Wronsky betrad om negen uur den schouwburg. De voorstelling was in
vollen gang. In den helder verlichten corridor bevonden zich slechts
de logesluiters en twee bedienden met de pelzen hunner meesters en
meesteressen op den arm. Uit een niet zeer vast gesloten deur klonken
de tonen van den voorzichtig accompagneerenden staccato van het orkest
en een helderklinkende vrouwenstem, die juist een aria eindigde. De
deur ging open, de logesluiter sloop hem voorbij en een daverend
handgeklap verkondigde, dat het bedrijf ten einde was.
Wronsky ging de met een tapijt belegde trap af naar het door
kroonluchters en gasvlammen verlichte parterre juist op het oogenblik,
dat de zangeres, die schitterde door haar naakte schouders en
diamanten, een diepe buiging maakte en glimlachend, met hulp van
den tenor, de over het voetlicht vliegende bouquetten verzamelde;
toen naderde zij een heer, die zijn van pommade glimmend haar in
het midden gescheiden droeg, en die haar met opgeheven armen iets op
het tooneel toereikte, en het publiek in het parterre en in de loges
was opgewonden, boog zich naar voren en schreeuwde en klapte in de
handen. De kapelmeester op zijn verhevenheid moest den heer bij de
overgave behulpzaam zijn en schikte daarna zijn witte das weer terecht.
Wronsky ging naar het midden van het parterre en zag om zich
heen. Heden lette hij minder dan ooit op de hem bekende en gewone
inrichting van den schouwburg, op het tooneel en op al het geraas,
dat, zooals hij wist, niets anders beduidde dan de vreugde over de
gelegenheid om geraas te kunnen maken; evenmin sloeg hij acht op
de geheele, hem lang bekende, onbelangwekkende, bonte menigte van
toeschouwers in de volgepropte zaal. Hij zag daar altijd dezelfde
vrouwen der demimonde, dezelfde bankiers en koopmansvrouwen, dezelfde
officieren op den achtergrond der loges, dezelfde uniformen en
jassen, dezelfde geheimzinnige, ongelukkige massa van waarschijnlijk
menschelijke wezens, die daarboven in den engelenbak en op de galerijen
stikte en tierde; en eindelijk onder deze gansche menigte dezelfde
veertig eigenlijke en echte menschen, die op de gereserveerde plaatsen
en in de loges verspreid zaten. Dit waren de oasen, waarop al zijn
aandacht zich vestigde; en nog eer hij het parterre weer verlaten had,
had hij er zich reeds mede in betrekking gesteld.
Bij zijn binnenkomst was het bedrijf ten einde en daarom was hij,
zonder zich in de loge zijns broeders te begeven, langs de eerste
rij van het parterre gegaan en bleef hier voor het voetlicht naast
Serpuchowsky staan, die hier met teruggebogen knie zijn hiel op de
leuning gezet had, en, hem reeds van verre bemerkend, hem met een
glimlach tot zich had geroepen. Wronsky behoefde slechts deze "echte",
d.w.z. _zijn_ menschen aan te zien, op de richting hunner blikken
en de uitdrukking van hun gelaat acht te geven, hij behoefde slechts
hun op hem gerichte aandacht te bemerken om te begrijpen, wat op het
oogenblik het voorwerp hunner belangstelling was; deze belangstelling
werd verdeeld tusschen den verklaarden verloofde eener bekende jonge
dame, die bijna dronken naast haar in haar loge zat, en tusschen de
tegenwoordigheid van Anna Karenina. Wronsky wist, dat nu het voorname
gezelschap zich levendig bezig hield met het huwelijk van bovengenoemde
jonge dame, tot wier verloving met een door een ongelukkige ziekte
mismaakt en aan den drank verslaafd mensch haar ouders hun toestemming
hadden gegeven, omdat de vader van den bruidegom een zeer hooge,
invloedrijke betrekking bekleedde; en heden vertoonde de bruid zich
voor het eerst met haar verloofde in het publiek. Maar hij bemerkte,
dat het opzien, dat Anna's verschijning baarde, nog grooter was,
en dat al het glimlachen en schouderophalen, alle geestige zetten en
teekenen van verbazing op haar gemunt waren. Hij had Anna nog niet
bemerkt, maar hij zag met opzet niet naar haar plaats. Aan de richting
van ieders blik zag hij, waar hij haar zoeken moest. Hij was op het
ergste voorbereid. Hij zocht met de oogen naar Alexei Alexandrowitsch;
maar deze was heden gelukkig niet in den schouwburg.
