XIX.

Vorstin Tscherbatzky achtte het onmogelijk het huwelijk te laten

voltrekken voor de groote vasten, en wel wegens den uitzet, waarvan

voor dien tijd, dat is binnen vijf weken, nauwelijks de helft gereed

kon zijn. Zij moest echter toestemmen, dat men, indien men wachtte

tot Paschen, gevaar liep door een sterfgeval verhinderd te worden,

want een oude tante van den vorst was gevaarlijk ziek. Men sloeg

dus een middelweg in door te besluiten, dat het huwelijk zou plaats

hebben voor de vasten, maar dat men slechts een gedeelte van den

uitzet onmiddellijk zou ontvangen en de rest na de bruiloft. Het

jonge paar was voornemens, dadelijk na de plechtigheid naar het

land te vertrekken en had dus niet veel noodig. De vorstin was

verontwaardigd Lewin onverschillig te zien voor al deze belangen;

als altijd half dwaas, ging hij voort zijn geluk en zijn persoon te

beschouwen als het middelpunt, het eenige doel der schepping; om zijn

zaken bekommerde hij zich niet, hij liet ze over aan de zorg zijner

vrienden, overtuigd, dat zij alles ten beste zouden schikken. Zijn

broeder Sergej, Stipan Arkadiewitsch en de vorstin leidden hem geheel;

hij vergenoegde zich met goed te keuren, wat men hem voorsloeg.

Zijn broeder leende het geld, dat hij noodig had; de vorstin raadde

hem aan Moskou na de bruiloft te verlaten, Stipan Arkadiewitsch was

van gevoelen, dat een reis in den vreemde gepast zou zijn. Hij stemde

alles toe.

"Beveelt wat u goeddunkt," dacht hij, "ik ben gelukkig, en wat gij

ook beschikt, mijn geluk zal er niet meer of niet minder door zijn."

Maar toen hij Stipans idee aan Kitty mededeelde, hoorde hij met

verwondering, dat zij dit ontwerp niet goedkeurde en dat zij voor

de toekomst wel bepaalde plannen had. Zij wist, dat Lewin te huis

op zijn goederen ernstige belangen had, en deze belangen, die zij

niet begreep of trachtte te begrijpen, schenen haar zeer gewichtig

te zijn; ook wenschte zij geen reis in het buitenland, maar gaf

er de voorkeur aan zich dadelijk in hun werkelijke woonplaats te

installeeren. Deze zeer bepaalde beslissing verraste Lewin, en als

altijd onverschillig voor de details, verzocht hij Stipan, met den

smaak, die hem kenmerkte, het toezicht te houden over de verfraaiing

van zijn huis op Pokrowka. Dat was juist een kolfje naar zijn hand.

"A propos," zeide Stipan eens, nadat hij buiten alles had geregeld,

"heb je het attest van de biecht?"

"Neen, waarom?"

"Zonder dat kan men niet trouwen."

"Ai, Ai!" riep Lewin uit, "denk eens: in negen jaren heb ik niet

gebiecht! Ik heb er zelfs niet aan gedacht!"

"Dat is wat moois," zeide Stipan lachend; "en jij bejegent mij als een

nihilist! Maar dat kan zoo niet gaan. Je moet je godsdienstplichten

vervullen."

"Wanneer? Wij hebben maar vier dagen meer!"

Stipan schikte deze zaak gelijk de andere, en Lewin begon zijn

godsdienstplichten te vervullen. Zelf ongeloovige, eerbiedigde hij

toch de overtuiging van anderen, en vond het hard tegenwoordig te zijn

bij en deel te nemen aan godsdienstplechtigheden, waaraan hij niet

geloofde. In zijn teedere en sentimenteele gemoedsstemming, waarin hij

nu verkeerde, was hem de dwang om te veinzen zeer hatelijk. Hoe! spelen

met heilige dingen, liegen, nu zijn hart zich had geopend, nu hij zich

te midden van zijn volle glorie gevoelde! was dit mogelijk? Maar wat

hij deed om Stipan te dringen een middel te zoeken om een attest te

bekomen zonder gedwongen biechten--deze bleef onverbiddelijk.

"Wat doet 't er toe? Twee dagen gaan spoedig voorbij en je hebt te

doen met een goedigen grijsaard, die je dezen tand wel zal trekken

zonder pijn."

Lewin deed onder de eerste mis, waarbij hij tegenwoordig was, zijn

best om zich de godsdienstige indrukken van zijn jeugd te herinneren,

die tusschen de zestien en zeventien jaar bij hem zeer levendig

geweest waren, maar hij slaagde er niet in. Hij trachtte toen de

godsdienstvormen te beschouwen als een oud gebruik, zonder zin,

ongeveer als de gewoonte om visites te maken; dit gelukte hem evenmin,

want, zooals de meesten zijner tijdgenooten, verkeerde hij in een vagen

toestand ten opzichte van godsdienstige waarheden, en niet in staat om

ze te gelooven, was hij het evenmin om ze geheel te onderwerpen. Deze

verwarring van gevoelens veroorzaakte hem gedurende den tijd, die aan

zijn devotie's gewijd was, eene beschamende verlegenheid; handelen

zonder overtuigd te zijn, dit was--zoo riep hem zijn geweten toe--een

slechte, leugenachtige daad.

