VI.

Toen Wronsky in het hotel terugkeerde, was Anna niet te huis. Spoedig

na zijn vertrek werd hem medegedeeld, dat er een dame was gekomen en

zij met deze was uitgereden. Dat zij uitgereden was zonder hem te

laten weten waarheen, dat zij nu nog niet weer terug was, dat zij

dien morgen in alle vroegte buiten zijn weten reeds ergens heen was

geweest, dit alles te zamen met haar zonderling opgewonden voorkomen

des voormiddags, toen zij hem met een bijna vijandigen blik de

portretten van haar zoon in Jawschins tegenwoordigheid uit de hand

had genomen, dit alles wekte zijn achterdocht op. Zoo wachtte hij

haar in haar salon.

Maar Anna keerde niet alleen terug. Zij bracht een arme nicht, een

oude vrijster, vorstin Oblonsky, mede. Dit was dezelfde dame, die

des voormiddags bij haar was geweest en met wie zij was uitgereden

om inkoopen te doen.

Anna scheen de bekommerde en onderzoekende uitdrukking op Wronsky's

gelaat in 't geheel niet te bemerken en vertelde hem vroolijk, wat ze

al zoo gekocht had. Maar hij zag, dat er iets in haar omging; in de

schitterende oogen, wanneer ze een oogenblik op hem rustten, lag een

gespannen aandacht en in haar woorden en gebaren dezelfde vlugheid

en aanvalligheid, die hem in den eersten tijd hunner kennismaking

zoozeer had aangetrokken.

Er was voor vier personen gedekt. Allen waren reeds bijeen toen

Tuschkewitsch nog met een boodschap van vorstin Betsy aan Anna

kwam. Betsy liet zich excuseeren, dat zij niet meer kon komen afscheid

nemen, daar zij ongesteld was, en verzocht Anna haar tusschen zeven

en negen te bezoeken. Wronsky zag Anna aan bij deze nauwkeurige

bepaling van den tijd, die toonde, dat er maatregelen genomen waren

om een ontmoeting met anderen te verhinderen. Maar Anna scheen dat

volstrekt niet te bemerken.

"Het spijt me, dat ik juist tusschen zeven en negen geen tijd heb,"

antwoordde zij met een nauwelijks merkbaar lachje.

"Dat zal de vorstin zeer spijten."

"Mij ook."

"Wil u Patti ook soms hooren?" vroeg Tuschkewitsch.

"Patti? Daar zegt u zoo iets! Ik zou er wel heen gaan, als ik wist,

dat ik nog een loge kon krijgen."

"Ik kan er u een verschaffen," sloeg Tuschkewitsch haar voor.

"Ik zou u bizonder dankbaar zijn," antwoordde Anna. "Wil u niet met

ons dineeren? Mag ik u aan elkander voorstellen?"

Wronsky trok nauwelijks merkbaar de schouders op. Hij verloor

zijn kalmte en kon Anna niet meer begrijpen. Waarom noodigde zij

Tuschkewitsch uit om te blijven dineeren en, wat meer beduidde, wat

wilde zij met een loge? Kon men er dan in haar toestand aan denken

naar een Patti-voorstelling te gaan, waar de geheele haar bekende kring

verschijnen zou? Hij zag haar verwijtend aan, maar zij antwoordde hem

met den zelfden uitdagenden, half vroolijken, half verslagen blik,

waarvan hij de beteekenis niet vatten kon.

Gedurende het diner was Anna opgewonden vroolijk. Het scheen alsof ze

met Tuschkewitsch en Jawschin coquetteeren wilde. Na het diner reed

Tuschkewitsch weg om voor een loge te zorgen en Wronsky en Jawschin

gingen naar beneden om te rooken.

Nadat Wronsky een tijdlang beneden had gezeten, haastte hij zich

weer naar boven, naar Anna. Zij had zich reeds omgekleed en droeg een

lichtzijden met fluweel bezet kleed, dat zij in Parijs besteld had;

het was van voren op de borst hartvormig uitgesneden, en op het hoofd

droeg zij witte kant, die haar gelaat omlijstte en haar verblindende

schoonheid voordeelig deed uitkomen.

"Wilt gij werkelijk naar de schouwburg gaan?" vroeg hij bezorgd en

deed moeite haar niet aan te zien, opdat haar wegsleepende schoonheid

geen invloed op hem zou uitoefenen.

"Waarom vraag je dat zoo verschrikt?" antwoordde zij. "Waarom zou ik

er niet heengaan?"

Zij scheen de beteekenis zijner woorden niet te begrijpen.

"Daar is waarlijk geen reden voor!" zeide hij met gefronst voorhoofd.

"Datzelfde zeg ik immers ook," zeide zij met een onverschillig lachje

en keerde haar langen, welriekenden handschoen om.

"Anna! Om Godswil! Wat scheelt u?" vroeg hij, om haar op te wekken,

evenals vroeger haar man tot haar gesproken had.

"Ik begrijp niet wat ge wilt!"

"Je weet toch, dat je niet naar de schouwburg kunt gaan?"

"Waarom? Ik ga er niet alleen heen. Vorstin Barbara is naar huis

gereden om zich te kleeden. Zij zal mij vergezellen."

Met een uitdrukking van besluiteloosheid en vertwijfeling haalde hij

de schouders op.

"Weet je dan niet...." begon hij weer.

"Aan dat alles wil ik echter niet denken," schreeuwde zij bijna:

"Ik wil niet! Heb ik soms berouw over wat ik gedaan heb? Neen, neen en

nogmaals neen! En wanneer het weer van voren af aan begon, dan zou het

evenzo geschieden. Voor ons, voor u en voor mij is slechts dit ééne van

betekenis: dat wij elkander liefhebben en dat al het andere voor ons in

't geheel niet bestaat. Waarom wonen wij hier gescheiden en zien wij

elkander bijna niet? Waarom mag ik niet naar den schouwburg? Ik bemin

u, en anders is mij alles onverschillig. Maar uw gevoelens jegens mij

zijn veranderd!" zeide zij en zag hem met een eigenaardig schitterenden

en raadselachtigen blik aan. "Waarom ziet gij mij niet aan?"

Hij zag haar aan. Hij bemerkte de schoonheid van haar gelaat en

haar elegant toilet. Maar juist nu hinderden hem haar schoonheid

en élégance.

"Mijn gevoelens jegens u zijn niet veranderd, dat weet je; maar ik bid,

ik bezweer je, ga niet naar de schouwburg!"

Zij verstond zijn woorden niet, maar zij gevoelde zijn kouden blik

en antwoordde boos:

"En ik verzoek u, mij te verklaren, waarom ik er niet heen mag."

"Omdat het licht reden kan geven tot...."

Hij bleef steken.

"Ik begrijp er niets van. Jawschin n'est pas compromettant, en vorstin

Barbara zal mij vergezellen. Daar is zij reeds!"

Anna Karenina(#13214) · 第 133 / 196 题