"Hoe weinig is er van den militair in u overgebleven!" zeide
Serpuchowsky: "Een diplomaat, een kunstenaar of iets dergelijks."
"Ja, na mijn terugkomst heb ik den frak aangetrokken," antwoordde
Wronsky lachend en haalde langzaam zijn tooneelkijker te voorschijn.
"Daarin benijd ik u. Wanneer ik uit het buitenland terugkeer en dit
aandoe," hij raakte zijn epaulet aan--"dan betreur ik mijn vrijheid."
Serpuchowsky had zich reeds lang niets meer van Wronsky's werkzaamheid
in den dienst voorgesteld, maar hij hield nog evenveel van hem als
vroeger en nu, op dit oogenblik, nu hij zijn netelige positie volkomen
begreep, gaf hij zich bizonder veel moeite om vriendelijk jegens hem
te zijn."
"Jammer, voor het eerste bedrijf zijt ge te laat gekomen."
Wronsky luisterde slechts met één oor. Hij had den tooneelkijker
naar de bel-étage gericht en monsterde de loges. Naast een dame
met een tulband en een ouden heer, die boos door de glazen van zijn
beweegbaren tooneelkijker tuurde, herkende hij Anna's beeldschoon
hoofd, dat lachend uit zijn kanten lijst te voorschijn kwam. Zij
zat in de vijfde baignoire, nauwelijks twintig schreden van hem
verwijderd. Zij zat op de eerste rij en met een weinig achterover
gebogen hoofd sprak zij met Jawschin. De houding van haar hoofd op de
schoone, volle schouders en het gedempte vuur in haar oogen herinnerden
hem volkomen aan den avond, toen hij haar in Moskou op het bal ontmoet
had. Maar nu werkte haar schoonheid geheel anders op hem. In zijn
gevoel voor haar lag nu niets geheimzinnigs meer en daarom deed hem
nu haar schoonheid, hoewel zij hem nog sterker aantrok dan vroeger,
te gelijkertijd pijnlijk aan. Niet een enkele maal ontmoetten hun
blikken elkander; maar ook geen oogenblik hielden zij beiden op de
tegenwoordigheid van den ander te gevoelen.
Toen Wronsky nogmaals zijn kijker daarheen richtte, bemerkte hij
op het gelaat van vorstin Barbara een verschrikkelijke en toornige
uitdrukking en zag hij, hoe zij zich voortdurend naar de naburige loge
omkeerde. Ook Jawschin keek boos dien kant uit.--In die loge zaten de
Katawassow's. Wronsky kende hen en wist, dat ook Anna met hen bekend
was. Mevrouw Katawassow, een kleine, magere vrouw, was opgestaan en
sloeg, terwijl zij Anna den rug toekeerde, haar sortie om, waarbij haar
man haar behulpzaam was. Haar gezicht zag er rood en toornig uit en
zeer opgewonden zeide zij iets. Katawassow, een zwaarlijvige kaalkop,
trachtte zijn vrouw te kalmeeren, terwijl hij voortdurend naar Anna
omkeek. Toen de dame was heengegaan, aarzelde haar man een tijdlang,
terwijl hij met de oogen Anna's blik zocht met een blijkbaren wensch
haar te groeten. Zij scheen dat echter opzettelijk niet te willen
bemerken, maar wendde zich om en zeide iets tot Jawschin, die zijn
hoofd met het kortgeknipte haar naar haar toe boog. Katawassow verliet
den schouwburg, zonder voor Anna te hebben kunnen buigen, en de loge
bleef van dit oogenblik af ledig.
