Hoe vurig Anna ook verlangd had haar zoon weer te zien en hoewel zij
zich in alle opzichten daarop had voorbereid, had ze toch niet gedacht,
dat deze ontmoeting haar zóó zou aangrijpen. In het hotel teruggekeerd,
kon ze geruimen tijd niet begrijpen, waarom ze daar was.
"Ja, alles is weer voorbij en ik ben weer alleen," sprak ze in zich
zelf en zonder den hoed af te zetten ging ze op den stoel zitten,
die bij den haard stond. Met starenden blik keek zij naar de bronzen
pendule, die op de console tusschen de beide vensters stond.
De Italiaansche min bracht het kleine meisje en hield het Anna toe. Het
kleine, dikke, wel doorvoede kindje draaide evenals altijd, wanneer
het zijn moeder zag, de ronde, volle armpjes met de handpalm naar
beneden, lachte met het nog tandelooze mondje, en, evenals een visch
met zijn vinnen doet, begon het met de handjes op zijn gesteven rokje
te slaan. Men moest glimlachen, het kind kussen, en het den vinger
toehouden, dien het juichend en met het geheele lichaam opspringend
greep, en dan moest men het de lippen toehouden, die het in plaats
van ze te kussen inzoog.
Dat alles deed Anna, nam het op den arm, liet het springen en kuste
het de frissche wangen en de bloote armpjes, maar bij den aanblik van
dit kind, werd zij zich bewust, dat zelfs het gevoel, dat zij voor het
kindje koesterde in vergelijking van dat voor Serëscha geen liefde kon
genoemd worden. Alles in dit kleine meisje was bekoorlijk, maar het
roerde haar hart niet. Op het eerste kind, hoewel van een onbeminden
man, had zij al de kracht harer liefde, die geen bevrediging gevonden
had, vereenigd; aan het kleine, onder de moeielijkste omstandigheden
geboren meisje was niet het honderdste deel van de zorg besteed,
die men eens aan Serëscha had gewijd. Buitendien was de kleine nog
geheel verwachting, Serëscha daarentegen was reeds bijna een mensch,
een geliefd mensch en in hem bewogen zich reeds gedachten en gevoelens;
hij begreep en beminde haar en kon zich reeds een oordeel vormen. En
van hem was zij nu voor altijd, niet alleen lichamelijk, maar ook
geestelijk gescheiden, en daaraan was niets meer te veranderen!
Zij gaf het kleine meisje aan de min terug en nam een album waarin zich
alle photographieën van haar zoon in zijn verschillende levensjaren
bevonden. Zij beschouwde ze en daarbij viel haar blik ook op Wronsky's
portret.
"Dat is hij!" zeide zij en dacht daarbij aan hem als aan dengene,
die de schuld was van haar tegenwoordigen, ongelukkigen toestand. Den
ganschen morgen had zij niet aan hem gedacht. Maar nu haar plotseling
dit mannelijk schoone, welbekende, dierbare gelaat tegenstraalde,
nu gevoelde zij een onverwachte opwelling van liefde voor hem.
"Waar is hij? Waarom laat hij mij nu zoo alleen met mijn smart?" dacht
zij plotseling met een treurig gevoel van verwijt, maar toch ook
van liefde, terwijl ze vergat, dat zij zelf voor hem alles, wat haar
zoon betrof, geheim had gehouden. Zij zond naar hem toe om te vragen,
of hij terstond bij haar wilde komen. De bode kwam met het antwoord
terug, dat hij bezoek had, maar dat hij spoedig zou komen en of hij
vorst Jawschin mocht meebrengen.
"Hij komt niet alleen, hoewel hij mij sedert gisteren middag niet
gezien heeft," dacht zij, en plotseling kwam de gedachte in haar op,
dat hij haar reeds lang niet meer liefhad en dat nu voor haar geheim
zocht te houden. Het weerzien van haar zoon, de ontmoeting met haar
echtgenoot, al haar herinneringen aan het verleden, alles had zij nu
vergeten. "Ja, hij bemint mij niet meer! Hoe is het mogelijk, dat ik
dit niet reeds eerder bemerkt heb!" En terwijl zij alle gebeurtenissen
van den dag in haar geest naging, vond zij in alles met ontzetting de
bevestiging van dit vreeselijk vermoeden. Dat hij gisteren middag niet
te huis bij haar gegeten had, dat hij er op had aangedrongen, dat zij
in Petersburg ieder voor zich een afzonderlijke woning zouden nemen,
en dat hij nu met zijn gast bij haar kwam, alsof hij een ontmoeting
met haar alleen vermijden wilde...."