Om niet in lijnrechten strijd te zijn met zijn overtuiging, trachtte

hij eerst den een of anderen zin aan het kerkelijk ritueel toe

te kennen, maar bespeurende, dat hij kritiseerde in plaats van te

begrijpen, deed hij zich geweld aan om niet meer te hooren, ten einde

zich over te geven aan de intieme gedachten, die zich gedurende zijn

lange bezoeken in de kerk van hem meester maakten.--De mis, de vesper

en de avondgebeden gingen op die wijze voorbij; den volgenden morgen

stond hij vroeg op en kwam tegen acht uur nuchter in de kerk voor de

morgengebeden en de biecht. De kerk was ledig; hij zag er niemand dan

een soldaat, die bedelde, twee oude vrouwen en de hulpgeestelijken. Een

jong diaken kwam hem te gemoet; zijn lange, magere rug teekende

zich door zijn dunnen priesterrok heen in twee scherpe helften

af, hij naderde een tafeltje bij den muur en begon de gebeden te

lezen. Lewin bleef rechtop achter hem staan en hoorde hem op haastigen

toon, met eentonige stem en afgebroken woorden lezen en telkens de

woorden herhalen: «Ontferm U over ons!" die als een nagalm klonken;

hij trachtte zich te verzetten tegen het luisteren en beoordeelen,

om niet gestoord te worden in zijn eigen aangename gedachten.

"Welk een uitdrukking heeft zij in de handen," dacht hij, zich de

soirée van den vorigen avond herinnerend, die hij met Kitty had

doorgebracht in een hoek van het salon bij een tafel. Hun gesprek

was niet van het minste belang; zij vermaakte zich met haar hand,

die op de tafel leunde, te openen en te sluiten, terwijl zij lachte

om deze kinderachtigheid. Hij herinnerde zich deze hand te hebben

gekust en er de lijnen van te hebben beschouwd.

"Nog al _ontferm U over ons_," dacht Lewin het kruisteeken slaande

en buigende tot op den grond, terwijl hij de lenige bewegingen van

den voor hem staanden diaken gadesloeg, die zich ook nederboog.

"Vervolgens heeft zij mijn hand genomen en ze op haar beurt

onderzocht. Je hebt een fameuse hand, heeft ze mij gezegd." Hij

beschouwde zijn hand, vervolgens die van den diaken met stompe vingers.

"Nu zal 't spoedig uit zijn. Neen, hij begint weer te bidden. Ja toch,

hij buigt tot op de steenen; dat is het einde."

De diaken ontving een billet van drie roebel, dat ongemerkt in

zijn mouw gleed, en verwijderde zich haastig en deed zijn nieuwe

schoenen klinken op de vloersteenen der ledige kerk; hij verdween

achter het altaar, na Lewin te hebben beloofd hem in te schrijven

voor de biecht. Een oogenblik daarna kwam hij terug en gaf hem een

teeken. Lewin naderde het koor, beklom eenige treden, keerde rechts

om en zag den priester voor zich, een grijsaard van kleine gestalte

met een bijna witten baard, goedhartig en wat vermoeid van uitzicht,

die bij den koorlessenaar stond en in het misboek bladerde. Na Lewin

even gegroet te hebben, begon hij de gebeden te lezen, terwijl hij,

aan het einde gekomen, zich tot aan den grond boog.

"Christus is onzichtbaar bij uw biecht tegenwoordig," zeide hij zich

naar Lewin keerend en wees op het crucifix. "Gelooft gij in alles,

wat de heilige apostolische kerk ons leert?" ging hij voort, zijn

handen onder de stola kruisende.

"Ik heb getwijfeld, ik twijfel nog aan alles," zeide Lewin met een

stem, die hem zelf onaangenaam in de ooren klonk, en toen zweeg bij.

De priester wachtte eenige seconden, sloot de oogen en zeide zeer snel:

"Twijfelen is aan de zwakke menschheid eigen, wij moeten den Almachtige

bidden, u te versterken. Welke zijn uw voornaamste zonden?"

De priester sprak in een adem door, alsof hij vreesde tijd te

verliezen.

"Mijn voornaamste zonde is de twijfel, die mij niet wil verlaten;

ik twijfel aan alles en bijna altijd."

"Twijfelen is de zwakke menschheid eigen," herhaalde de priester;

"waaraan twijfelt gij hoofdzakelijk?"

