XVIII.

Wronsky's verwonding was, al was het hart niet getroffen,

gevaarlijk. Eenige dagen zweefde hij tusschen leven en dood. Toen

hij voor de eerste maal weer tot bewustzijn kwam, bevond Warja zich

alleen bij hem in de kamer.

"Warja," zeide hij en zag haar somber aan, "ik heb mij toevallig

gewond; zoo moet gij tot allen zeggen en niet meer daarvan spreken. Het

is te dom!"

Zonder hem een antwoord te geven, boog Warja zich over hem heen en

zag hem verheugd in het gelaat. Zijn oogen stonden helder en zonder

teeken van koorts; maar zij hadden een sombere uitdrukking.

"Nu Goddank!" zeide zij, "hebt ge geen pijn meer?"

"Hier nog een weinig." Hij wees op zijn borst.

"Wacht een oogenblik; ik zal u verbinden."

Hij drukte zwijgend de breede kaken opeen en zag haar aan, terwijl zij

hem verbond. Toen zij daarmede gereed was, zeide hij: "Ik phantaseer

niet. Zorg er voor, dat men niets anders van mij zegt, dan dat ik

mij toevallig verwond heb."

"Niemand spreekt daarover. Maar ik hoop, dat je niet weer toevallig

op je zelf schieten zult."

"Ik zal het wel niet weer doen; maar beter was het!" En hij lachte

somber.

In weerwil van deze woorden en van dit lachen, waardoor Warja zeer

verschrikt was, gevoelde hij toch, toen de ontsteking had opgehouden en

de genezing begonnen was, dat hij zich van een deels zijns kommers had

ontlast; alsof hij zich door deze daad van de schande en vernedering,

die hem te voren drukten, rein gewasschen had. Hij kon nu weer met

kalmte aan Alexei Alexandrowitsch denken; hij erkende diens groote

edelmoedigheid zonder zich daardoor vernederd te gevoelen. Buitendien

kwam hij ook nu weer in het oude vaarvater zijns levens. Hij zag de

mogelijkheid om de menschen weder zonder gevoel van schaamte in de

oogen te kunnen zien en kon zich weer door zijn voormalige gewoonten

laten leiden. Slechts één gevoel kon hij, ofschoon hij het voortdurend

bestreed, niet uit zijn hart rukken: een aan wanhoop grenzend leedwezen

_haar_ voor immer in het verderf te hebben gestort. Dat hij zich nu,

nadat hij zijn schuld had gedelgd, geheel van haar losmaken en zich

niet meer tusschen haar en haar echtgenoot dringen zou, stond bij hem

vast; maar hij kon toch het leedwezen over haar verlies niet uit zijn

hart rukken, hij kon de herinnering niet bannen aan de oogenblikken

van geluk, die hij bij haar had genoten, die hij toen te weinig had

weten te waardeeren en die hem nu met hun bekoorlijkheid in zijn

verbeelding vervolgden.

Serpuchowsky bewerkte voor hem een verplaatsing naar Taschkent en

Wronsky was zonder wankelen aanstonds bereid daaraan te voldoen. Maar

hoe meer het oogenblik van vertrek naderde, des te zwaarder scheen

hem het offer, dat hij meende aan zijn plicht te moeten brengen.

Zijn wond was genezen en hij ging reeds uit om de voorbereidselen

voor zijn vertrek te maken.

"Slechts eenmaal zou ik haar gaarne zien, dan zal ik mij gewillig in

ballingschap begraven en sterven," dacht hij en aan deze gedachte

had hij bij een zijner afscheidsbezoeken woorden gegeven. Met dit

bericht was Betsy naar Anna gegaan en had hem haar afwijzend antwoord

teruggebracht.

"Des te beter!" dacht Wronsky bij dit bericht; "het was slechts een

zwakheid, die mij mijn laatste krachten zou gekost hebben."

Den volgenden dag kwam Betsy bij hem en meldde hem, dat zij

van Oblonsky het bepaald bericht had ontvangen, dat Karenin zijn

toestemming tot echtscheiding had gegeven. Hij zou haar derhalve nu

kunnen zien.

