De vorstin en Dolly namen nauwkeurig de vastgestelde gebruiken in
acht, ook stonden zij Lewin niet toe op den trouwdag zijn bruid te
zien; hij dineerde in zijn hotel met drie ongehuwde heeren, met wie
hij toevallig te zamen was: Kattawassow, een vroegere makker van de
universiteit, thans professor in de natuurkundige wetenschappen, die
Lewin ontmoet en hier heen gevoerd en uitgenoodigd had op het diner,
Tschirikow, zijn bruidsjonker vrederechter te Moskou en zijn metgezel
op de berenjacht, en eindelijk Sergej Iwanowitsch.
Het diner was zeer opgewekt. Sergej Iwanowitsch was in een goed humeur,
en Katawassows originaliteit vermaakte hem buitengemeen; deze ziende,
dat hij in den smaak viel, overtrof zich zelf en ook Tschirikow hielp
vroolijk de conversatie onderhouden.
"Daar is nu onze vriend Constantin Dimitritsch," zeide Katawassow op
den langzamen spreektoon van den professor, die gewoon is, dat men
naar hem luistert, "de middeleeuwsche knaap van weleer! Ik spreek
van hem in het verledene, want hij bestaat niet meer. Toen hij de
universiteit verliet, beminde hij de wetenschap en stelde belang in
de menschheid; thans besteedt hij een gedeelte van zijn vermogens om
zich illusies te maken, en het andere om aan zijn hersenschimmen een
schijn van grond te geven."
"Ik heb nimmer een beslister vijand van het huwelijk ontmoet dan u,"
zeide Sergej Iwanowitsch.
"Geenszins; ik ben eenvoudig deelgenoot in de vervulling van de
algemeene taak. Zij, die nergens geschikt voor zijn, zijn goed om de
soort te vermeerderen. De anderen moeten bijdragen tot de geestelijke
ontwikkeling, tot het geluk van hun natuurgenooten. Dat is mijn
gevoelen. Ik weet, dat een menigte lieden geneigd zijn deze beide
takken van arbeid te verwarren; maar ik behoor niet tot dat getal."
""Wat zou ik dan blijde zijn, als ik hoorde, dat gij verliefd
waart!" riep Lewin uit. "Ik bid je, verzoek mij op je bruiloft."
"Maar ik ben al verliefd."
"Ja op de mollusken. Gij weet," zeide Lewin zich naar zijn broeder
keerende, "Michaël Seminitsch schrijft een werk over de voeding en ..."
"Ik bid je, haspel de zaken niet dooreen! Het doet er weinig toe wat
ik schrijf, maar het is waarheid, dat ik de mollusken bemin."
"Dat zal je niet beletten een vrouw te beminnen."
"Neen, maar mijn vrouw zou zich verzetten tegen mijn liefde voor
de mollusken."
"Waarom dat?"
"Je zult het wel zien. Je houdt op dit oogenblik van de jacht, van
de landbouwkunde; nu, wacht maar eens."
"Ik heb vandaag Archi ontmoet," zeide Tschirikow; "hij beweert,
dat men te Prudnow een menigte eilanden, zelfs beren vindt."
"Je zult er jacht op maken zonder mij."
"Zie je wel," zeide Sergej Iwanowitsch. "Wat de berenjacht betreft,
die kun je vaarwel zeggen; uw vrouw zal 't niet toestaan."
Lewin glimlachte. De gedachte, dat zijn vrouw hem de jacht zou
verbieden, scheen hem zoo bekoorlijk, dat hij gaarne voor altijd zou
afzien van het pleizier een beer te ontmoeten.
"Het gebruik om afscheid te nemen van zijn vrijgezelsleven is niet
zinledig," zeide Sergej Iwanowitsch. "Hoe gelukkig men zich gevoelt,
men betreurt altijd zijn vrijheid."
"Beken maar, dat zooals bij den bruidegom van Gogol het geval was,
de lust bij u opkomt om uit het venster te springen."
"Zeker, maar hij zal het niet bekennen," zeide Katawassow luid
lachende.
"Het venster is open ... vertrekken we naar Twer! Wij kunnen den beer
in zijn hol vinden. Inderdaad, we kunnen den trein van vijf uur nog
halen," zeide Tschirikow glimlachende.
