Het oude, eenigszins vervallen palazzo, dat zij betrokken, hield
Wronsky in een aangename illusie; hij meende een gedaanteverwisseling
ondergaan te hebben en van een Russisch grondbezitter en rustend
kolonel een verlicht liefhebber der kunsten te zijn geworden, die
met bescheidenheid schilderde en de wereld met al haar streven aan de
liefde van een vrouw opofferde. Het oude paleis was in overeenstemming
met deze hersenschimmen door zijn hooge beschilderde plafonds,
zijn met fresco's en mozaïek bedekte muren, zijn groote vazen op de
schoorsteenmantels en op de consoles, door zijn zware gele gordijnen
voor de vensters, zijn uitgesneden deuren en zijn groote, sombere
met schilderijen getooide zalen.
Zijn nieuwe rol schonk Wronsky eenigen tijd bevrediging; hij maakte
kennis met een professor in de Italiaansche schilderkunst, waarmede
hij studiën naar de natuur maakte. Te gelijkertijd begon hij zich te
wijden aan nasporingen omtrent de middeleeuwen in Italië, en deze
onderzoekingen boezemden hem zulk een levendige belangstelling in
dit tijdperk in, dat hij eindigde met slappe hoeden uit dien tijd te
dragen en zich op antieke wijze in zijn plaid te wikkelen, hetgeen
hem trouwens zeer goed stond.
"Ken je de schilderij van Michaïlof?" zeide Wronsky op zekeren morgen
tot Golinitschef, die bij hem binnentrad, en hij reikte hem een
Russisch dagblad toe, dat een artikel bevatte over dezen kunstenaar,
die juist een doek voltooid had, dat reeds vóór dien tijd beroemd
en verkocht was. Hij woonde in deze zelfde stad, van allen steun
en aanmoediging ontbloot. Het artikel laakte zeer het gouvernement
en de Academie, omdat zij aldus een kunstenaar van talent aan zijn
lot overlieten.
"Ik ken hem," antwoordde Golinitschef; "het ontbreekt hem zeker niet
aan verdienste, maar zijn richting is bepaald verkeerd. Het zijn
altijd die opvattingen van Christus en van het godsdienstig leven
naar de begrippen van Iwanof, Strauss, Renan."
"Wat is het onderwerp van de schilderij?" vroeg Anna.
"Christus voor Pilatus. Christus is een Jood van de nieuwe, zuiver
realistische school."
En daar deze kwestie op een van zijn geliefkoosde onderwerpen
betrekking had, ging Golinitschef voort zijn denkbeelden te
ontwikkelen.
"Ik begrijp niet hoe zij in zulk een grove dwaling kunnen vervallen. De
oude meesters hebben in de kunst de type van Christus volkomen
vastgesteld. Indien zij behoefte gevoelen een wijze, een oproerling
weer te geven, waarom nemen zij dan niet Socrates, Franklin, Charlotte
Corday,--of wien zij maar willen--maar Christus niet. Hij is de eenige,
dien de kunst niet moet durven aantasten, en...."
"Is het waar, dat die Michaïlof in benarde omstandigheden
verkeert?" vroeg Wronsky, die in zijn hoedanigheid van Maecenas
verplicht meende te zijn den kunstenaar te helpen, zonder zich te
veel om de waarde van zijn schilderij te bekommeren. "Zouden wij hem
niet kunnen vragen het portret van Anna Arkadiewna te schilderen?"
""Waarom het mijne?" antwoordde deze. "Neen, het uwe wil ik, geen
ander. Laat hij dan liever dat van Nanna vervaardigen (zoo noemde zij
haar dochtertje), of van haar..." voegde zij er bij naar de mooie
Italiaansche min wijzende, die juist met het kind in den tuin was
gekomen. Deze Italiaansche, wier schoonheid en "middeleeuwsch type"
Wronsky bewonderde en wier hoofd hij geschilderd had, was de eenige
donkere vlek in Anna's leven. Zij vreesde jaloersch op haar te zijn en
des te meer betoonde zij zich goed voor haar kleinen jongen. Wronsky
keek ook door het venster, maar toen hij Anna's blik ontmoette,
wendde hij zich tot Golinitschef.
"Ik heb hem ontmoet. Hij is een origineel zonder de minste opvoeding,
een van die nieuwe wilden zooals men er tegenwoordig velen ziet,--gij
begrijpt me,--die vrijdenkers, die zich met woede werpen op het
atheïsme, het materialisme, de ontkenning van alles!--Eertijds,"
ging Golinitschef voort, zonder Wronsky en Anna aan het woord
te laten komen, "eertijds was de vrijdenker een man, opgevoed in
godsdienstige en zedelijke denkbeelden, bekend met de wetten, die
de maatschappij besturen en die eerst na veel tweestrijd tot de
vrijheid van denken geraakte; maar wij bezitten nu een nieuw type:
de vrijdenkers, die opgroeien zonder ooit te hebben hooren spreken
van de wetten van zedelijkheid en godsdienst, die niet weten, dat
zekere autoriteiten bestaan kunnen, en die slechts het gevoel van
ontkenning bezitten. Hiertoe behoort ook Michailof. Als de zoon
van een opperhofmeester van een hotel te Moskou, heeft hij niet de
geringste opvoeding ontvangen. Nadat hij de Academie had betreden,
wilde hij zich ontwikkelen, want hij is niet dom, en met dat doel
heeft hij zich gewend tot de bron van alle wetenschap: de dagbladen
en de revues. Als in den ouden tijd iemand--laat ons maar eens
zeggen een Franschman--zich wilde ontwikkelen, wat deed hij dan? Hij
bestudeerde de klassieken, de kerkredenaars, de treurspeldichters, de
geschiedschrijvers, de wijsgeeren,--en gij beseft wat al intellectueele
arbeid daaruit voor hem volgde. Maar bij ons is het veel eenvoudiger:
men wendt zich tot de ontkennende litteratuur en men eigent zich zeer
gemakkelijk een uittreksel uit die wetenschap toe.--En wat meer is,
twintig jaar geleden, droeg deze zelfde litteratuur sporen van de
worsteling met de machten en de eeuwenoude overleveringen van het
verledene, en deze sporen van strijd leerden ons nog het bestaan
dier dingen. Maar nu geeft men zich zelfs de moeite niet meer het
verledene te bestrijden, men stelt zich tevreden met de woorden:
keuze, evolutie, strijd om het bestaan, vernietiging; dat is volkomen
voldoende. In mijn artikel...."
"Weet u wat we doen moesten," zeide Anna, nadat zij een blik met
Wronsky gewisseld had, op een besliste wijze Golinitschefs redeneering
afbrekende, "laat ons een bezoek brengen bij uw schilder...."
Golinitschef stemde gaarne toe, en daar het atelier van den kunstenaar
zich in een afgelegen wijk bevond, lieten zij zich er heen rijden.
Een uur later hielden Anna, Golinitschef en Wronsky in een kales voor
een nieuw maar leelijk huis stil. De bezoekers lieten hun kaartjes
aan Michailof geven met het verzoek te worden toegelaten om zijn
schilderij te zien.