XVII.

Stipan Arkadiewitsch trad met hetzelfde eenigszins plechtig gezicht,

waarmede hij zich in de gerechtszaal in zijn directorialen zetel

placht neder te zetten, Karenins kabinet binnen. Deze ging met de

handen op den rug op en neder en dacht er over na, wat Stipan wel

met Anna bespreken mocht.

"Stoor ik je?" vroeg Stipan, dien bij den aanblik zijns zwagers een

hem anders onbekend gevoel van verlegenheid beving.

"Neen. Verlang je iets?" vroeg deze onvriendelijk.

"Ja, ik wilde.... Ik moet--ja, ik moet met je spreken," stamelde

Oblonsky, zelf over zijn ongewone schuchterheid verwonderd.

Dit gevoel had hem zoo onverwacht en eigenaardig overvallen, dat

hij het niet voor de stem van zijn geweten hield, dat hem zeide,

dat hij een verkeerden stap ging doen. Hij vermande zich en bestreed

zijn schuchterheid.

"Ik hoop, dat ge mij zult gelooven, dat ik mijn zuster lief heb en

jegens haar de oprechtste achting en gehechtheid koester."

Alexei Alexandrowitsch bleef staan, maar antwoordde niets. De

uitdrukking van volkomen offervaardigheid op zijn gelaat maakte echter

op Stipan Arkadiewitsch een diepen indruk.

"Ik was voornemens met je over mijn zuster en uw wederzijdsche

verhouding te spreken," zeide hij, nog steeds niet geheel meester

over zijn verlegenheid.

Karenin lachte weemoedig, zag zijn zwager aan en zonder te antwoorden

ging hij naar de schrijftafel, nam een begonnen brief op en reikte

dien Stipan over.

"Ik denk er onophoudelijk aan," zeide hij daarbij, "en ben reeds

begonnen het schriftelijk uiteen te zetten, omdat ik dacht, dat dit

beter was, want mijn tegenwoordigheid windt haar op."

Stipan nam verrast den brief aan, zag de matte oogen, die zoo

onafgewend op hem gericht waren, en begon te lezen: "Ik zie, dat mijn

tegenwoordigheid u lastig is. Hoe smartelijk het mij ook is daarvan

overtuigd te zijn, zie ik toch, dat het zoo is en niet anders zijn

kan. Ik wil u niet aanklagen, en God is mijn getuige, dat ik, toen ik u

in uw ziekte zag, van ganscher harte besloten had al het tusschen ons

voorgevallene te vergeven en een nieuw leven te beginnen. Daar heb ik

geen berouw over en zal er ook geen berouw over hebben; maar ik zie,

dat ik het daardoor beoogde doel, uw welzijn, het geluk uwer ziel,

niet bereiken kan. Zeg mij nu zelf, wat u het geluk en de rust uws

harten kan wedergeven. Ik zal mij geheel aan uw wil en rechtsgevoel

onderwerpen."

Stipan Arkadiewitsch gaf den brief terug en zag zijn zwager

twijfelachtig aan, daar hij niet wist, wat hij zeggen zou. Dit zwijgen

werd beiden zoo onbehagelijk, dat Stipans lippen begonnen te beven,

terwijl zijn blik op Alexei Alexandrowitsch bleef hechten.

"Dat is het, wat ik je zeggen wilde," sprak deze eindelijk en wendde

zich af.

"Ja, ja," zeide Stipan, zonder in staat te zijn verder te spreken, want

de aandoening beklemde zijn keel. "Ja, ja, ik begrijp dat...." bracht

hij er eindelijk uit.

"Ik wensch slechts, haar wil te vernemen," zeide Alexei.

"Ik vrees, dat zij zelf geen klaar begrip van haar toestand heeft. Zij

kan hier geen rechter zijn," antwoordde Stipan eindelijk weer zich

zelf meester. "Zij gevoelt zich bedrukt, werkelijk bedrukt door je

edelmoedigheid. Als zij dezen brief ontvangt, zal zij de kracht niet

hebben iets te antwoorden.--Zij zal het hoofd nog meer laten hangen."

"Ja, maar wat dan te doen in dit geval? Hoe zal ik mij

verklaren.... Hoe haar wil vernemen?"