Wronsky wist niet, wat er tusschen de Katawassow's en Anna voorgevallen
was, maar zooveel was hem duidelijk, dat het iets vernederends
voor Anna moest geweest zijn. Hij maakte dat op uit hetgeen hij
gezien had en vooral uit het opgewonden gloeiend gelaat van Anna,
die, dat wist hij, haar laatste krachten verzamelde om haar rol ten
einde te spelen. En deze rol, uiterlijk kalm te schijnen, gelukte
haar volkomen. Wie haar en haar omgeving niet kende en niet alle
uitdrukkingen van medegevoel, ontsteltenis en verwondering van de
zijde der vrouwen, dat zij het waagde zoo in dit opvallend kanten
hoofdtooisel en met haar schoonheid openlijk voor de wereld te
verschijnen, gehoord had,--die moest de kalmte en schoonheid dezer
vrouw bewonderen en kon niet vermoeden, dat de gevoelens van een
mensch, dien men aan den schandpaal stelt, haar ziel beroerden.
Wronsky, die wist, dat er iets gebeurd was, maar niet wat, voelde een
kwellende onrust, en in de hoop iets meer te vernemen, begaf hij zich
naar de loge zijns broeders. Hij koos opzettelijk dien uitgang van
het parterre, die zich tegenover Anna's plaats bevond en ontmoette
hier zijn vroegeren regimentscommandant, die met twee bekenden
sprak. Wronsky hoorde nog, hoe zij den naam Karenina uitspraken,
en bemerkte, dat de commandant zich haastte, met beteekenisvollen
blik op de sprekenden, luide Wronsky's naam te noemen.
"Zoo, Wronsky! Wanneer kom je weer bij ons regement? Zonder een
afscheidsfeestje kunnen we je toch niet ontslaan!" zeide hij.
"Dat spijt me, maar ik heb nu geen tijd. Op een anderen
keer!" antwoordde Wronsky en snelde den trap op naar de loge zijns
broeders.
Hier zat zijn moeder, de oude gravin, met haar stijve
krullen. Warja was hem met prinses Sorakin op den corridor der
beletage tegengekomen. Warja begeleidde de prinses naar haar moeder,
toen gaf zij haar zwager een hand en begon dadelijk te spreken over
't geen hem belang inboezemde. Zij was zoo opgewonden, als hij haar
nog nooit gezien had.
"Ik vind dat gemeen en afschuwelijk en madame Katawassow had daar
volstrekt geen recht toe. Madame Karenina," begon ze.
"Nu? Wat dan"? Ik weet niets."
"Hoe? Hebt ge 't in 't geheel niet gehoord?"
"Je zult begrijpen, dat ik de laatste ben, die iets te hooren krijgt."
"Is er wel een boosaardiger schepsel dan deze mevrouw Katawassow?"'
"Wat heeft ze dan gedaan?"
"Mijn man heeft mij verteld.... Zij heeft madame Karenina
beleedigd. Haar man is uit zijn loge een gesprek met haar begonnen
en daarover heeft zijn vrouw hem een standje gemaakt. Zij moet hardop
iets beleedigends gezegd hebben en is heengegaan."
Prinses Sorakin verscheen in de deur.
"Graaf Wronsky, uw mama zou u gaarne spreken," zeide zij.
"Ik ben u nog altijd wachtende," zeide zijn moeder met een spottend
lachje, "men ziet u in 't geheel niet."
Haar zoon bemerkte, dat zij haar leedvermaak niet verbergen kon.
"Goeden avond, mama. Ik was op weg naar u toe," antwoordde hij
koeltjes.
