Michailof was zoo als altijd aan het werk, toen men hem de kaartjes
overhandigde van Wronsky en Golinitschef. Hij had den morgen
doorgebracht met in zijn atelier te schilderen, maar, bij zijn
thuiskomt, was hij in toorn ontstoken tegen zijn vrouw, die geen
schikkingen had weten te treffen met een veeleischende hospita.
"Ik heb je wel honderd maal gezegd niet met haar te gaan redeneeren. Je
bent een groote zottin, maar je zijt het driedubbel, wanneer je in
het Italiaansch in verklaringen met haar treedt."
"Waarom denk je dan niet eindelijk eens aan onze schulden? Het is
toch mijn schuld niet; als ik geld had..."
"Laat mij in 's hemelsnaam toch met rust!" riep Michaïlof uit met
bijna weenende stem, en hij trok zich terug in zijn werkkamer, die
door een beschot van de woonkamer gescheiden was, deed de deur op slot
en stopte zich de ooren toe. "Zij heeft geen gezond verstand!" zeide
hij bij zich zelf, terwijl hij aan de tafel ging zitten en zich met
ijver aan zijn werk begaf.
Nooit werkte hij beter dan wanneer het hem aan geld ontbrak, maar
vooral als hij met zijn vrouw getwist had. Hij was met de schets
begonnen van een man, die aan een aanval van woede ten prooi was;
toen hij die niet kon vinden, kwam hij met een toornig gelaat weer
bij zijn vrouw binnen en zonder haar aan te zien vroeg hij aan het
oudste der kinderen om de teekening, die hij hun gegeven had. Na lang
zoeken vond men ze, vuil en vol vetvlekken. Hij nam haar mede zooals
zij was, plaatste haar op de tafel en beschouwde haar op een afstand,
terwijl hij half de oogen sloot; toen glimlachte hij met een gebaar
van voldoening.
"Juist zoo, juist zoo!" mompelde hij, terwijl hij een potlood nam
en snel begon te teekenen. Een der vetvlekken gaf aan zijn schets
een nieuw voorkomen. Onder het teekenen herinnerde hij zich de
vooruitstekende kin van den man, bij wien bij sigaren kocht, en
terstond gaf zijn schets datzelfde gemarkeerde gelaat vol wilskracht
weer, en de schets hield op iets vaags, iets levenloos te zijn,
maar werd bezield en begon te leven. Hij lachte van genoegen. Toen
hij bezig was met zorg zijn teekening te voltooien, bracht men hem
de beide kaartjes.
"Ik kom dadelijk," antwoordde hij.
Toen trad hij bij zijn vrouw binnen.
"Kom, Sacha, wees niet boos," zeide hij met een teederen, maar tevens
verlegen glimlach, "jij hebt ongelijk gehad en ik ook. Ik zal de
zaken wel regelen." En toen hij met zijn vrouw verzoend was, trok
hij een olijfkleurige paletot met fluweelen kraag aan, nam zijn hoed
en begaf zich naar het atelier, geheel vervuld van het bezoek dezer
aanzienlijke Russische personages, die met équipage gekomen waren om
zijn schilderij te zien.
Zijn opinie omtrent de schilderij, die er was tentoongesteld,
kon men aldus samenvatten: Niemand is in staat een dergelijke te
vervaardigen. Niet dat hij ze boven de stukken van Raphaël stelde,
maar hij was overtuigd, dat hij er alles in had gelegd, wat hij er in
leggen wilde, en daagde anderen uit hetzelfde te doen. Evenwel, ondanks
deze overtuiging, die voor hem dagteekende van het uur dat hij aan
het werk begonnen was, hechtte hij een uiterst groot gewicht aan het
oordeel van het publiek, en de verwachting van dit oordeel ontroerde
hem tot in het diepst zijner ziel. Hij schreef aan zijn critici
een diepte van blik toe, die hij zelf niet bezat, en verwachtte,
dat zij in zijn schilderij nieuwe hoedanigheden zouden ontdekken,
die hij er nog niet in had opgemerkt. Terwijl hij met groote stappen
naderde, werd hij ondanks zijn overpeinzingen getroffen door de zacht
verlichte verschijning van Anna, die met Golinitschef pratende in de
schaduw van het portaal stond en naar den naderenden kunstenaar keek,
dien zij uit de verte trachtte op te nemen. Zonder er zich zelf van
bewust te zijn, bergde deze terstond dien indruk in het een of andere
hoekje van zijn hersenen om er zich mettertijd van te bedienen evenals
van de kin van zijn sigaren-koopman.
De bezoekers, die reeds ten opzichte van Michaïlof teleurgesteld
waren door de verhalen van Golinitschef, werden het nog meer door het
voorkomen van den schilder. Middelmatig en gedrongen van gestalte,
bracht Michaïlof met zijn gejaagden gang, zijn kastanjebruinen hoed,
zijn olijfkleurige paletot en zijn nauwe, ouderwetsche pantalon een
indruk te weeg, die door de alledaagschheid van zijn lang gezicht en de
mengeling van verlegenheid en gemaakte waardigheid niet gunstiger werd.
"Doe mij de eer binnen te gaan," zeide hij, terwijl hij zijn best
deed er onverschillig uit te zien en voor zijn bezoekers de deur van
het atelier opende.