Vorstin Tscherbatzky achtte het onmogelijk het huwelijk te laten
voltrekken voor de groote vasten, en wel wegens den uitzet, waarvan
voor dien tijd, dat is binnen vijf weken, nauwelijks de helft gereed
kon zijn. Zij moest echter toestemmen, dat men, indien men wachtte
tot Paschen, gevaar liep door een sterfgeval verhinderd te worden,
want een oude tante van den vorst was gevaarlijk ziek. Men sloeg
dus een middelweg in door te besluiten, dat het huwelijk zou plaats
hebben voor de vasten, maar dat men slechts een gedeelte van den
uitzet onmiddellijk zou ontvangen en de rest na de bruiloft. Het
jonge paar was voornemens, dadelijk na de plechtigheid naar het
land te vertrekken en had dus niet veel noodig. De vorstin was
verontwaardigd Lewin onverschillig te zien voor al deze belangen;
als altijd half dwaas, ging hij voort zijn geluk en zijn persoon te
beschouwen als het middelpunt, het eenige doel der schepping; om zijn
zaken bekommerde hij zich niet, hij liet ze over aan de zorg zijner
vrienden, overtuigd, dat zij alles ten beste zouden schikken. Zijn
broeder Sergej, Stipan Arkadiewitsch en de vorstin leidden hem geheel;
hij vergenoegde zich met goed te keuren, wat men hem voorsloeg.
Zijn broeder leende het geld, dat hij noodig had; de vorstin raadde
hem aan Moskou na de bruiloft te verlaten, Stipan Arkadiewitsch was
van gevoelen, dat een reis in den vreemde gepast zou zijn. Hij stemde
alles toe.
"Beveelt wat u goeddunkt," dacht hij, "ik ben gelukkig, en wat gij
ook beschikt, mijn geluk zal er niet meer of niet minder door zijn."
Maar toen hij Stipans idee aan Kitty mededeelde, hoorde hij met
verwondering, dat zij dit ontwerp niet goedkeurde en dat zij voor
de toekomst wel bepaalde plannen had. Zij wist, dat Lewin te huis
op zijn goederen ernstige belangen had, en deze belangen, die zij
niet begreep of trachtte te begrijpen, schenen haar zeer gewichtig
te zijn; ook wenschte zij geen reis in het buitenland, maar gaf
er de voorkeur aan zich dadelijk in hun werkelijke woonplaats te
installeeren. Deze zeer bepaalde beslissing verraste Lewin, en als
altijd onverschillig voor de details, verzocht hij Stipan, met den
smaak, die hem kenmerkte, het toezicht te houden over de verfraaiing
van zijn huis op Pokrowka. Dat was juist een kolfje naar zijn hand.
"A propos," zeide Stipan eens, nadat hij buiten alles had geregeld,
"heb je het attest van de biecht?"
"Neen, waarom?"
"Zonder dat kan men niet trouwen."
"Ai, Ai!" riep Lewin uit, "denk eens: in negen jaren heb ik niet
gebiecht! Ik heb er zelfs niet aan gedacht!"
"Dat is wat moois," zeide Stipan lachend; "en jij bejegent mij als een
nihilist! Maar dat kan zoo niet gaan. Je moet je godsdienstplichten
vervullen."
"Wanneer? Wij hebben maar vier dagen meer!"
Stipan schikte deze zaak gelijk de andere, en Lewin begon zijn
godsdienstplichten te vervullen. Zelf ongeloovige, eerbiedigde hij
toch de overtuiging van anderen, en vond het hard tegenwoordig te zijn
bij en deel te nemen aan godsdienstplechtigheden, waaraan hij niet
geloofde. In zijn teedere en sentimenteele gemoedsstemming, waarin hij
nu verkeerde, was hem de dwang om te veinzen zeer hatelijk. Hoe! spelen
met heilige dingen, liegen, nu zijn hart zich had geopend, nu hij zich
te midden van zijn volle glorie gevoelde! was dit mogelijk? Maar wat
hij deed om Stipan te dringen een middel te zoeken om een attest te
bekomen zonder gedwongen biechten--deze bleef onverbiddelijk.
"Wat doet 't er toe? Twee dagen gaan spoedig voorbij en je hebt te
doen met een goedigen grijsaard, die je dezen tand wel zal trekken
zonder pijn."
Lewin deed onder de eerste mis, waarbij hij tegenwoordig was, zijn
best om zich de godsdienstige indrukken van zijn jeugd te herinneren,
die tusschen de zestien en zeventien jaar bij hem zeer levendig
geweest waren, maar hij slaagde er niet in. Hij trachtte toen de
godsdienstvormen te beschouwen als een oud gebruik, zonder zin,
ongeveer als de gewoonte om visites te maken; dit gelukte hem evenmin,
want, zooals de meesten zijner tijdgenooten, verkeerde hij in een vagen
toestand ten opzichte van godsdienstige waarheden, en niet in staat om
ze te gelooven, was hij het evenmin om ze geheel te onderwerpen. Deze
verwarring van gevoelens veroorzaakte hem gedurende den tijd, die aan
zijn devotie's gewijd was, eene beschamende verlegenheid; handelen
zonder overtuigd te zijn, dit was--zoo riep hem zijn geweten toe--een
slechte, leugenachtige daad.
