Nauwelijks waren zij binnengetreden, of Michaïlof wierp op nieuw een
blik op zijn gasten; het hoofd van Wronsky met eenigszins uitstekende
jukbeenderen graveerde zich oogenblikkelijk in zijn verbeelding,
want de artistieke zin van dezen man werkte in spijt van zijn
verwarring en verzamelde zonder ophouden bouwstoffen. Zijn fijne
en juiste opmerkingen grondde hij op bijna onmerkbare sporen. Deze
(Golinitschef) moest een Rus zijn, die zich in Italië gevestigd
had. Michaïlof wist noch zijn naam, noch de plaats, waar hij hem
ontmoet had; maar hij herinnerde zich zijn gelaat, evenals allen,
die hij zag en wist nu, dat hij het reeds geplaatst had onder de
talrijke catagorie van physionomieën, die arm zijn aan uitdrukking
ondanks hun valsch air van oorspronkelijkheid. Een geheel onbedekt
voorhoofd, maar veel haar op het achterhoofd, gaven aan dezen kop een
individualiteit, die geheel schijnbaar was, terwijl een uitdrukking
van gejaagdheid en beschroomdheid in de kleine ruimte tusschen de
beide oogen stond te lezen.
Wronsky en Anna moesten volgens Michaïlof Russen van aanzien zijn,
rijk en onbekend met al wat de kunst betreft, evenals alle rijke
Russen, die de rol van liefhebber en kenner spelen.
"Zij hebben zeker de galerijen der ouden bezocht en, na de ateliers
der Duitsche kwakzalvers en der onnoozele pre-Raphaëlisten te hebben
doorloopen, bewijzen zij mij de eer van een bezoek om hun rondgang te
voltooien," dacht hij.--De wijze, waarop de dilettanten de ateliers der
hedendaagsche schilders opnemen, was hem wel bekend; hij wist, dat hun
eenig doel was te kunnen zeggen, dat de moderne kunst de onbetwistbare
meerderheid bezit boven de oude. Dit alles verwachtte hij en las
het in de onverschilligheid, waarmede zijn bezoekers, onder elkander
pratende, het atelier rondwandelden en op hun gemak de bustes en de
ledepoppen bezagen, terwijl de kunstenaar zijn schilderij ontblootte.
Ondanks dit vooroordeel en innige overtuiging, dat de rijke Russen
van hooge geboorte slechts onnoozelen en dwazen konden zijn, ontrolde
hij zijn studiën, trok de stores op en ontsluierde met bevende hand
zijn schilderij.
"Ziet," zeide hij, terwijl hij op een afstand van de schilderij
ging staan en haar met een gebaar den toeschouwers aanwees.--"Het is
Christus voor Pilatus,--Mattheus, hoofdstuk XXVII." Hij voelde zijn
lippen van ontroering beven en ging op zij om achter zijn gasten te
gaan staan. Gedurende de weinige seconden stilte, die nu volgden,
bezag Michaïlof zijn schilderij met een onverschilligen blik, als ware
hij een der bezoekers. Ondanks zich zelf verwachtte hij een afdoende
beoordeeling, een onfeilbare uitspraak van die drie personen, die
hij een oogenblik te voren nog zoo veracht had. Zijn eigen opinie,
zoowel als de onbetwistbare verdiensten, die hij sedert drie jaren aan
zijn werk had toegekend, vergetende, zag hij het nu met den koelen en
kritischen blik van een vreemde en vond er niets goeds meer in. Hoevele
der beleefd gehuichelde phrasen, die hij aanstonds zou hooren, zouden
verdiend zijn? Zouden zijn gasten geen gelijk hebben, als zij hem
beklaagden en bespotten, zoodra zij eenmaal vertrokken waren?
Deze stilte, die echter niet langer dan een minuut duurde, scheen hem
ondragelijk lang en, om haar te verkorten en zijn onrust te verbergen,
deed hij een poging om het woord tot Golinitschef te richten.
"Ik geloof, dat ik de eer gehad heb u te ontmoeten," zeide hij,
terwijl hij nu eens op Anna, dan weer op Wronsky onrustige blikken
wierp om niets te verliezen van het spel hunner gelaatstrekken.
"Zeker; wij hebben elkander bij Rossi ontmoet op dien avond, toen
die Italiaansche dame, de nieuwe Rachel, declameerde; herinnert ge
u?" antwoordde Golinitschef losjes, zijn blikken onverschillig van de
schilderij afwendende. Hij bemerkte echter, dat Michaïlof een woord
van waardeering verwachtte, en voegde er bij:
"Uw werk is zeer gevorderd sedert de laatste maal, dat ik het gezien
heb, en nu ben ik, evenals toen, zeer getroffen door uw Pilatus. Men
ziet in hem den goedhartigen, zwakken man, die niet het minste begrip
heeft van de beteekenis zijner daad. Maar het schijnt mij...."
