XXVI.

Dit eerste tijdperk van zedelijke bevrijding en van terugkeerende

gezondheid was voor Anna een tijd van overvloeiende vreugd; de

gedachte aan het kwaad, dat zij gesticht had, kon haar in dezen

zwijmel het leven niet vergallen. Had zij aan dit ongeluk geen geluk

te danken, groot genoeg om alle wroeging verwijderd te houden? Ook

bepaalde zij haar gedachten daar niet bij. De gebeurtenissen, die

op haar ziekte waren gevolgd, van haar verzoening met Karenin tot

haar vertrek uit de echtelijke woning, schenen haar een nachtmerrie,

waarvan haar reis alleen met Wronsky haar bevrijd had. Waarom op deze

vreeselijke herinnering terug te komen? "Alles wel beschouwd," zeide

zij bij zich zelf--en deze redeneering stelde haar geweten eenigszins

gerust--"het onrecht, dat ik dezen man heb aangedaan, was vreeselijk,

doch onvermijdelijk, maar ik zal ten minste van zijn ongeluk niet

enkel voordeel trekken. Omdat ik hem doe lijden, lijd ik ook; ik

sta alles af, wat ik bemin, wat mij het dierbaarst is op de wereld:

mijn zoon en mijn goeden naam. Omdat ik gezondigd heb, verdien ik

noch mijn geluk, noch de echtscheiding, en ik neem de schande aan,

evenals de smart der scheiding."

Anna was oprecht, toen zij zoo redeneerde, maar inderdaad had zij tot

nu toe noch dit lijden, noch deze schande gekend, die zij meende als

boete te zullen kunnen dragen. Sedert zij in het buitenland waren,

vermeden beiden alle ontmoetingen, die hen in een valsche positie

hadden kunnen brengen; de weinige personen, met wie zij betrekkingen

hadden aangeknoopt, hadden geveinsd hun positie beter te begrijpen

dan zij zelf. Wat de scheiding van haar zoon betreft, Anna leed er

nu nog niet erg door; hartstochtelijk gehecht aan haar dochtertje,

een bekoorlijk kind, dacht zij niet dikwijls aan Serëscha.

Hoe langer zij met Wronsky leefde, des te dierbaarder werd hij

haar; zijn voortdurende tegenwoordigheid was een altijd nieuwe

bekoring. Iedere trek van zijn karakter scheen haar schoon toe; alles,

tot zelfs de verandering in zijn kleeding, sedert hij de uniform

had afgedankt, behaagde haar evenals een doodelijk verliefd jong

meisje. Ieder zijner woorden, ieder zijner gedachten droeg den stempel

van zielegrootheid en adeldom. Deze overmatige bewondering beangstigde

haar soms en zij durfde hem die niet bekennen, uit vrees dat, indien

zij hem op die wijze op haar eigen minderheid deed zien, hij zich

van haar los zou maken, en niets scheen haar zoo verschrikkelijk,

als de gedachte zijn liefde te verliezen. Deze vrees werd anders

volstrekt niet gerechtvaardigd door Wronky's gedrag; nooit toonde hij

de minste spijt aan zijn hartstocht een carrière te hebben opgeofferd,

waarin hij zeker een aanzienlijke rol zou hebben gespeeld; ook had

hij zich nooit zóó eerbiedig betoond en zoo vervuld van de vrees,

dat Anna door haar positie zou lijden. Hij, deze man van karakter, had

geen wil in haar tegenwoordigheid en trachtte slechts haar geringste

wenschen te raden. Moest zij niet dankbaar zijn en moest zij zulk

een voortdurende opmerkzaamheid niet op prijs stellen? Toch beving

haar soms een onwillekeurig gevoel van weerzin, bij de gedachte het

voorwerp van deze voortdurende opmerkzaamheid te zijn.

Wat Wronsky betreft, ondanks de verwezenlijking van zijn vurigste

wenschen, was hij niet volkomen gelukkig. Eeuwige dwaling van hen, die

bevrediging denken te vinden in de vervulling van al hun wenschen! Ook

hij bezat slechts eenige deeltjes van die onuitsprekelijke zaligheid,

waarvan hij gedroomd had. Een enkel oogenblik toen hij bevrijd meende

te zijn van zijn daden en van zijn liefde, was zijn geluk volkomen

geweest,--maar weldra had zich een zekere treurigheid van hem meester

gemaakt. Hij zocht, bijna zonder zich er van bewust te zijn, een

nieuw doel voor zijn wenschen en hield voorbijgaande grillen voor

ernstig streven.

Zestien uren daags in den vreemde door te brengen, buiten den kring van

maatschappelijke plichten, die zijn leven in Petersburg innamen, was

niet gemakkelijk. Er viel niet meer te denken aan de verstrooiingen,

waaraan hij zich op zijn vroegere reizen had overgegeven; een plan van

een souper met zijn vrienden had bij Anna een aanval van vertwijfeling

verwekt; hij kon geen betrekkingen aanknoopen met Russen en Italianen,

en wat de merkwaardigheden van het land aangaat, behalve dat hij

ze reeds kende, in zijn hoedanigheid van Rus en als man van geest

hechtte hij er niet hetzelfde groote gewicht aan als een Engelschman.

Evenals een uitgehongerd dier op het voedsel aanvalt, dat hem

wordt toegeworpen, eveneens wierp Wronsky zich op alles, wat hem

tot voedsel voor zijn geest kon strekken: politiek, schilderkunst,

nieuwe boeken enz. Hij had in zijn jeugd aanleg voor de schilderkunst

getoond en, niet wetende wat met zijn geld aan te vangen, had hij

zich een collectie gravures aangeschaft. Bij het idee van schilderen

was hij gebleven om voedsel te geven aan zijn werkzaamheid. Het

ontbrak hem niet aan smaak, en hiermede vereenigde hij de gave van

nabootsing, hetgeen hij verwarde met talent. Alle genres waren hem

hetzelfde: historische tafereelen, stukken van godsdienstigen aard,

landschappen,--hij achtte zich in staat alles op zich te nemen. Hij

zocht de inspiratie niet onmiddellijk in het leven, in de natuur;

hij had slechts een vluchtigen blik geslagen op beide, zooals de

kunst hen had weergegeven, maar hij maakte vrij gemakkelijk tamelijk

goede schetsen. Daar de Fransche school met haar bevallige werken en

decoraties een zekere bekoring voor hem had, begon hij een portret van

Anna volgens haar methode. Zij droeg het costuum van een Italiaansche,

en allen, die dit portret zagen schenen er even voldaan over als de

maker zelf.

Anna Karenina(#13214) · 第 113 / 196 题