"Maar hij moet het mij zeggen! Ik moet het weten! En als ik het weet,
dan weet ik ook, wat mij te doen staat," zeide zij buiten staat zijnde
zich den toestand voor te stellen, waarin zij geraken zou, wanneer ze
zich werkelijk van zijn onverschilligheid overtuigd zou hebben. Zij
gevoelde zich de vertwijfeling nabij en ten gevolge daarvan in een
buitengewoon opgewonden toestand. Zij schelde om het meisje en ging
naar haar toiletkamer. Zij hield zich nu meer dan gewoonlijk met haar
toilet bezig, alsof hij haar weer lief moest krijgen, wanneer ze een
kapsel en een kleed droeg, die haar het best stonden. Slechts aan
hem dacht zij nog, aan haar liefde en niet meer aan haar zoon. Nog
eer zij gereed was, hoorde zij de gasten schellen.
Toen zij het salon betrad, was het niet zijn, maar Jawschins blik,
die haar het eerst begroette; hij beschouwde de photographieën van
haar zoon, die zij op de tafel had laten liggen, en hij scheen geen
haast te hebben om zich tot haar te wenden.
"Wij zijn reeds oude bekenden," zeide zij en legde glimlachend haar
kleine hand in de buitengewoon groote van den ietwat verlegen Jawschin;
deze verlegenheid stond hem wonderlijk bij zijn hooge gestalte en
forsch gelaat. "Verleden jaar hebben wij elkaar bij den wedren leeren
kennen. Waren de wedrennen dit jaar ook interessant? Ik heb daarvoor
de Corsoin Rome leeren kennen. Maar gij zijt geen vereerder van het
buitenlandsche," zeide zij hem bemoedigend toelachend. Ik ken u en
uw smaak, hoewel we elkander slechts eenmaal ontmoet hebben."
"Dat spijt me, want ik heb een slechten smaak," antwoordde hij.
Nadat zij zoo een tijdlang gepraat hadden, bemerkte Jawschin, dat
Wronsky naar de pendule keek. Hij vroeg daarom nog slechts, of zij nog
lang in Petersburg dachten te blijven, en greep daarna naar zijn muts.
"Ik denk niet lang," antwoordde zij, Wronsky verlegen aanziende.
"Dan zullen wij elkander wel niet meer zien," zeide Jawschin opstaande
en zich tot Wronsky wendende. "Waar gaat ge van middag eten?"
"Wees van middag mijn gast," zeide Anna vastberaden, terwijl zij zich
ergerde over haar verlegenheid, want zij bloosde als gewoonlijk,
wanneer ze in het bijzijn van een vreemde op haar tegenwoordigen
toestand moest zinspelen. "Het eten is hier wel is waar niet bizonder
goed, maar gij beiden kunt dan ten minste hij elkander blijven. Alexei
houdt van niemand zijner kameraden zooveel als van u."
"Dat verheugt mij zeer," antwoordde Jawschin, met een lachje, waaraan
Wronsky bemerkte, dat Anna een goeden indruk op hem gemaakt had, en
terwijl hij Anna eerbiedig naderde, drukte hij haar weer voorzichtig
de hand.
Wronsky was met Jawschin opgestaan.
"Dus gij gaat ook?" zeide zij en gaf ook hem de hand.
"Ik had mij reeds wat verlaat," antwoordde hij. "Ga maar vooruit,
ik zal u wel weer inhalen," riep hij Jawschin toe, die reeds bij de
deur stond.
Zij hield zijn hand vast en zag hem met onafgewenden blik aan,
terwijl zij er over nadacht, wat zij hem zou kunnen zeggen om hem
terug te houden.
"Wacht, ik wil u iets zeggen," sprak zij en drukte zijn hand tegen
haar hals. "Het hindert toch niet, dat ik hem uitgenoodigd heb?"
"Dat was heel goed van u," antwoordde hij, terwijl hij haar lachend
de hand kuste.
"Alexei, ge zijt toch niet jegens mij veranderd?" vroeg zij met beide
handen de zijne drukkend.
"Alexei, het verblijf hier is voor mij zoo pijnlijk. Wanneer reizen
wij af?"
"Spoedig, spoedig! Gij kunt niet denken, hoe zwaar het leven hier
ook mij valt," antwoordde hij zijn hand terugtrekkend.
"Nu, ga dan maar heen!" zeide zij beleedigd en wendde zich snel van
hem af.