Om niet in lijnrechten strijd te zijn met zijn overtuiging, trachtte
hij eerst den een of anderen zin aan het kerkelijk ritueel toe
te kennen, maar bespeurende, dat hij kritiseerde in plaats van te
begrijpen, deed hij zich geweld aan om niet meer te hooren, ten einde
zich over te geven aan de intieme gedachten, die zich gedurende zijn
lange bezoeken in de kerk van hem meester maakten.--De mis, de vesper
en de avondgebeden gingen op die wijze voorbij; den volgenden morgen
stond hij vroeg op en kwam tegen acht uur nuchter in de kerk voor de
morgengebeden en de biecht. De kerk was ledig; hij zag er niemand dan
een soldaat, die bedelde, twee oude vrouwen en de hulpgeestelijken. Een
jong diaken kwam hem te gemoet; zijn lange, magere rug teekende
zich door zijn dunnen priesterrok heen in twee scherpe helften
af, hij naderde een tafeltje bij den muur en begon de gebeden te
lezen. Lewin bleef rechtop achter hem staan en hoorde hem op haastigen
toon, met eentonige stem en afgebroken woorden lezen en telkens de
woorden herhalen: «Ontferm U over ons!" die als een nagalm klonken;
hij trachtte zich te verzetten tegen het luisteren en beoordeelen,
om niet gestoord te worden in zijn eigen aangename gedachten.
"Welk een uitdrukking heeft zij in de handen," dacht hij, zich de
soirée van den vorigen avond herinnerend, die hij met Kitty had
doorgebracht in een hoek van het salon bij een tafel. Hun gesprek
was niet van het minste belang; zij vermaakte zich met haar hand,
die op de tafel leunde, te openen en te sluiten, terwijl zij lachte
om deze kinderachtigheid. Hij herinnerde zich deze hand te hebben
gekust en er de lijnen van te hebben beschouwd.
"Nog al _ontferm U over ons_," dacht Lewin het kruisteeken slaande
en buigende tot op den grond, terwijl hij de lenige bewegingen van
den voor hem staanden diaken gadesloeg, die zich ook nederboog.
"Vervolgens heeft zij mijn hand genomen en ze op haar beurt
onderzocht. Je hebt een fameuse hand, heeft ze mij gezegd." Hij
beschouwde zijn hand, vervolgens die van den diaken met stompe vingers.
"Nu zal 't spoedig uit zijn. Neen, hij begint weer te bidden. Ja toch,
hij buigt tot op de steenen; dat is het einde."
De diaken ontving een billet van drie roebel, dat ongemerkt in
zijn mouw gleed, en verwijderde zich haastig en deed zijn nieuwe
schoenen klinken op de vloersteenen der ledige kerk; hij verdween
achter het altaar, na Lewin te hebben beloofd hem in te schrijven
voor de biecht. Een oogenblik daarna kwam hij terug en gaf hem een
teeken. Lewin naderde het koor, beklom eenige treden, keerde rechts
om en zag den priester voor zich, een grijsaard van kleine gestalte
met een bijna witten baard, goedhartig en wat vermoeid van uitzicht,
die bij den koorlessenaar stond en in het misboek bladerde. Na Lewin
even gegroet te hebben, begon hij de gebeden te lezen, terwijl hij,
aan het einde gekomen, zich tot aan den grond boog.
"Christus is onzichtbaar bij uw biecht tegenwoordig," zeide hij zich
naar Lewin keerend en wees op het crucifix. "Gelooft gij in alles,
wat de heilige apostolische kerk ons leert?" ging hij voort, zijn
handen onder de stola kruisende.
"Ik heb getwijfeld, ik twijfel nog aan alles," zeide Lewin met een
stem, die hem zelf onaangenaam in de ooren klonk, en toen zweeg bij.
De priester wachtte eenige seconden, sloot de oogen en zeide zeer snel:
"Twijfelen is aan de zwakke menschheid eigen, wij moeten den Almachtige
bidden, u te versterken. Welke zijn uw voornaamste zonden?"
De priester sprak in een adem door, alsof hij vreesde tijd te
verliezen.
"Mijn voornaamste zonde is de twijfel, die mij niet wil verlaten;
ik twijfel aan alles en bijna altijd."
"Twijfelen is de zwakke menschheid eigen," herhaalde de priester;
"waaraan twijfelt gij hoofdzakelijk?"
