Alexei Alexandrowitsch had gravin Lydia Iwanowna vergeten, maar zij
hem niet. In deze moeielijke oogenblikken zijner verlatenheid en
vertwijfeling kwam zij tot hem en trad onaangediend zijn kabinet
binnen. Zij vond hem nog in dezelfde houding, met het hoofd op de
handen geleund.
"J'ai forcé la consigne," zeide zij, door ijver en haastige
beweging bijna buiten adem geraakt: "Ik heb alles gehoord. Alexei
Alexandrowitsch! Mijn vriend!" ging zij voort en drukte zijn beide
handen, terwijl zij met de schoone dwepende oogen in de zijne staarde.
Alexei Alexandrowitsch stond met gefronst voorhoofd op, bevrijdde
zijn handen en schoof haar een stoel toe.
"Verplicht, gravin! Overigens, ik ben zeer ongesteld," en zijn
lippen beefden.
"Mijn vriend!" hernam zij zonder haar oogen van hem af te wenden;
plotseling trok zij haar wenkbrauwen op, zoodat zij op haar voorhoofd
een driehoek vormden, haar onbevallig gelaat werd nog onbevalliger,
maar Karenin gevoelde, dat men hem beklaagde als een ziek lijdend kind,
en dat had hij noodig. Hij greep haar hand en kuste ze.
"Mijn vriend!" zeide zij met van aandoening haperende stem: "Ge moogt
u niet zoo aan de droefheid overgeven. Uw leed is groot, maar ge moet
troost zoeken."
"Ach, gravin, ik ben verslagen, ik ben als dood, ik ben geen mensch
meer!" zeide Karenin, terwijl hij haar hand losliet en haar in de met
tranen gevulde oogen zag. "Mijn toestand is daarom zoo verschrikkelijk,
omdat ik nergens hulp of steun kan zien."
"O, ge zult dien steun vinden! Zie dien niet in mij, hoewel ik
u verzoek aan mijn vriendschap te gelooven," sprak zij met een
zucht. "Ons anker en steunpunt is de liefde, die Hij ons heeft
nagelaten.--Zijn last is licht!" zeide zij met dat dwepend
opwaartszien, dat hij vroeger niet kon verdragen. "Hij zal u
steunen. Hij zal u helpen!"
In deze woorden openbaarde zich een ontroering over eigen verheven
gevoelens en een mystieke stemming, die zich sedert kort in Petersburg
deed gelden en die Karenin anders voor zeer overtollig hield; maar
nu was het hem toch aangenaam ze te hooren.
"Ja, u heeft gelijk! Ik ben zwak, ik ben vernietigd! Van alles heb
ik niets vermoed en ook nu begrijp ik niets."
"Mijn vriend!" hernam Lydia Iwanowna.
"Niet het verlies van hetgeen ik mis betreur ik, maar ik moet mij
over den toestand, waarin ik mij bevind, voor de menschen schamen."
"O, deze hebben niet de vrucht der vergeving in uw hart doen rijpen,"
zeide Lydia, de oogen weer dweepachtig naar boven slaande, "maar Hij,
die in uw harte woont,--en daarom moogt ge u voor hen niet schamen."
"Maar men moet alle bizonderheden kennen," hernam hij. "Des menschen
krachten hebben haar grenzen en deze heb ik bereikt. Heden moet ik den
geheelen dag hier in huis beschikkingen maken, die de gevolgen mijner
nieuwe, eenzame verlatenheid zijn. De dienstboden, de gouvernante,
de rekeningen.... Dit kleine vuur heeft mij zoo verbrand, dat ik tot
niets meer in staat ben. Des middags.... Gisteren was ik bijna van
tafel opgestaan.... Ik kon het niet uithouden, zooals mijn zoon mij
aanzag. Hij vroeg mij niet, wat dit alles beteekende, maar hij wilde
vragen en ik kon zijn blik niet uithouden...."