"Welnu," antwoordde Lewin eveneens lachende, met de hand op het hart:
"ik kan in mijn ziel niet het minste spoor van berouw over het
prijsgeven van mijn vrijheid ontdekken."
"Je ziel verkeert in zulk een chaos, dat je er in het eerste kwartier
niets in onderscheiden kunt. Wacht tot 't er wat meer helder wordt en
dan zul je eens zien. Je bent een sujet, dat weinig hoop overlaat! Laat
ons drinken op je genezing."
Na het diner gingen de gasten uiteen, omdat zij zich moesten omkleeden
voor de huwelijksplechtigheid.
Toen hij alleen was gebleven, vroeg Lewin zich zelf nog af, of hij
werkelijk de vrijheid betreurde, waarvan zijn vrienden zooeven hadden
gesproken, en dit denkbeeld deed hem glimlachen.
"De vrijheid? Waartoe de vrijheid? Het geluk bestaat voor mij in
beminnen, in de gedachte aan haar, in het verlangen naar haar, zonder
eenige vrijheid. Zie daar het geluk!"
"Maar kan ik haar gedachten kennen, haar wenschen, haar gevoelens?" De
glimlach verdween van zijn lippen. Hij verzonk in een diepe droomerij
en gevoelde zich aangegrepen door vrees en twijfel.
"En indien zij mij niet beminde? Indien zij mij enkel trouwde om te
trouwen? Indien zij dat deed zonder zedelijk besef? Misschien zal zij
haar dwaling inzien en, nadat zij met mij gehuwd is, begrijpen, dat
zij mij niet bemint en mij niet kan beminnen?" En de voor Kitty meest
kwetsende gedachten voeren hem door het hoofd; hij begon op nieuw,
zooals een jaar vroeger, een geweldige jaloerschheid tegen Wronsky
te gevoelen; zijn herinnering voerde hem terug naar dien avond,
toen hij hen op de soiree te zamen had gezien, en verdacht haar,
dat zij hem nog niet geheel had vergeten.
"Neen," dacht hij wanhopig van zijn stoel opstaande, "ik kan in dezen
toestand niet blijven; ik ga naar haar toe, ik zal met haar spreken
en tot haar zeggen: 'Wij zijn vrij, is het niet beter niet verder
te gaan? Alles is beter dan het ongeluk van een geheel leven, dan
de schande en de ontrouw!'" En buiten zich zelf, vol haat tegen de
menschheid, tegen zich zelf, tegen Kitty, snelde hij naar haar woning.
Hij trof haar aan bij een groote kist, bezig om met de kamenier
japonnen van allerlei kleuren uit te spreiden op de vloer en op de
ruggen der stoelen.
"Hoe?" riep zij met een van blijdschap stralend gelaat uit, toen zij
hem zag. "Jij hier, jij zelf? Dat had ik niet gedacht. Ik ben bezig
mijn meisjescostumes te verdeelen."
"Ah, dat is goed!" antwoordde hij, de kamenier met een somberen
blik aanziende.
"Ga nu maar, Douniascha, ik zal je roepen," zeide Kitty; en dadelijk
toen zij was heengegaan, vroeg zij: "Wat is er?"--Zij was getroffen
en verschrikt door het ontdaan uitzicht van haar bruidegom.
"Kitty, ik word gepijnigd!" zeide hij op wanhopigen toon en bleef
met een smeekende houding om in haar oogen te lezen, voor haar staan.
Deze heldere oogen, vol liefde hem aanziende, bewezen hem dadelijk,
hoe ongegrond zijn vrees was, maar hij gevoelde een onweerstaanbare
behoefte om gerustgesteld te worden.
"Ik ben gekomen om u te zeggen, dat het nog niet te laat is, dat
alles nog kan worden hersteld."
"Wat? Ik begrijp je niet. Wat bedoel je?"
"Ik ... zooals ik honderdmaal dacht en zeide ... ik ben u niet
waardig. Ge hebt eerst niet kunnen toestemmen mij te trouwen. Bedenk
dat wel. Gij bedriegt u misschien. Denk er goed over. Ge kunt mij
niet beminnen ... Indien ... ge moet het liever bekennen ...." ging
hij voort, zonder haar aan te zien. "Ik zal ongelukkig zijn, maar dat
komt er niet op aan; je moet zeggen wat je wenscht; alles is beter
dan duurzame rampzaligheid! Nu, nu het nog tijd is...."