"Waarom gaat ge niet faire la cour à madame Karénine? Elle fait
sensation. On oublie la Patti pour elle."
"Mama, ik verzoek u vriendelijk, daarvan niet te spreken," antwoordde
hij, het voorhoofd fronsend.
"Ik zeg slechts, wat allen zeggen."
Wronsky antwoordde niet en richtte eenige woorden tot de prinses. In
de deur trad hem zijn broeder tegen.
"Ach, Alexei! Welk een laagheid! Een dom schepsel, meer niet!... Ik
wilde reeds naar haar toegaan--Kom mee!"
Alexei Wronsky hoorde hem niet. Hij ging een corridor door naar
beneden. Hij gevoelde, dat hij iets doen moest, maar hij wist niet
wat. De toorn tegen haar, omdat zij zich zelf en hem in een valsche
positie had gebracht, maar ook het medegevoel met haar lijden wond
hem op. Hij ging door het parterre rechtstreeks naar haar loge. In
haar baignoire bevond zich Strenow, die met haar sprak.
"Er zijn tegenwoordig geen tenors meer. Le moule en est brisé."
Wronsky boog zich voor haar en groette Strenow.
"Ik geloof, dat ge te laat gekomen zijt en de schoonste aria niet
gehoord hebt," zeide Anna tot hem. Het scheen hem toe, dat zij hem
daarbij ironisch aanzag.
"Ik ben een slecht criticus," zeide hij, met een ernstigen blik
haar aanziende.
"Evenals vorst Jawschin," hernam zij lachend. "Die meent, dat Patti
te luid zingt; ik dank je," zei ze met haar kleine hand het programma
aannemend, dat Wronsky voor haar had opgeraapt. Op dit oogenblik
vertrok zij haar schoon gelaat; ze stond op en begaf zich naar den
achtergrond der loge.----
Toen Wronsky bemerkte, dat haar loge in het volgend bedrijf ledig
bleef, verliet ook hij het parterre en reed naar huis.
Hij vond haar alleen, nog in hetzelfde toilet, waarin zij den
schouwburg bezocht had. Zij zat op den eersten stoel aan den wand
en staarde voor zich uit; toen hij binnentrad, keek zij op en haar
gezicht behield voor een oogenblik zijn strakke uitdrukking.
"Waarom hebt ge...." begon zij en wilde opstaan. Maar hij hield haar
tegen. "Gij, gij zijt de schuld van alles!" riep zij, in tranen van
toorn uitbarstende, op wanhopigen toon.
"Anna! Ik heb u verzocht, u bezworen, er niet heen te gaan; ik wist,
dat het u onaangenaam zijn moest."
"Onaangenaam!" riep ze: "Ontzettend! Zoo lang ik leef, zal ik dat
niet vergeten! Zij zeide, dat het schande was naast mij te zitten...!"
"Woorden van een domme vrouw!" zeide hij; "maar waarom dat gewaagd,
waarom haar uitgedaagd?"
"Ik haat uw kalmte. Gij hadt mij niet zoover moeten brengen. Als gij
een weinig van mij hieldt...."
"Anna! waarom deze twijfel aan mijn liefde?"
"Wanneer gij mij liefhadt, zooals ik u liefheb, wanneer gij u zoo
kwellen moest, als ik...." En zij zag hem aan met een uitdrukking
van schrik, van ontzetting.
Maar toch was hij over haar ontstemd. Al verweet hij haar ook niets
met woorden, hij klaagde haar evenwel in zijn hart aan; maar toch
verzekerde hij haar van zijn liefde, daar hij wist, dat dit alleen
haar troosten kon.
En deze liefdesbetuigingen, die hem zoo alledaagsch toeschenen, dat
hij zich schaamde ze uit te spreken, ving zij gretig op en zij werd
langzamerhand weer kalm. Den volgenden dag reisden zij, geheel met
elkander verzoend, naar het land.