"Als ge mij veroorlooft mijn meening te zeggen, dan geloof ik dat

dat van u afhangt; gij moet de noodige maatregelen nemen om aan dezen

toestand een eind te maken...."

"Je meent dus, er moet een eind aan gemaakt worden?" viel Karenin

hem in de rede. "Maar hoe? Ik zie geen uitweg."

"Uit elken toestand is een uitweg," zeide Stipan opstaande en

nieuwen moed scheppende. "Er was een tijd, dat je dezen band wildet

verbreken.... Als ge u nu overtuigd hebt, dat je wederzijds bij

elkander je geluk niet kunt vinden...."

"Geluk kan zeer verschillend worden opgevat. Maar veronderstellen wij,

dat ik tot alles bereid ben, dat ik voor mij zelf niets wil--welken

uitweg uit onzen toestand zie je dan?"

"Hoor dan mijn gevoelen," zeide Stipan met hetzelfde verzachtend,

honingzoet lachje als te voren tot Anna; en dit goedhartig lachje

werkte zoo overtuigend, dat Karenin al zijn eigen hulpeloosheid begreep

en, zich geheel aan hem onderwerpend, bereid was alles te gelooven,

wat Stipan zeggen zou. "Zij zelf zal het nimmer uitspreken." ging deze

voort. "Maar slechts één ding is mogelijk dat zij wenschen kan, en dat

is, dat deze geheele verhouding en alle daarmede verbonden herinnering

ophouden. Ik bedoel, dat in ulieder toestand een zeer nauwkeurige

bepaling uwer wederzijdsche verhoudingen noodzakelijk is. En deze

kan slechts door de vrijheid van beide partijen verkregen worden...."

"Dat beteekent, door een echtscheiding," viel Alexei hem in de rede.

"Ja, ik meen de scheiding; ja, een scheiding," herhaalde Stipan

blozend, "is in elk opzicht de verstandigste uitweg voor echtgenooten,

die zoo met elkander staan, als gijlieden. Wat zou men anders doen,

als men in het huwelijk bevindt, dat een samenleven onmogelijk is? En

dit kan altijd gebeuren...."

Karenin zuchtte zwaar.

"Hier is maar dit eene te bedenken: of een der echtgenooten weer

trouwen wil. Zoo niet, dan is alles zeer eenvoudig," ging Stipan voort,

terwijl hij zich meer on meer van zijn bevangenheid losmaakte.

Karenin mompelde met opgewonden gelaat iets bij zich zelf, maar

antwoordde niet. Alles, wat zijn zwager zoo eenvoudig voorkwam, had

hij zich zelf reeds zoo dikwijls gezegd. Maar dat was niet slechts

niet eenvoudig, maar volslagen onmogelijk. Een scheiding, waarvoor

volgens de wetten een reden bestaan moest, kwam hem nu onmogelijk voor,

daar van de eene zijde het gevoel van eigenwaarde en achting voor

den godsdienst niet veroorloofden de beschuldiging van gefingeerde

echtbreuk op zich zelf te nemen, en van den anderen kant kon hij nog

minder toelaten, dat de vrouw, die hij beminde en die hij vergeven had,

aangeklaagd en beschimpt werd. De wettige scheiding was onmogelijk,

ook nog om andere gewichtige redenen.

"Wat zou er, ingeval van zulk een scheiding, van den zoon worden? Hem

bij de moeder laten was onmogelijk; want deze gescheiden moeder zou

weldra haar eigen onwettige familie hebben, waaronder de positie en

opvoeding van den stiefzoon zeer waarschijnlijk betreurenswaardig

zijn zou. Hem echter bij zich houden? Hij wist, dat dit van zijn kant

wraakneming zou zijn, en deze wilde hij niet. Maar het meest onmogelijk

kwam hem de scheiding om den wil van Anna zelf voor. Dolly's woord

te Moskou, dat hij bij een scheiding slechts aan zich zelf dacht en

daarbij niet in aanmerking nam, dat hij er Anna door te gronde zou

richten, was hem in de ziel gevallen. En dit woord, in verband met

zijn onbaatzuchtige, vergevensgezinde stemming en met zijn liefde

voor de kinderen, verstond hij nu op zijn wijze. Zijne toestemming

tot scheiding beteekende voor hem zelf een ontzegging van het leven

en van de kinderen, en voor haar, haar den laatsten steun op den weg

van het goede ontnemen en haar in het verderf storten. Gescheiden,

zou zij zich, dat wist hij, met Wronsky vereenigen en deze verbintenis

zou onwettig en misdadig zijn; want voor de echtbreukige vrouw bestaat

er naar de wetten der kerk geen huwelijk, zoolang de echtgenoot leeft.