"Ik begrijp je niet," antwoordde zij hem verschrikt aanziende;
"wat wilt ge? Terugtrekken, afbreken?"
"Ja, indien je me niet bemint."
"Je raaskalt!" riep zij uit, blozende van opkomende drift. Maar op
het zien van zijn bedroefd gelaat verdween haar toorn, en de japonnen,
die de stoelen bedekten, wegstootend, kwam zij dicht bij hem.
"Waar denk je aan? Zeg mij alles."
"Ik denk, dat je mij niet kunt beminnen. Waarom zoudt ge mij beminnen?"
"Mijn God! wat zal ik er aan doen?" zeide zij en brak in tranen uit.
"Wat heb ik gedaan!" riep hij dadelijk, en zich voor haar op de knieën
werpend, bedekte hij haar handen met kussen.
Toen de vorstin vijf minuten later de kamer binnentrad, waren
zij geheel verzoend. Kitty had haar bruidegom van haar liefde
overtuigd. Zij had hem uitgelegd, dat zij hem beminde, omdat zij hem
volkomen begreep, omdat zij wist, dat zij behoefte had om te beminnen,
en dat al wat hij lief had goed en edel was.
Lewin vond de uitlegging volkomen afdoende. Toen de vorstin binnenkwam,
waren zij naast elkander op den grooten koffer gezeten, de japonnen
beschouwende en raadplegende over haar bestemming. Kitty wilde de
bruine japon, die zij droeg toen Lewin haar hand vroeg, aan Douniascha
geven, en hij stond er op, dat zij ze aan niemand zou geven en dat
Douniascha de blauwe zou bekomen.
"Maar denk je er dan niet aan, dat, daar zij een brunette is, de
blauwe haar misstaan zou? Ik heb aan dat alles gedacht."
Toen de vorstin vernam, waarom Lewin gekomen was, werd zij boos en
lachte te gelijk; zij zond hem heen om zich te kleeden. want Charles
zou dadelijk komen om Kitty te kappen.
"Zij is buitendien al opgewonden genoeg," zeide zij; "zij eet niets
dezer dagen, ook valt zij zichtbaar af; je zult haar nog geheel in de
war brengen met je dwaasheden! Kom maak je uit de voeten, mijn jongen."
Lewin kwam beschaamd en verlegen, maar gerustgesteld in het hotel
terug. Zijn broeder, Darja Alexandrowna en Stipan wachtten hem reeds
in groot toilet om hem te zegenen met de heiligenbeelden. Er was geen
tijd te verliezen. Dolly moest naar huis om haar zoontje te halen,
die voor deze gelegenheid zorgvuldig van pommade voorzien en gefriseerd
was; het kind was belast om het heiligenbeeld voor bruid en bruidegom
uit te dragen. Vervolgens moest er een rijtuig gezonden worden aan
den bruidsjonker, terwijl de andere, die Sergej Iwanowitsch moest
geleiden, aan het hotel zou terugkomen. Er waren dien dag de meest
ingewikkelde combinaties in acht te nemen. Men moest zich haasten,
want het was al halfzeven.
Aan de plechtigheid van den zegen ontbrak de ernst. Stipan
Arkadiewitsch nam aan de zijde van zijn vrouw een plechtige en komieke
houding aan, hief het beeld op, dwong Lewin om zich diep neder te
buigen, terwijl hij hem zegende met een welwillenden en ondeugenden
glimlach om de lippen; hij eindigde met hem driemaal te omhelzen,
hetgeen ook Dolly haastig deed, daar zij moest vertrekken en vooral
zorg had over de schikking met het rijtuig.
"Wij zullen zoo doen: gij gaat hem halen met ons rijtuig, en misschien
zal Sergej Iwanowitsch de goedheid hebben dadelijk te komen en het
zijne terug te zenden
"Best, met veel genoegen."
"Wij zullen te zamen komen. Is de bagage verzonden?" vroeg Stipan
Arkadiewitsch.
"Ja," antwoordde Lewin, en hij riep zijn bediende om hem te kleeden.