Gravin Lydia Iwanowna was als zeer jong, dweepziek meisje aan een
rijk, aanzienlijk, goedhartig, maar zeer losbandig man van de wereld
uitgehuwelijkt geworden. Maar reeds na twee maanden werd zij door haar
echtgenoot verlaten. De overstroomende en sentimenteele betuigingen
harer liefde had hij slechts met spot, zelfs met vijandschap
beantwoord, zoodat de menschen, die zijn goed hart kenden en tevens
meenden, dat de phantastische Fanny geen gebreken had, zich dat
volstrekt niet konden verklaren. Zij hadden zich niet laten scheiden,
maar haar man leefde niet met haar en bij elke ontmoeting bejegende
hij haar steeds met bitteren spot.
Zij had reeds lang opgehouden op hem verliefd te zijn, maar zij had
sedert niet opgehouden op iemand verliefd te wezen, somwijlen op meer
te gelijk, op vrouwen en mannen en schier op allen, die zich door
iets uitstekends onderscheidden. Zij was verliefd op alle nieuwe
prinsen en prinsessen van het keizerlijk huis, zij was verliefd
op den metropoliet, op een vicaris en op een anderen geestelijke;
zij was verliefd op een journalist, op een minister, op een dokter,
op een Engelschen zendeling en eindelijk op Karenin. Maar al deze
groote liefde, die nu sterker dan zwakker was, verhinderde haar niet
in de uitgestrektste en gecompliceerdste betrekkingen tot het hof en
de gezelschapswereld te staan.
Na het ongeluk, dat Karenin had getroffen, nam zij hem onder
haar bizondere bescherming en nadat zij zijn geheele huis had
ingericht, bemerkte zij, dat al haar vroegere en al haar overige
liefde niet de rechte was geweest, maar dat zij slechts en alleen
nu werkelijk op Karenin verliefd was. Terwijl zij haar gevoel
ontleedde en met het vroegere vergeleek, werd het haar duidelijk,
dat zij op Kommissarow volstrekt niet verliefd zou zijn geworden,
als hij het leven des keizers niet gered had, en niet op Ristitsch,
als het Slavische vraagstuk er niet geweest was, dat zij echter
Karenin om zijn zelfs wil lief had uithoofde van zijn verheven door
anderen niet gewaardeerde beginselen, uithoofde van den lieven toon
zijner stem met de lange klemtonen, uithoofde van zijn matten blik,
uithoofde van zijn karakter en van zijn witte handen met gezwollen
aderen. Zij was niet slechts verheugd als zij hem ontmoette, maar
zij bespiedde ook den indruk, dien zij op hem maakte. Zij trachtte
hem niet slechts met haar woorden te bevallen, maar met haar geheele
persoonlijkheid. Om zijnentwil maakte zij nu meer werk van haar toilet,
dan ooit te voren. Zij bloosde, als hij in de kamer kwam, zij kon ook
een lachje van genoegen niet weerhouden als hij haar iets aangenaams
zeide. Zij betrapte zich zelfs op de gedachte, hoe het wel zijn zou,
als zij niet gehuwd en hij vrij was.
Reeds sedert eenigen tijd verkeerde Lydia Iwanowna in de sterkste
spanning. Zij had vernomen, dat Anna en Wronsky naar Petersburg waren
teruggekeerd. Alexei Alexandrowitsch moest tegen een ontmoeting met
hen beschermd worden, hij moest zelfs van hun nabijheid geen kennis
dragen, omdat hem dit slechts kwellen zoude, hij mocht niet weten, dat
deze verschrikkelijke vrouw weer in de stad was en hij elk oogenblik
tegenover haar staan konde.
Lydia liet door haar kennissen uitvorschen, met welk doel die
afschuwelijke menschen (zooals zij Anna en Wronsky noemde) teruggekeerd
waren. De jonge adjudant, een vriend van Wronsky, die door haar
carrière hoopte te maken en door wien zij haar inlichtingen ontving,
bracht haar de geruststellende tijding, dat zij hun bemoeiingen,
waarvoor zij waren overgekomen, reeds ten einde gebracht hadden en
den volgenden dag weer zouden afreizen. Lydia Iwanowna had zich bijna
al gerust gesteld, toen men haar den volgenden morgen een briefje
overbracht, in welks schrift zij dadelijk Anna Karenina's hand
herkende. Het couvert bestond uit papier, zoo dik als boomschors,
op welk geel papier zich een reusachtig monogram bevond en waaruit
een aangename geur haar tegenkwam.
"Wie heeft dat gebracht?"
"Een commissionnair uit een hotel."
Gravin Lydia Iwanowna vermocht zich nauwelijks neder te zetten om
den brief te lezen. Door de sterke gemoedsbeweging kreeg zij een
aanval van kortademigheid, waaraan zij somwijlen leed. Eindelijk,
nadat zij wat kalmer was geworden, las zij het volgende:
"Madame la comtesse! De Christelijke gevoelens, die uw hart vervullen,
geven mij den moed aan u te schrijven. Ik gevoel mij ongelukkig
door de scheiding van mijn zoon. Ik smeek u om de toestemming hem
nog eenmaal voor mijn vertrek te zien. Vergeef mij, dat ik u aan
mij herinner. Ik wend mij tot u en niet tot Alexei Alexandrowitsch,
omdat ik dezen edelmoedigen man niet door de herinnering aan mij
mag laten lijden. Daar ik uw vriendschap voor hem ken, zal u mij
begrijpen. Zend Serëscha bij mij, of zal ik op een bepaald uur bij u
aan huis komen? Anders verzoek ik u mij te doen weten, wanneer en waar
ik hem ontmoeten kan. Ik hoop, dat mij dit niet geweigerd zal worden,
daar ik de edelmoedigheid ken van hem, van wien dit afhangt. U kan zich
niet voorstellen, hoe ik door verlangen word verteerd en daarom kan
u zich ook niet voorstellen, hoe dankbaar ik zijn zal voor de hulp,
die u mij zal verleenen. Anna."
Alles in dezen brief verstoorde de gravin: de inhoud, het aanroeren van
Karenins edelmoedigheid en vooral de, naar haar meening, te vrije toon.
"Zeg, dat er geen antwoord is," zeide zij tot den bediende, opende
dadelijk haar schrijfportefeuille en schreef aan Karenin, dat zij
bepaald hoopte hem om één uur bij de felicitatie op het slot te
ontmoeten.
"Ik moet met u over een gewichtige en treurige zaak spreken;
waar? Zullen we daar de plaats bepalen? Het beste zou zijn bij mij aan
huis, waar ik de thee voor u zal gereed hebben. Maar het is volstrekt
noodig. Hij legt het kruis op, maar Hij geeft ook de kracht om het
te dragen," voegde zij er bij om hem een weinig voor te bereiden.
De gravin schreef gewoonlijk elken dag twee of drie briefjes aan
Alexei Alexandrowitsch. Zij hield van deze wijze van mededeeling,
daar zich hierin iets geheimzinnigs met elegance verbond, wat anders
in haar persoonlijke relatien geheel ontbrak.