Hij wilde ook van de rekening, die men hem voorgelegd had, melding
maken, maar zijn stem beefde en hij moest ophouden. Aan deze rekening
van haar hoeden en linten, op het blauwe papier, kon hij niet denken
zonder schaamte en zonder medelijden met zich zelf.
"Ik begrijp dat, mijn vriend," zeide de gravin. "Ik begrijp u
volkomen. Bij mij zal u wel niet veel troost en hulp vinden, maar ik
ben ook slechts gekomen om u te helpen, als ik het kan. Als ik u maar
van al deze kleine, voor u vernederende zorgen kon bevrijden! Ik zie
het reeds: het woord eener vrouw, de beschikkingen eener vrouw zijn
hier noodig. Wil u mij dat overlaten?"
Alexei Alexandrowitsch drukte haar zwijgend en dankbaar de hand.
"Wij zullen ons te zamen met Serëscha bezighouden. Ik ben wel in
practische dingen niet zeer ervaren, maar ik zal 't mij eigen maken,
ik wil uw huishoudster zijn. Dank mij niet, ik doe het om....'
"Ik moet u dankbaar zijn...."
"Maar, mijn vriend, aan dat gevoel, waarvan ge zooeven spraakt,
moogt ge u niet overgeven. U mag zich niet schamen voor hetgeen
de roem van een Christen zijn moet. Die zich zelf vernedert, zal
verhoogd worden. En mij heeft u niets te danken. Hem slechts zijt
ge dank verschuldigd, bij Hem moet u troost en hulp zoeken. In Hem
alleen is vrede, troost, redding en liefde te vinden!" zeide zij, hief
haar oogen hemelwaarts en, zooals Karenin aan haar zwijgen bemerkte,
begon zij te bidden.
Alexei Alexandrowitsch was een gematigd geloovig man, voor wien
de godsdienst vooral in politiek opzicht belang had, en de nieuwe
richting, die zich nieuwe uitleggingen en aanwijzingen veroorloofde,
was hem in beginsel onaangenaam, daar zij leidde tot verschillen
en onderzoekingen van allerlei aard. Evenwel hoorde hij nu Lydia
Iwanowna's woorden met genoegen en sprak ze niet tegen.
"Ik ben u zeer, zeer dankbaar voor uw woorden zoowel als voor uw
werken," zeide hij, toen hij zag, dat zij haar gebed geëindigd had.
Zij drukte hem nog eenmaal beide handen.
"Nu wil ik aan het werk gaan," zeide zij lachend en wischte haar
tranen af. "Ik ga naar Serëscha en slechts in het uiterste geval zal
ik mij tot u wenden."
Gravin Lydia ging naar Serëscha, en terwijl zij de wangen van den
verschrikten knaap met haar tranen bevochtigde, zeide zij tot hem,
dat zijn vader een heilige en zijn moeder gestorven was.
Gravin Lydia Iwanowna hield haar belofte. Zij nam inderdaad alle zorgen
der nieuwe huishoudelijke inrichting op zich. Maar zij had ook niet
overdreven, toen zij zeide, dat zij in practische dingen niet zeer
ervaren was. Bijna al haar verordeningen moesten veranderd worden,
daar zij onuitvoerbaar waren, en zij werden veranderd door Karnej,
Karenins kamerdienaar, die onbemerkt het geheele huis regeerde en
met kalmte en omzichtigheid, terwijl hij zijn heer aankleedde, dezen
alles mededeelde, wat hij noodig achtte. Maar de hulp der gravin was
toch van groote beteekenis; zij gaf Alexei Alexandrowitsch door het
bewustzijn harer genegenheid en achting een zedelijken steun. Zij
zelf vond troost in de gedachte hem tot het Christendom te bekeeren,
dat wil zeggen, hem van een onverschillige en traag geloovige tot
een warm en getrouw volgeling te maken van de nieuwe _reveil_, die
in den laatsten tijd in Petersburg was ontstaan.