XXX.

Anna en Wronsky, die zich ergerden aan het geleerd gebabbel van hun

vriend, wisselden blikken van verveling; zij kwamen er eindelijk toe,

alleen het bezoek in het atelier voort te zetten en stonden voor een

kleine schilderij stil.

"Welk een juweeltje! hoe bekoorlijk!" zeiden zij als uit één mond.

"Wat zou hun zoo bevallen?" dacht Michaïlof. Hij had dit stukje,

dat hij voor drie jaren geschilderd had, volkomen vergeten. Als eens

een doek voltooid was, bezag hij het niet gaarne meer, en hij had dit

slechts ten toon gesteld, omdat een Engelschman het wenschte te koopen.

"Het is niets; een oude studie," zeide hij.

"Maar het is uitstekend!" hernam Golinitschef, die zich geheel door

de bekoorlijkheid der schilderij liet meesleepen.

Twee kinderen waren aan het hengelen in de schaduw van een

boom. Het oudste, dat geheel in zijn werk verdiept was, trok zijn

hengel voorzichtig uit het water; het jongste, dat in het gras lag,

ondersteunde zijn blond, verwaaid hoofd met zijn hand, terwijl hij met

zijn groote, peinzende oogen in het water staarde. Waaraan dacht hij?

De geestdrift door dit stuk verwekt, deed Michaïlof op nieuw ontroeren,

maar hij vreesde nuttelooze herinneringen aan het verledene en wilde

zijn gasten naar een derde schilderij geleiden. Wronsky mishaagde hem

door te vragen, of de studie te koop was; deze kwestie van geld scheen

hem ongepast en hij antwoordde, terwijl hij het voorhoofd fronste:

"Zij is tot verkoop tentoongesteld."

Toen de bezoekers vertrokken waren, ging Michaïlof voor zijn schilderij

van Christus en Pilatus zitten, en ging in zijn geest alles na,

wat door hen gezegd en te kennen gegeven was. Het was vreemd! de

opmerkingen, die zoo gewichtig schenen in hun tegenwoordigheid en

wanneer hij zich zelf op hun standpunt plaatste, verloren nu alle

beteekenis. Terwijl hij zijn werk met zijn kunstenaarsblik onderzocht,

herkreeg hij de volle overtuiging van zijn volkomenheid en hooge

waarde, en geraakte bijgevolg weer in een stemming, die noodig was

om zijn arbeid voort te zetten.

Het been van Christus, dat het verst af was, had echter toch een

gebrek; hij nam zijn palet en terwijl hij dit gebrek wegnam, bezag

hij op den achtergrond het hoofd van Johannes, dat hij beschouwde

als het toppunt van volmaking en dat de bezoekers zelfs niet hadden

opgemerkt. Hij trachtte hieraan ook nog iets bij te werken, maar om

goed te arbeiden moest hij minder bewogen zijn en den juisten middelweg

vinden tusschen koelheid en geestdrift. Voor het oogenblik beheerschte

hem zijn ontroering; hij wilde zijn schilderij bedekken, maar hield

hiermede een oogenblik op, terwijl hij het gordijn met de eene hand

omhoog hield, en glimlachte met verrukking tegen zijn Johannes.

Toen hij zich eindelijk met moeite aan zijn beschouwing had ontrukt,

liet hij het gordijn vallen en keerde vermoeid, maar gelukkig naar

huis terug.

Wronsky, Anna en Golinitschef kwamen vroolijk weer in hun palazzo aan,

terwijl zij over Michaïlof en zijn schilderijen spraken. Het woord

_talent_ kwam dikwijls in hun gesprek voor; zij verstonden daardoor

niet alleen een aangeboren, bijna physieke gave, onafhankelijk van

geest en hart, maar nog iets meer, dat zij niet door woorden konden

weergeven.

"Talent," zeiden zij, "zeker, dat heeft hij, maar dit talent is door

te weinig geestelijke vorming niet genoeg ontwikkeld, een gebrek,

dat aan alle Russische kunstenaars eigen is."

Anna Karenina(#13214) · 第 117 / 196 题