Toen Karenin zich op het wederzien zijner vrouw had voorbereid, had
hij een fout begaan. Hij had niet op de mogelijkheid gerekend, dat
haar berouw oprecht kon zijn, dat hij haar vergeven en dat zij niet
sterven zou. Deze fout erkende hij twee maanden na zijn terugkomst
van Moskou in haar volle beteekenis. De reden was, dat hij voor deze
laatste ontmoeting zijner vrouw zijn eigen gevoel niet kende. Aan
haar ziekbed had hij voor de eerste maal in zijn leven geheel aan dat
gevoel toegegeven, gedreven zoowel door het medelijden, dat anderer
lijden steeds bij hem verwekte en waarvoor hij zich steeds als voor
een dwaze zwakheid geschaamd had--als door berouw, dat hij op haar
dood had gehoopt, en eindelijk niet het minst door de zaligheid van
het vergeven, waardoor hij plotseling zijn leed verzacht gevoelde en
in zijn hart een vrede en geluk inkeerde, zooals hij te voren niet
gekend had.
Hij had zijn vrouw vergeven, beminde haar en had medelijden met haar
om haar lijden en om haar berouw; hij had Wronsky vergeven en had
medelijden met hem, toen hij zijn wanhopige daad vernam. Ook zijn
oudsten zoon beminde hij nu meer dan vroeger, maar het meest het kleine
meisje. Eerst bemoeide hij zich uit medelijden met het pasgeboren
zwakke kind, dat het zijne niet was en gedurende de ziekte der moeder
zeer verwaarloosd zou zijn geworden, als hij het zich niet aangetrokken
had, en nu bemerkte hij dat hij het had liefgekregen. Eenige malen
daags begaf hij zich naar de kinderkamer, de baker en de kindermeid,
die hem eerst vreesden, hadden zich aan hem gewend, en geruimen tijd
kon hij het kleine roodgele gezichtje beschouwen.
Maar, hoe meer de tijd verliep, des te meer werd hij overtuigd, dat,
hoe natuurlijk hem zelf ook zijn tegenwoordige toestand toescheen,
men er wel voor zorgen zoude hem niet rustig daarin te laten
blijven. Behalve de eigen, innerlijke zelfvoldoening bemerkte hij
spoedig, dat er nog een andere, grover en sterker macht was, die zijn
lot bestuurde en dat deze hem de ootmoedige zielerust, die hij zocht,
niet gunnen zoude. Hij besefte, dat allen hem vragend en verbaasd
aanzagen, omdat zij hem niet begrepen, en dat zij de een of andere
handeling van hem verwachtten. Maar vooral besefte hij het onware en
onnatuurlijke van zijn verhouding tot zijn vrouw.
Toen de weekhartigheid, die het naderen van Anna's dood had verwekt,
verdwenen was, bemerkte Alexei Alexandrowitsch, dat zij hem schuwde,
dat hij haar lastig was en dat zij hem niet in de oogen kon zien. Alsof
zij hem iets zeggen wilde, waartoe zij niet vermocht te besluiten en
alsof zij vermoedde, dat hun tegenwoordige verhouding zoo niet kon
voortduren, verwachtte ook zij iets van hem.
Tegen het einde van Februari werd het jongste kind ziek, dat naar zijn
moeder "Anna" was gedoopt. Karenin was 's morgens vroegtijdig in de
kinderkamer geweest en nadat hij had bevolen om den dokter te zenden,
was hij naar het ministerie gegaan. Eerst om vier uur keerde hij naar
huis terug. In de voorkamer trof hij een opgeschikten bediende aan
met gouden tressen en een kraag van berenvel, die over een witten
met Amerikaansch hondevel gevoerden mantel lag.
"Wie is daar?" vroeg Karenin.
"Vorstin Elizabeth Fedorowna Twerskaja." antwoordde de bediende met
een snert van glimlach, die Karenin niet beviel.
Het bezoek der vorstin, van wie hij volstrekt niet hield, was hem
onaangenaam en hij begaf zich daarom naar de kamers der kinderen.
In de eerste kamer lag Serëscha over de tafel gebogen en teekende onder
vroolijk gebabbel. De Engelsche gouvernante, die met een handwerkje
naast hem zat, stond bij Karenins binnentreden op.
Alexei Alexandrowitsch streek met de hand over het haar van zijn zoon
en vroeg, wat de dokter van de kleine baby gezegd had.
"De dokter zegt, dat het niets gevaarlijks is en heeft alleen baden
voorgeschreven, sir."
"Ja, maar haar scheelt toch wat," en hij luisterde naar het krijten
van het kind in de aangrenzende kamer.
"Ik geloof, dat de minne niet deugt," zeide de Engelsche beslist.
"Waarom denkt u dat?" vroeg hij en bleef staan.
"Zij is ook bij gravin Pohl geweest, sir. Men dokterde steeds met
het kind, en eindelijk bleek het, dat de minne geen voedsel had."
Karenin dacht na. Toen ging hij de andere kamer in. Het kind
lag achterover op de armen der minne, rekte zich uit en wilde de
aangeboden borst niet nemen. Het schreide in weerwil van het sussen
der over haar gebogen minne.
"Gaat het nog steeds niet beter?" vroeg Alexei Alexandrowitsch.
"Zeer onrustig," antwoordde de kindermeid.
"Miss Edwards denkt, dat de minne geen voedsel genoeg heeft."
"Dat geloof ik ook, Alexei Alexandrowitsch."
"Waarom zeg je dat dan niet?"