Zonder van Betsy afscheid te nemen, al zijn goede voornemens vergetend,

zonder te vragen, of hij gelegen kwam of waar zich haar echtgenoot

bevond, ijlde hij naar Karenins huis. Hij stoof de trap op, op niets

of niemand acht slaande, en bijna galoppeerend snelde hij haar kamer

binnen. Zonder te bedenken en zonder er op te letten, of ook iemand

anders tegenwoordig was, omhelsde hij haar en bedekte haar gelaat,

haar hals en haar armen met kussen.

Anna had zich op dit wederzien voorbereid; zij had overlegd, hoe zij

met hem zou spreken, maar zijn onstuimige hartstocht sleepte haar

mede, zoodat zij niets kon zeggen. Zij wilde hem en zich zelf tot

kalmte brengen, maar dat was nu te laat. Zijn opgewondenheid deelde

zich ook aan haar mede, en haar lippen beefden zoo, dat zij niet

vermocht te spreken.

"Ja, ge hebt mij veroverd en ik ben nu geheel de uwe!" zeide zij

eindelijk en drukte zijn handen tegen haar borst.

"Zoo moest het komen!" antwoordde hij. "En zoo moet het blijven,

zoolang wij leven. Nu weet ik dat!"

"Dat is waar!" zeide zij, terwijl zij allengs bleeker en bleeker werd

en intusschen zijn hoofd omvat hield. "Maar na al wat gebeurd is,

blijft daarin toch iets ontzettends."

"Dat zal voorbijgaan!" zeide hij. "Alles zal voorbijgaan, en dan zullen

wij gelukkig zijn! Onze liefde zal, zoo mogelijk, juist omdat daarbij

wat ontzettends is, nog sterker worden," en hij hief het hoofd op en

liet lachend zijn witte tanden zien.

En zij moest met een lachje het zijne beantwoorden, niet om zijn

woorden, maar om zijn verliefde oogen. Zij nam zijn hand en streelde

daarmede haar kort haar en koude wangen.

"Je bent met dat korte haar nauwelijks te herkennen. Je bent nog

schooner geworden. Net een jongen. Maar wat ben je bleek."

"Ja, ik ben nog steeds zeer zwak," zeide zij lachend en weder beefden

haar lippen.

"Wij gaan naar Italië; daar zult ge weer beter worden."

"Is het mogelijk, dat wij zullen zijn als man en vrouw? Ik met u

alleen?" zeide zij en zag hem in de oogen.

"Ik zou niet weten, hoe het anders zijn kon."

"Stiwa heeft mij gezegd, dat--hij met alles instemde; maar ik kan zijn

edelmoedigheid niet aannemen," zeide zij en zag nadenkend zijn gelaat

voorbij. "Ik dring op geen scheiding aan, mij is alles hetzelfde. Ik

laat hem zelfs mijn zoon! Wat dunkt je?"

Hij begreep niet, hoe zij in dit eerste oogenblik van hun wederzien

aan haar zoon en aan de scheiding denken kon. Alsof dat niet alles

onverschillig was!

"Spreek daar niet van! Denk er niet aan," zeide hij en keerde haar hand

in de zijne om. Hij wilde haar opmerkzaamheid weer tot zich trekken,

maar zij vermeed steeds hem aan te zien.

"Ach, waarom ben ik maar niet gestorven? Het ware beter geweest!" zeide

zij en zonder dat zij snikte, vloeiden de tranen over haar wangen,

maar zij deed moeite een opgeruimde uitdrukking aan haar gelaat te

geven om hem niet te bedroeven.

Volgens zijn vroegere levensopvatting zou het voor Wronsky beschamend

en onmogelijk geweest zijn, zijn evenzoo met eer als met gevaar

verbonden verplaatsing naar Taschkent af te wijzen; maar nu zag hij er

zonder aarzelen af, en daar hij bemerkte, dat hooggeplaatste personen

daarover ontevreden waren, verliet hij geheel den militairen dienst.

Een maand later bleef Alexei Alexandrowitsch in zijn woning alleen

met zijn zoon. Anna en Wronsky waren op weg naar het buitenland,

zonder dat een scheiding, waarvan zij uitdrukkelijk had afgezien,

had plaats gevonden.

Anna Karenina(#13214) · 第 104 / 196 题