"Aan alles. Ik twijfel somtijds zelfs aan Gods bestaan," antwoordde

Lewin bijna in weerwil van zich zelf verschrikt door de ongepastheid

dezer woorden. Maar zij schenen op den priester niet den indruk te

maken, dien hij vreesde.

"Welke gronden van twijfel aan het bestaan van God hebt gij dan?" vroeg

de priester met een schier onmerkbaren glimlach.

Lewin zweeg.

"Welken twijfel kunt gij hebben omtrent den Schepper, als gij Zijn

werken beschouwt? Wie heeft het hemelgewelf versierd met zijn sterren,

de aarde getooid met al haar pracht. Hoe zouden al deze dingen bestaan

zonder den Schepper?" En hij vestigde een ondervragenden blik op Lewin.

Lewin besefte de onmogelijkheid van een philosophische discussie met

een priester en antwoordde op de laatste vraag:

"Ik weet het niet."

"Gij weet het niet? Maar waarom twijfelt gij dan, dat God alles

heeft geschapen?"

"Ik begrijp er niets van," antwoordde Lewin blozend, en gevoelde

de ongerijmdheid der antwoorden, die in het tegenwoordig geval niet

anders dan ongerijmd zijn konden.

"Bid tot God, neem uw toevlucht tot Hem; de kerkvaders zelf hebben

getwijfeld en God gesmeekt hun geloof te versterken. De duivel is

machtig en wij moeten hem wederstaan. Bid tot God, bid tot God,

bid tot God," herhaalde de priester zeer snel.

Toen bewaarde hij een oogenblik het zwijgen, alsof hij nadacht.

"Gij zijt voornemens, zooals men mij gezegd heeft, een huwelijk te

sluiten met de dochter van mijn parochiaan en geestelijken zoon,

vorst Tscherbatzky?" liet hij met een glimlach volgen. "Dat is een

voortreffelijk meisje."

"Ja," antwoordde Lewin blozend. "Wat heeft hij noodig zulke vragen

bij de biecht te doen?" vroeg hij zich zelf.

De priester ging voort:

"Gij denkt aan het huwelijk, en God zal u misschien nakomelingen

geven. Welke opvoeding zult gij uw kleine kinderen geven, als gij

er niet toe komt de verzoekingen des duivels te overwinnen, die u

aanspoort tot ongeloof? Indien gij uw kinderen lief hebt, dan zult

gij niet slechts wenschen hun rijkdom, weelde en aanzien na te laten,

maar als een goed vader zorgen voor het heil hunner ziel door het

licht der waarheid,--is dat niet zoo? Wat zult gij antwoorden, als

het onschuldig kind u vraagt: Vader, wie heeft alles gemaakt, wat

mij bekoort op de aarde: het water, de bergen, de zon, de bloemen

en planten? Zult gij het antwoorden: Ik weet het niet? Kunt gij

ontkennen, wat God in Zijn oneindige goedheid u heeft voor oogen

gesteld? En indien het kind u vraagt: Wat staat mij te wachten na den

dood? Wat zult gij het zeggen, als gij niets weet? Hoe zult gij het

antwoorden? Zult gij het overgeven aan de verleiding der wereld en

des duivels? Dat is niet goed," zeide hij het hoofd op zijde buigend

om Lewin aan te zien met zijn goedige, zachte en bescheiden oogen.

"Gij gaat een phase van het leven in," vervolgde de priester, "waarin

men zijn richting moet kiezen en er zich aan houden. Bid God, dat Hij u

helpe en in Zijn barmhartigheid u ondersteune; en om te besluiten: Onze

Heer en God, Jezus Christus, zal u in Zijn genade voor de menschheid

vergeven, mijn zoon...." En de priester, de formulen der absolutie

voltooiend, gaf hem zijn zegen en liet hem gaan.

Lewin kwam dien dag verheugd in huis terug bij de gedachte, dat hij

uit een valschen toestand was bevrijd zonder dat hij had behoeven te

liegen. Hij droeg bovendien van het korte gesprek van den grijsaard

den vagen indruk mede, dat hij in plaats van ongerijmdheden dingen

gehoord had, die de moeite waard waren overdacht te worden.

"Natuurlijk nu niet," dacht hij, "maar later."

Lewin gevoelde levendig, dat er in zijn ziel een nevelachtig, donker

gebied was verborgen; en wat den godsdienst betrof, verkeerde hij

geheel in het geval van Swijaschsky en eenige anderen, wier begrippen

zonder samenhang hem steeds onaangenaam troffen.

De soirée, die Lewin met zijn bruid bij Dolly doorbracht, was zeer

vroolijk; hij vergeleek zich in zijn discours met Stipan Arkadiewitsch

met een hond, dien men africht om door een hoepel te springen, en die,

verheugd dat hij eindelijk de les heeft begrepen, in zijn blijdschap

kwispelstaartend op de tafel en op de vensterbank wil springen.

Anna Karenina(#13214) · 第 105 / 196 题