XXXI.

Wronsky kocht de kleine schilderij en haalde zelfs Michaïlof over het

portret van Anna te maken. De kunstenaar kwam op den bepaalden dag en

begon een schets, die na afloop van de vijfde zitting Wronsky trof

door de gelijkenis en door een zeer fijn gevoel voor de schoonheid

van het model.

"Ik worstel al zoo lang zonder iets verder te komen," zeide Wronsky,

terwijl hij van zijn eigen portret van Anna sprak, "en hij heeft

haar slechts aan te zien om haar goed weer te geven; dat noem ik zijn

beroep verstaan."

"Dat zal komen met de praktijk," zeide Golinitschef om hem te

troosten; want in zijn oogen had Wronsky talent en bezat buitendien

een ontwikkeling, die het kunstgevoel in hem moest verhoogen. Voor het

overige werd Golinitschefs overtuiging versterkt door zijn behoefte

aan Wronsky's lof en sympathie voor zijn eigen werken; het was een

ruiling van vriendschapsdiensten.

Michaïlof scheen buiten zijn atelier een ander mensch; in het paleis

vooral betoonde hij zich gemaakt eerbiedig, terwijl hij zorg droeg

elke intimiteit te vermijden met lieden, die hij in den grond niet

achtte. Hij noemde Wronsky nooit anders dan "Uw Excellentie", en

ondanks de herhaalde uitnoodigingen van Anna om bij hen te dineeren,

nam hij die nooit aan en vertoonde zich slechts op de uren der

zittingen; Wronsky behandelde hem met de uiterste beleefdheid en

wenschte zijn meening te hooren over zijn schilderijen. Golinitschef

verzuimde geen gelegenheid hem gezonde denkbeelden omtrent de kunst

in te prenten; Michaïlof bleef onder dit alles steeds even koel. Anna

gevoelde echter, dat hij haar gaarne zag, hoewel hij elk onderhoud

vermeed; wat de raadgevingen, die Wronsky verlangde, betreft,

trok hij zich terug in een halsstarrig stilzwijgen, beschouwde de

schilderstukken zonder een woord te spreken en verborg de verveling

niet, die Golinitschefs gesprekken hem veroorzaakten.

Deze stomme vijandelijkheid maakte een pijnlijken indruk, en men

gevoelde zich onderling verlicht, toen na geëindigde zittingen,

Michaïlof het palazzo verliet, tot herinnering aan hem een

bewonderenswaardig portret achterlatende. Golinitschef was de eerste om

de gedachte uit te spreken, dat de schilder afgunstig was op Wronsky.

"Wat hem boos maakt is, dat hij in u een rijk en hooggeplaatst man

ziet, die--wat hem vooral nijdig maakt--graaf is op den koop toe,

die er toe gekomen is, zonder zich veel moeite te geven, even goed,

misschien beter te werken dan hij; hij heeft zijn leven aan de

schilderkunst gewijd, maar gij bezit een geestbeschaving, waartoe de

menschen als Michaïlof nooit zullen komen."

Wronsky, ofschoon hij voor den schilder partij trok, gaf in den grond

zijn vriend gelijk, want naar zijn eigenlijke overtuiging, vond hij

het zeer natuurlijk, dat een persoon in een ondergeschikten positie

hem benijdde.

De beide portretten van Anna hadden hem de oogen openen en hem

overtuigen moeten, welk een onderscheid er bestond tusschen Michaïlof

en hem; hij besefte het genoeg om van het zijne af te zien en het voor

overtollig te verklaren, en zich te vergenoegen met zijn tafereel

der middeleeuwen, waarover hij even voldaan was als Golinitschef en

Anna, omdat het, veel meer dan al wat Michaïlof had vervaardigd op

een tafereel uit de oudheid scheen te gelijken.

De kunstenaar van zijn zijde was, in weerwil van de aantrekkelijkheid,

die Anna's portret voor hem had gehad, gelukkig bevrijd te zijn

van de gesprekken van Golinitschef en van de schilderstukken van

Wronsky; men kon zeker dezen niet beletten zich te amuseeren,

want de diletanten hadden ongelukkig het recht te schilderen, wat

zij wilden; maar hij had geleden onder deze tijdpasseering van den

liefhebber. Niemand kon een mensch verbieden voor zich een wassen pop

te maken en ze te omhelzen, maar hij moest ze niet gaan liefkoozen in

tegenwoordigheid van twee verliefden! Wronsky's schilderstuk was voor

hem een voortbrengsel zonder voldoende overeenstemming met den tijd,

dien het moest voorstellen; het kwetste hem, het deed hem rillen;

hij vond het belachelijk en ellendig.

Wronsky's liefhebberij voor de schilderkunst en de middeleeuwen was

overigens van korten duur; hij had genoeg kunstgevoel om zijn stuk

niet te voltooien en neerslachtig te erkennen, dat de gebreken, die

in het begin weinig in het oog vielen, schreeuwend zouden worden,

naarmate hij meer vorderde. Hij was in het geval van Golinitschef,

die volkomen de ledigheid van zijn geest gevoelende, zich voedde met

illusies en zich verbeeldde zijn voorraad te vermeerderen en zijn

ideeën te doen rijpen. Maar datgene, wat deze ergerde en verbitterde,

liet Wronsky volkomen kalm; niet in staat zich zelf te misleiden, liet

hij met zijn gewone beslistheid van karakter eenvoudig de schilderkunst

varen, zonder te trachten zich te rechtvaardigen of te verklaren.

Maar het leven zonder bezigheid werd spoedig in deze kleine stad

ondragelijk, het palazzo scheen hem oud en leelijk; de vlekken der

gordijnen namen een armoedig voorkomen aan, de bersten in het mozaïek,

de beschadiging der kornissen, de eeuwige Golinitschef, de Italiaansche

professor en de Duitsche reiziger werden allen ondragelijk vervelend,

en Wronsky gevoelde een dringende behoefte om van toestand en omgeving

te verwisselen.

Anna was verwonderd over deze spoedige onttoovering, maar stemde

er gaarne in toe naar Rusland terug te keeren en op het land te

gaan wonen.

Wronsky wilde Petersburg aandoen om er een acte van boedelscheiding met

zijn broeder te doen passeeren, en Anna om er haar zoon te zien. Zij

zouden er den zomer slijten op Wronsky's voorvaderlijk landgoed.

Anna Karenina(#13214) · 第 118 / 196 题