"Aan alles. Ik twijfel somtijds zelfs aan Gods bestaan," antwoordde
Lewin bijna in weerwil van zich zelf verschrikt door de ongepastheid
dezer woorden. Maar zij schenen op den priester niet den indruk te
maken, dien hij vreesde.
"Welke gronden van twijfel aan het bestaan van God hebt gij dan?" vroeg
de priester met een schier onmerkbaren glimlach.
Lewin zweeg.
"Welken twijfel kunt gij hebben omtrent den Schepper, als gij Zijn
werken beschouwt? Wie heeft het hemelgewelf versierd met zijn sterren,
de aarde getooid met al haar pracht. Hoe zouden al deze dingen bestaan
zonder den Schepper?" En hij vestigde een ondervragenden blik op Lewin.
Lewin besefte de onmogelijkheid van een philosophische discussie met
een priester en antwoordde op de laatste vraag:
"Ik weet het niet."
"Gij weet het niet? Maar waarom twijfelt gij dan, dat God alles
heeft geschapen?"
"Ik begrijp er niets van," antwoordde Lewin blozend, en gevoelde
de ongerijmdheid der antwoorden, die in het tegenwoordig geval niet
anders dan ongerijmd zijn konden.
"Bid tot God, neem uw toevlucht tot Hem; de kerkvaders zelf hebben
getwijfeld en God gesmeekt hun geloof te versterken. De duivel is
machtig en wij moeten hem wederstaan. Bid tot God, bid tot God,
bid tot God," herhaalde de priester zeer snel.
Toen bewaarde hij een oogenblik het zwijgen, alsof hij nadacht.
"Gij zijt voornemens, zooals men mij gezegd heeft, een huwelijk te
sluiten met de dochter van mijn parochiaan en geestelijken zoon,
vorst Tscherbatzky?" liet hij met een glimlach volgen. "Dat is een
voortreffelijk meisje."
"Ja," antwoordde Lewin blozend. "Wat heeft hij noodig zulke vragen
bij de biecht te doen?" vroeg hij zich zelf.
De priester ging voort:
"Gij denkt aan het huwelijk, en God zal u misschien nakomelingen
geven. Welke opvoeding zult gij uw kleine kinderen geven, als gij
er niet toe komt de verzoekingen des duivels te overwinnen, die u
aanspoort tot ongeloof? Indien gij uw kinderen lief hebt, dan zult
gij niet slechts wenschen hun rijkdom, weelde en aanzien na te laten,
maar als een goed vader zorgen voor het heil hunner ziel door het
licht der waarheid,--is dat niet zoo? Wat zult gij antwoorden, als
het onschuldig kind u vraagt: Vader, wie heeft alles gemaakt, wat
mij bekoort op de aarde: het water, de bergen, de zon, de bloemen
en planten? Zult gij het antwoorden: Ik weet het niet? Kunt gij
ontkennen, wat God in Zijn oneindige goedheid u heeft voor oogen
gesteld? En indien het kind u vraagt: Wat staat mij te wachten na den
dood? Wat zult gij het zeggen, als gij niets weet? Hoe zult gij het
antwoorden? Zult gij het overgeven aan de verleiding der wereld en
des duivels? Dat is niet goed," zeide hij het hoofd op zijde buigend
om Lewin aan te zien met zijn goedige, zachte en bescheiden oogen.
"Gij gaat een phase van het leven in," vervolgde de priester, "waarin
men zijn richting moet kiezen en er zich aan houden. Bid God, dat Hij u
helpe en in Zijn barmhartigheid u ondersteune; en om te besluiten: Onze
Heer en God, Jezus Christus, zal u in Zijn genade voor de menschheid
vergeven, mijn zoon...." En de priester, de formulen der absolutie
voltooiend, gaf hem zijn zegen en liet hem gaan.
Lewin kwam dien dag verheugd in huis terug bij de gedachte, dat hij
uit een valschen toestand was bevrijd zonder dat hij had behoeven te
liegen. Hij droeg bovendien van het korte gesprek van den grijsaard
den vagen indruk mede, dat hij in plaats van ongerijmdheden dingen
gehoord had, die de moeite waard waren overdacht te worden.
"Natuurlijk nu niet," dacht hij, "maar later."
Lewin gevoelde levendig, dat er in zijn ziel een nevelachtig, donker
gebied was verborgen; en wat den godsdienst betrof, verkeerde hij
geheel in het geval van Swijaschsky en eenige anderen, wier begrippen
zonder samenhang hem steeds onaangenaam troffen.
De soirée, die Lewin met zijn bruid bij Dolly doorbracht, was zeer
vroolijk; hij vergeleek zich in zijn discours met Stipan Arkadiewitsch
met een hond, dien men africht om door een hoepel te springen, en die,
verheugd dat hij eindelijk de les heeft begrepen, in zijn blijdschap
kwispelstaartend op de tafel en op de vensterbank wil springen.