XXVII.

Het oude, eenigszins vervallen palazzo, dat zij betrokken, hield

Wronsky in een aangename illusie; hij meende een gedaanteverwisseling

ondergaan te hebben en van een Russisch grondbezitter en rustend

kolonel een verlicht liefhebber der kunsten te zijn geworden, die

met bescheidenheid schilderde en de wereld met al haar streven aan de

liefde van een vrouw opofferde. Het oude paleis was in overeenstemming

met deze hersenschimmen door zijn hooge beschilderde plafonds,

zijn met fresco's en mozaïek bedekte muren, zijn groote vazen op de

schoorsteenmantels en op de consoles, door zijn zware gele gordijnen

voor de vensters, zijn uitgesneden deuren en zijn groote, sombere

met schilderijen getooide zalen.

Zijn nieuwe rol schonk Wronsky eenigen tijd bevrediging; hij maakte

kennis met een professor in de Italiaansche schilderkunst, waarmede

hij studiën naar de natuur maakte. Te gelijkertijd begon hij zich te

wijden aan nasporingen omtrent de middeleeuwen in Italië, en deze

onderzoekingen boezemden hem zulk een levendige belangstelling in

dit tijdperk in, dat hij eindigde met slappe hoeden uit dien tijd te

dragen en zich op antieke wijze in zijn plaid te wikkelen, hetgeen

hem trouwens zeer goed stond.

"Ken je de schilderij van Michaïlof?" zeide Wronsky op zekeren morgen

tot Golinitschef, die bij hem binnentrad, en hij reikte hem een

Russisch dagblad toe, dat een artikel bevatte over dezen kunstenaar,

die juist een doek voltooid had, dat reeds vóór dien tijd beroemd

en verkocht was. Hij woonde in deze zelfde stad, van allen steun

en aanmoediging ontbloot. Het artikel laakte zeer het gouvernement

en de Academie, omdat zij aldus een kunstenaar van talent aan zijn

lot overlieten.

"Ik ken hem," antwoordde Golinitschef; "het ontbreekt hem zeker niet

aan verdienste, maar zijn richting is bepaald verkeerd. Het zijn

altijd die opvattingen van Christus en van het godsdienstig leven

naar de begrippen van Iwanof, Strauss, Renan."

"Wat is het onderwerp van de schilderij?" vroeg Anna.

"Christus voor Pilatus. Christus is een Jood van de nieuwe, zuiver

realistische school."

En daar deze kwestie op een van zijn geliefkoosde onderwerpen

betrekking had, ging Golinitschef voort zijn denkbeelden te

ontwikkelen.

"Ik begrijp niet hoe zij in zulk een grove dwaling kunnen vervallen. De

oude meesters hebben in de kunst de type van Christus volkomen

vastgesteld. Indien zij behoefte gevoelen een wijze, een oproerling

weer te geven, waarom nemen zij dan niet Socrates, Franklin, Charlotte

Corday,--of wien zij maar willen--maar Christus niet. Hij is de eenige,

dien de kunst niet moet durven aantasten, en...."

"Is het waar, dat die Michaïlof in benarde omstandigheden

verkeert?" vroeg Wronsky, die in zijn hoedanigheid van Maecenas

verplicht meende te zijn den kunstenaar te helpen, zonder zich te

veel om de waarde van zijn schilderij te bekommeren. "Zouden wij hem

niet kunnen vragen het portret van Anna Arkadiewna te schilderen?"

""Waarom het mijne?" antwoordde deze. "Neen, het uwe wil ik, geen

ander. Laat hij dan liever dat van Nanna vervaardigen (zoo noemde zij

haar dochtertje), of van haar..." voegde zij er bij naar de mooie

Italiaansche min wijzende, die juist met het kind in den tuin was

gekomen. Deze Italiaansche, wier schoonheid en "middeleeuwsch type"

Wronsky bewonderde en wier hoofd hij geschilderd had, was de eenige

donkere vlek in Anna's leven. Zij vreesde jaloersch op haar te zijn en

des te meer betoonde zij zich goed voor haar kleinen jongen. Wronsky

keek ook door het venster, maar toen hij Anna's blik ontmoette,

wendde hij zich tot Golinitschef.

"Ik heb hem ontmoet. Hij is een origineel zonder de minste opvoeding,

een van die nieuwe wilden zooals men er tegenwoordig velen ziet,--gij

begrijpt me,--die vrijdenkers, die zich met woede werpen op het

atheïsme, het materialisme, de ontkenning van alles!--Eertijds,"

ging Golinitschef voort, zonder Wronsky en Anna aan het woord

te laten komen, "eertijds was de vrijdenker een man, opgevoed in

godsdienstige en zedelijke denkbeelden, bekend met de wetten, die

de maatschappij besturen en die eerst na veel tweestrijd tot de

vrijheid van denken geraakte; maar wij bezitten nu een nieuw type:

de vrijdenkers, die opgroeien zonder ooit te hebben hooren spreken

van de wetten van zedelijkheid en godsdienst, die niet weten, dat

zekere autoriteiten bestaan kunnen, en die slechts het gevoel van

ontkenning bezitten. Hiertoe behoort ook Michailof. Als de zoon

van een opperhofmeester van een hotel te Moskou, heeft hij niet de

geringste opvoeding ontvangen. Nadat hij de Academie had betreden,

wilde hij zich ontwikkelen, want hij is niet dom, en met dat doel

heeft hij zich gewend tot de bron van alle wetenschap: de dagbladen

en de revues. Als in den ouden tijd iemand--laat ons maar eens

zeggen een Franschman--zich wilde ontwikkelen, wat deed hij dan? Hij

bestudeerde de klassieken, de kerkredenaars, de treurspeldichters, de

geschiedschrijvers, de wijsgeeren,--en gij beseft wat al intellectueele

arbeid daaruit voor hem volgde. Maar bij ons is het veel eenvoudiger:

men wendt zich tot de ontkennende litteratuur en men eigent zich zeer

gemakkelijk een uittreksel uit die wetenschap toe.--En wat meer is,

twintig jaar geleden, droeg deze zelfde litteratuur sporen van de

worsteling met de machten en de eeuwenoude overleveringen van het

verledene, en deze sporen van strijd leerden ons nog het bestaan

dier dingen. Maar nu geeft men zich zelfs de moeite niet meer het

verledene te bestrijden, men stelt zich tevreden met de woorden:

keuze, evolutie, strijd om het bestaan, vernietiging; dat is volkomen

voldoende. In mijn artikel...."

"Weet u wat we doen moesten," zeide Anna, nadat zij een blik met

Wronsky gewisseld had, op een besliste wijze Golinitschefs redeneering

afbrekende, "laat ons een bezoek brengen bij uw schilder...."

Golinitschef stemde gaarne toe, en daar het atelier van den kunstenaar

zich in een afgelegen wijk bevond, lieten zij zich er heen rijden.

Een uur later hielden Anna, Golinitschef en Wronsky in een kales voor

een nieuw maar leelijk huis stil. De bezoekers lieten hun kaartjes

aan Michailof geven met het verzoek te worden toegelaten om zijn

schilderij te zien.

Anna Karenina(#13214) · 第 114 / 196 题