"Zij zal zich met hem vereenigen en na een of twee jaren zal hij

haar weer verlaten of zij zal een nieuwe minnarij aanknoopen,"

dacht Karenin. "En ik, omdat ik tot deze onwettige scheiding mijn

toestemming heb gegeven, zal de schuld van haar verderf dragen."

Hij geloofde dus geen woord van hetgeen Stipan zeide, op alles had

hij vele tegenwerpingen, maar hij hoorde hem aan in het bewustzijn,

dat zich in zijn woorden weder dat overmachtig ruw geweld deed hooren,

dat zijn leven leidde en waarvoor hij eindelijk toch zou moeten bukken.

"De vraag is nu deze, op welke voorwaarden ge u over een scheiding

wilt verstaan. Zij maakt op niets aanspraak en waagt niet u om iets

te verzoeken, zij laat alles aan uwe edelmoedigheid over."

"Mijn God, mijn God! Waartoe dit?" dacht Alexei Alexandrowitsch,

terwijl hij zich de details eener scheiding voorstelde, waarbij de

man de schuld op zich nam, en met dezelfde beschaamde beweging, zooals

Wronsky eens voor hem stond, hief hij zijn handen voor het gelaat.

"Je zijt opgewonden, dat begrijp ik. Maar als je het wel overlegt...."

"Als u iemand op de rechter wang slaat, keer hem ook de linker toe, en

ontneemt u iemand den rok, laat hem ook den mantel...." dacht Alexei

Alexandrowitsch: "Ja ja!" riep hij met zwakke, klagende stem uit:

"Ik wil de schande op mij nemen en sta ook nog den zoon af; maar ... of

het niet beter is het niet te doen ... Overigens, doe, wat ge wilt!"

En terwijl hij zich van zijn zwager afwendde, opdat deze hem niet

zien kon, ging hij op zijn stoel bij het venster zitten. Hij had een

bitter, beschamend gevoel; maar tusschen dit verdriet en deze schaamte

mengde zich een inwendige blijde ontroering over de grootheid van

zijn ootmoed.

Ook Stipan was ontroerd en zweeg een poos. "Alexei Alexandrowitsch,

geloof mij, zij zal uw edelmoedigheid weten te waardeeren. Maar het

is Gods wil," voegde hij er bij, doch nauwelijks had hij dit gezegd,

of hij bedacht, dat het zeer afgezaagd en hier niet gepast was,

en het kostte hem moeite een glimlach terug te houden.

Karenin wilde iets antwoorden, maar zijn ontroering belette het hem.

"Het is een fatale zaak, een ongeluk, dat moet men erkennen." sprak

Stipan. "Maar ik beschouw het als een onveranderlijke daadzaak,

en ik zal trachten u en haar te helpen."

Toen hij de kamer verliet, was hij ontroerd, maar dat weerhield hem

niet met het gevolg van zijn pogen tevreden te zijn, want hij was

overtuigd, dat zijn zwager zijn woord niet zou terugnemen. Bij deze

voldoening kwam nog een ander genoegen, want hij kreeg den inval,

dat hij, als deze aangelegenheid zou zijn afgeloopen, zijn vrouw en

zijn kennissen de vraag wilde voorleggen: "Welk onderscheid is er

tusschen mij en een veldmaarschalk? De veldmaarschalk manoeuvreert

en niemand is daarmede geholpen, en ook ik heb gemanoeuvreerd en drie

zijn er door geholpen; of beter: welke overeenkomst is er tusschen mij

en een veldmaarschalk, als ...? Nu, ik zal het nog beter uitdenken,"

zeide hij met een tevreden lachje.

Anna Karenina(#13214) · 第 103 / 196 题