou verhuizen. Hij zegt, dat hij een dokter wil laten komen."
"Mama, hij zal alles doen! Hij keurt alles goed!" zeide Kitty, die
zich over haar moeder ergerde, omdat zij in deze aangelegenheid Sergej
Iwanowitsch tot rechter wilde maken.
Midden in dit gesprek hoorde men in de allee het snuiven van paarden
en het rollen van wielen over het kiezelzand.
Dolly had nog geen tijd gehad om op te staan, ten einde haar man
te gemoet te snellen, toen Lewin reeds uit het venster van de kamer
sprong, waar Grischa zijn les leerde en dezen er door beurde.
"Dat is Stiwa!" riep Lewin van beneden. "Wij zijn met de les klaar,
Dolly! Wees onbezorgd!" voegde hij er bij.
"Is, ea, id; ejus, ejus, ejus!" riep Grischa, die hard begon te loopen
en reeds in de allee zijn vader tegen sprong. Lewin snelde hem echter
aan den wagen te gemoet.
"En er is nog iemand in. Wel het is papa!" riep hij van den ingang
der allee terug. "Kitty! ga die steile trap niet af! Ga achterom!"
Maar Lewin had zich in zijn veronderstelling vergist, dat de naast
Stipan in den wagen zittende de oude vorst was; hij bemerkte spoedig
een knappen, welgedanen jongen man met een Schotsche muts met
lange linten van achteren. Dit was Wassenka Wesslowsky, een verre
bloedverwant der Tscherbatzky's, een Petersburg-Moskouer en elegant
jong mensch, "een kapitale kerel en hartstochtelijk jager," zooals
Stipan hem voorstelde.
Volstrekt niet verlegen over de teleurstelling, die hij veroorzaakt
had, doordien men zijn persoon met dien van den vorst had verwisseld,
begroette Wesslowsky Lewin zeer vergenoegd, terwijl hij hem aan hun
vroegere kennismaking herinnerde. Toen hief hij Grischa in den wagen
en zette hem op den pointer, dien Stipan Arkadiewitsch meegebracht had.
Lewin steeg niet in den wagen, maar ging er achter. Hij was eenigszins
ontstemd, dat de oude vorst niet medegekomen was, van wien hij steeds
meer was gaan houden, hoe meer hij hem leerde kennen; het ergerde hem
ook, dat deze Wassenka Wesslowsky, een geheel vreemd en overtollig
persoon, medegekomen was. Dit scheen bij hem nog meer, toen hij zag,
hoe hij op de balkontrap, waar zich groot en klein verzameld had,
op een beleefde en galante wijze Kitty's hand kuste.
"Ik ben uw vrouws neef, oude kennissen!" zei Wassenka, Lewins hand
stevig drukkend.
"Is er veel wild?" vroeg Stipan reeds aan Lewin, hem nauwelijks tijd
latend om ieder te begroeten. "Wij hebben vreeselijke plannen met
hem! Hier, Tania! Dat is voor jou. Haal eens, wat daar achter in de
kales ligt!" Zoo sprak hij naar alle kanten. "Hoe frisch zie je er uit,
Dollinka!" zeide hij tot zijn vrouw en kuste haar voor de tweede maal
de hand. Toen hield hij deze in zijn linkerhand en sloeg er zachtjes
met de rechter op.
Lewin zag Stipan wrevelig aan. Alles, wat hij sprak en deed, beviel
hem niet.
"Wien heeft hij gisteren wel met deze lippen gekust?" dacht hij
bij het zien van zijn teederheden jegens zijn vrouw. Hij zag Dolly
aan en ook zij beviel hem niet. "Zij kan toch niet aan zijn liefde
gelooven! Waarom verheugt zij zich dan zoo? Afschuwelijk!"--Hij zag de
oude vorstin aan, die hem nog een oogenblik te voren zoo eerwaardig
had toegeschenen, maar de manier, waarop zij nu, alsof zij in haar
eigen huis was, dezen Wassenka met zijn linten begroette, beviel
hem ook niet. Zelfs Sergej Iwanowitsch, die juist de trap opging,
scheen hem onaangenaam om de geveinsde vriendelijkheid, waarmee hij
Stipan Arkadiewitsch ontving, hoewel Lewin toch wist, dat zijn broeder
Oblonsky volstrekt niet lief had of achtte.--Maar het afschuwelijkst
van allen scheen hem Kitty toe, die zich volkomen naar de blijde
stemming voegde, waarmede deze vreemde heer zijn komst voor zich en
al de overigen als een feestdag beschouwde, en hoofdzakelijk ontstemde
hem het bizondere lachje, waarmede zij zijn glimlach beantwoordde.
In druk gesprek gingen allen in huis. Maar toen men plaats genomen had,
keerde Lewin zich om en ging naar buiten.
Kitty bemerkte, dat er iets in haar man omging. Zij zocht een geschikt
oogenblik waar te nemen om hem alleen te spreken, maar hij haastte
zich om van haar los te komen en zeide, dat hij eens op de hoeve
moest gaan rondzien. In lange had hem zijn bouwerij niet zoo gewichtig
geschenen als nu.
"Voor haar is het altijd feestdag," dacht hij, "maar voor de zaken
is er geen feestdag; zij kunnen niet wachten en zonder dezelve kan
men niet leven."