Het bewegelijk gelaat van Michaïlof verhelderde, zijn oogen
schitterden, hij wilde antwoorden, maar zijn ontroering belette het
hem en hij wendde een hoestbui voor. Deze opmerking van details, die
juist was, maar voor hem van weinig waarde, omdat hij Golinitschefs
kunstzin zeer gering achtte, vervulde hem toch met blijdschap.
Plotseling vatte hij genegenheid voor zijn gast op en ging eensklaps
van moedeloosheid tot geestdrift over. Plotseling herkreeg zijn
schilderij voor hem haar zoo samengesteld en diep leven.
Wronsky en Anna spraken fluisterend, zooals men op tentoonstellingen
van schilderijen doet om geen gevaar te loopen den schilder te kwetsen,
en vooral om geen van die opmerkingen te doen hooren, die zoo licht
ongerijmd zijn, wanneer men van kunst spreekt. Michaïlof geloofde
aan een gunstigen indruk door zijn schilderij teweeggebracht en
naderde hen.
"Welk een bewonderenswaardige uitdrukking heeft deze Christus!" zeide
Anna, meenende dat deze lofuiting den artist niet dan aangenaam kon
zijn, omdat Christus de hoofdpersoon van het tafereel was. Zij voegde
er bij: "Men gevoelt, dat hij medelijden met Pilatus heeft."
Dat was weer een van die honderd juiste, maar banale opmerkingen,
die men maken kon. Het hoofd van Christus moest onderwerping aan den
dood, het gevoel van een heilige geestdrift, van een bovennatuurlijke
kalmte, van een verheven liefde en bij gevolg ook van medelijden met
zijn vijanden uitdrukken; Pilatus, de stadhouder, moest volstrekt het
zinnelijk leven voorstellen, in tegenstelling met Christus, de type van
het geestelijk leven, en bijgevolg het voorkomen hebben van een vulgair
Romeinsch ambtenaar; maar het gelaat van Michaïlof klaarde toch op.
"En hoe fraai is het geschilderd! welk een lucht om deze figuur! Men
zou er om heen kunnen loopen," zeide Golinitschef, die door deze
opmerking wilde toonen, dat hij het realistische in de figuur van
Christus afkeurde.
"Ja, het is een meesterstuk." zeide Wronsky. "Welk een reliëf in deze
figuren op den achtergrond. Daar behoort een bekwame hand toe!" voegde
hij er naar Golinitschef gewend bij, terwijl hij zinspeelde op een
discussie, waarin hij erkend had, dat hij ontmoedigd was door de
practische moeilijkheden in de kunst.
"Het geheel is merkwaardig!" zeiden Golinitschef en Anna. Maar de
laatste opmerking van Wronsky kwetste Michaïlof, hij fronste het
voorhoofd en zag Wronsky met een ontevreden blik aan. Hij begreep
het woord "bekwaamheid" niet goed. Dikwijls had hij opgemerkt, zelfs
in de lofuitingen, die men hem toevoegde, dat men deze technische
bekwaamheden stelde tegenover de innerlijke verdienste van het werk,
alsof het mogelijk geweest ware een slechte compositie met talent
te schilderen!
De eenige aanmerking, die ik zou willen maken, als gij het mij
veroorlooft...."
"Ik bid u, doe het," antwoordde Michaïlof met een gedwongen glimlach.
"Dat is, dat gij een God geworden mensch en niet den mensch geworden
God hebt geschilderd. Maar ik weet, dat dit uw bedoeling was."
"Ik kan Christus niet anders schilderen dan zooals ik hem opvat,"
zeide Michaïlof met een donkeren blik.
"In dat geval moet gij een gezichtspunt verontschuldigen, dat mij
eigen is; uw schilderij is zoo schoon, dat deze opmerking haar niet
zou kunnen benadeelen.... Laten we Iwanof dan eens als voorbeeld
nemen. Waarom verlaagt hij Christus tot een gewone historische
figuur? Dan kondt gij ook wel een nieuw onderwerp vinden, dat minder
afgesleten is."
"Maar indien dat onderwerp voor de kunst het verhevenste van alle is?"
"Als men zoekt zal men wel iets anders vinden. Over de kunst valt
volgens mij niet te twisten; nu moet men voor de schilderij van Iwanof
de vraag stellen: is het een God? en de eenheid van den indruk gaat
aldus verloren."
"Waarom dat? Het schijnt mij toe, dat verlichte menschen deze vraag
niet meer stellen moeten," antwoordde Michaïlof.
Golinitschef was niet van deze meening en zich sterk gevoelende door
de onwrikbaarheid zijner overtuiging versloeg hij den schilder in
een discussie, waarbij deze zich niet wist te verdedigen.