XXXVI.

Gravin Lydia Iwanowna was als zeer jong, dweepziek meisje aan een

rijk, aanzienlijk, goedhartig, maar zeer losbandig man van de wereld

uitgehuwelijkt geworden. Maar reeds na twee maanden werd zij door haar

echtgenoot verlaten. De overstroomende en sentimenteele betuigingen

harer liefde had hij slechts met spot, zelfs met vijandschap

beantwoord, zoodat de menschen, die zijn goed hart kenden en tevens

meenden, dat de phantastische Fanny geen gebreken had, zich dat

volstrekt niet konden verklaren. Zij hadden zich niet laten scheiden,

maar haar man leefde niet met haar en bij elke ontmoeting bejegende

hij haar steeds met bitteren spot.

Zij had reeds lang opgehouden op hem verliefd te zijn, maar zij had

sedert niet opgehouden op iemand verliefd te wezen, somwijlen op meer

te gelijk, op vrouwen en mannen en schier op allen, die zich door

iets uitstekends onderscheidden. Zij was verliefd op alle nieuwe

prinsen en prinsessen van het keizerlijk huis, zij was verliefd

op den metropoliet, op een vicaris en op een anderen geestelijke;

zij was verliefd op een journalist, op een minister, op een dokter,

op een Engelschen zendeling en eindelijk op Karenin. Maar al deze

groote liefde, die nu sterker dan zwakker was, verhinderde haar niet

in de uitgestrektste en gecompliceerdste betrekkingen tot het hof en

de gezelschapswereld te staan.

Na het ongeluk, dat Karenin had getroffen, nam zij hem onder

haar bizondere bescherming en nadat zij zijn geheele huis had

ingericht, bemerkte zij, dat al haar vroegere en al haar overige

liefde niet de rechte was geweest, maar dat zij slechts en alleen

nu werkelijk op Karenin verliefd was. Terwijl zij haar gevoel

ontleedde en met het vroegere vergeleek, werd het haar duidelijk,

dat zij op Kommissarow volstrekt niet verliefd zou zijn geworden,

als hij het leven des keizers niet gered had, en niet op Ristitsch,

als het Slavische vraagstuk er niet geweest was, dat zij echter

Karenin om zijn zelfs wil lief had uithoofde van zijn verheven door

anderen niet gewaardeerde beginselen, uithoofde van den lieven toon

zijner stem met de lange klemtonen, uithoofde van zijn matten blik,

uithoofde van zijn karakter en van zijn witte handen met gezwollen

aderen. Zij was niet slechts verheugd als zij hem ontmoette, maar

zij bespiedde ook den indruk, dien zij op hem maakte. Zij trachtte

hem niet slechts met haar woorden te bevallen, maar met haar geheele

persoonlijkheid. Om zijnentwil maakte zij nu meer werk van haar toilet,

dan ooit te voren. Zij bloosde, als hij in de kamer kwam, zij kon ook

een lachje van genoegen niet weerhouden als hij haar iets aangenaams

zeide. Zij betrapte zich zelfs op de gedachte, hoe het wel zijn zou,

als zij niet gehuwd en hij vrij was.

Reeds sedert eenigen tijd verkeerde Lydia Iwanowna in de sterkste

spanning. Zij had vernomen, dat Anna en Wronsky naar Petersburg waren

teruggekeerd. Alexei Alexandrowitsch moest tegen een ontmoeting met

hen beschermd worden, hij moest zelfs van hun nabijheid geen kennis

dragen, omdat hem dit slechts kwellen zoude, hij mocht niet weten, dat

deze verschrikkelijke vrouw weer in de stad was en hij elk oogenblik

tegenover haar staan konde.

Lydia liet door haar kennissen uitvorschen, met welk doel die

afschuwelijke menschen (zooals zij Anna en Wronsky noemde) teruggekeerd

waren. De jonge adjudant, een vriend van Wronsky, die door haar

carrière hoopte te maken en door wien zij haar inlichtingen ontving,

bracht haar de geruststellende tijding, dat zij hun bemoeiingen,

waarvoor zij waren overgekomen, reeds ten einde gebracht hadden en

den volgenden dag weer zouden afreizen. Lydia Iwanowna had zich bijna

al gerust gesteld, toen men haar den volgenden morgen een briefje

overbracht, in welks schrift zij dadelijk Anna Karenina's hand

herkende. Het couvert bestond uit papier, zoo dik als boomschors,

op welk geel papier zich een reusachtig monogram bevond en waaruit

een aangename geur haar tegenkwam.

"Wie heeft dat gebracht?"

"Een commissionnair uit een hotel."

Gravin Lydia Iwanowna vermocht zich nauwelijks neder te zetten om

den brief te lezen. Door de sterke gemoedsbeweging kreeg zij een

aanval van kortademigheid, waaraan zij somwijlen leed. Eindelijk,

nadat zij wat kalmer was geworden, las zij het volgende:

"Madame la comtesse! De Christelijke gevoelens, die uw hart vervullen,

geven mij den moed aan u te schrijven. Ik gevoel mij ongelukkig

door de scheiding van mijn zoon. Ik smeek u om de toestemming hem

nog eenmaal voor mijn vertrek te zien. Vergeef mij, dat ik u aan

mij herinner. Ik wend mij tot u en niet tot Alexei Alexandrowitsch,

omdat ik dezen edelmoedigen man niet door de herinnering aan mij

mag laten lijden. Daar ik uw vriendschap voor hem ken, zal u mij

begrijpen. Zend Serëscha bij mij, of zal ik op een bepaald uur bij u

aan huis komen? Anders verzoek ik u mij te doen weten, wanneer en waar

ik hem ontmoeten kan. Ik hoop, dat mij dit niet geweigerd zal worden,

daar ik de edelmoedigheid ken van hem, van wien dit afhangt. U kan zich

niet voorstellen, hoe ik door verlangen word verteerd en daarom kan

u zich ook niet voorstellen, hoe dankbaar ik zijn zal voor de hulp,

die u mij zal verleenen. Anna."

Alles in dezen brief verstoorde de gravin: de inhoud, het aanroeren van

Karenins edelmoedigheid en vooral de, naar haar meening, te vrije toon.

"Zeg, dat er geen antwoord is," zeide zij tot den bediende, opende

dadelijk haar schrijfportefeuille en schreef aan Karenin, dat zij

bepaald hoopte hem om één uur bij de felicitatie op het slot te

ontmoeten.

"Ik moet met u over een gewichtige en treurige zaak spreken;

waar? Zullen we daar de plaats bepalen? Het beste zou zijn bij mij aan

huis, waar ik de thee voor u zal gereed hebben. Maar het is volstrekt

noodig. Hij legt het kruis op, maar Hij geeft ook de kracht om het

te dragen," voegde zij er bij om hem een weinig voor te bereiden.

De gravin schreef gewoonlijk elken dag twee of drie briefjes aan

Alexei Alexandrowitsch. Zij hield van deze wijze van mededeeling,

daar zich hierin iets geheimzinnigs met elegance verbond, wat anders

in haar persoonlijke relatien geheel ontbrak.

Anna Karenina(#13214) · 第 123 / 196 题