"Wien zou ik het zeggen? Anna Arkadiewna is immers nog altijd ziek,"
antwoordde de dienstmeid verdrietig.
Zij was een oude dienares des huizes. Alexei Alexandrowitsch meende in
haar eenvoudige woorden een toespeling op zijn toestand als echtgenoot
te vinden.--Het kindje schreide nog sterker; de meid nam het van
de minne over en wiegde het, terwijl zij de kamer op en neer ging,
in haar armen.
"De dokter moet de minne onderzoeken," zeide Alexei Alexandrowitsch.
De oogenschijnlijk gezonde en bloeiende minne, bevreesd dat zij
ontslagen kon worden, mompelde iets, terwijl zij haar borst verbergde,
en lachte verachtelijk over den twijfel aan haar overvloed van
melk. Ook in dien lach zag Karenin een spotten met zijn toestand.
"Arm kind," zeide de dienstmeid, terwijl zij het al op en neer gaande
tot rust zocht te brengen.
Alexei Alexandrowitsch nam plaats op een stoel en keek met deelnemende
uitdrukking toe. Toen het kind eindelijk in zijn wiegje gelegd en het
kussen door de meid terecht geschikt was, stond Alexei Alexandrowitsch
weder op en naderde, behoedzaam op de teenen gaande, de wieg; hij zag
het kind een poos zwijgend en met dezelfde uitdrukking van medelijden
aan, toen verhelderde zich zijn voorhoofd en hij verliet de kamer.
In de eetkamer gekomen, schelde hij en beval den dienaar, den dokter
te halen. Hij ergerde zich over zijn vrouw, dat zij zich zoo weinig om
het kind bekommerde, en derhalve overwon hij zich en ging naar haar
kamer. Terwijl hij over het dikke tapijt de deur naderde, werd hij
zonder het te willen getuige van een gesprek, dat hij niet begeerde
te hooren.
"Als hij niet ging vertrekken, kon ik uw weigering begrijpen. Overigens
schijnt uw man immers boven dit alles verheven te zijn," hoorde hij
vorstin Betsy zeggen.
"O, niet om mijn man, maar om mijns zelfs wil! Spreek zoo
niet!" antwoordde Anna's opgewonden stem.
"Maar ge moet toch zelf wenschen van een man afscheid te nemen,
die zich om u wilde doodschieten."
"Juist daarom wil ik het niet...."
Alexei Alexandrowitsch bleef met verschrikt, schuldig gelaat staan en
wilde weer terugkeeren. Maar hij bedacht, dat dit zijner niet waardig
was, en ging hoestend naar de slaapkamer. Het gesprek verstomde en
hij trad binnen.
Anna zat met kortafgesneden haar op de chaise-longue. Zooals altijd
bij den aanblik van haar echtgenoot, verdween de levendigheid uit
haar gelaat; zij boog het hoofd en zag verlegen naar Betsy. Deze zat
overdreven modern gekleed, het lange, schrale figuur stijf opgericht,
naast Anna; zij boog het hoofd en ontving Karenin met een ironisch
lachje.
"Ah," zeide zij als verrast; "het doet mij genoegen, u te huis te
treffen. U zelf komt nergens; sedert Anna's ziekte heb ik u niet meer
gezien. Ik heb gehoord.... Ja, u is een zeldzaam man!"
Zij sprak met beteekenisvolle vriendelijkheid, alsof zij hem wegens
zijn verhouding tot zijn vrouw een orde der edelmoedigheid wilde
schenken.
Karenin boog zich koel en, terwijl hij zijn vrouw de hand kuste,
vroeg hij, hoe het haar ging.
"Ik geloof, dat ik beter ben," antwoordde zij en vermeed zijn blik.
"Maar het schijnt mij, alsof ge een koortsachtige kleur hebt." zeide
hij, op het woord "koortsachtig" den nadruk leggend.
"Wij hebben te druk gepraat," zeide Betsy. "Ik zie in, dat het
zelfzuchtig van mij was en wil derhalve heengaan."
Zij stond op, maar Anna nam plotseling blozend, driftig haar hand:
"Neen, wat ik u bidden mag, blijf nog. Ik wil u nog iets zeggen,--neen
u!" wendde zij zich tot haar man en een donkerrood overstroomde haar
hals en haar voorhoofd: "Ik kan en wil voor u geen geheimen hebben."
Alexei Alexandrowitsch knakte met de vingers en boog het hoofd.
"Betsy heeft mij gezegd, dat graaf Wronsky wenscht voor zijn vertrek
naar Taschkent van ons afscheid te nemen." Zij zag haar man niet aan
en haastte zich alles te zeggen, wat haar zoo zwaar viel. "Ik heb
geantwoord, dat ik hem niet kon ontvangen."
"Of liever, mijn beste, dat dit van Alexei Alexandrowitsch afhing,"
verbeterde Betsy.
"Neen, ik kan hem niet ontvangen en het kan tot niets...." Zij
brak plotseling af en zag haar man vragend aan: "Met één woord:
ik wil niet...."
Alexei Alexandrowitsch kwam nader en wilde haar hand vatten. Haar
eerste beweging was ze terug te trekken, maar zij beheerschte zich
en drukte zijn vochtige hand vol gezwollen aderen.
"Ik dank u zeer voor uw vertrouwen." zeide hij half geërgerd en half
verlegen, omdat hij datgene, wat hij anders zoo gemakkelijk had kunnen
beslissen, niet wist te beoordeelen in tegenwoordigheid der vorstin,
die hem voorkwam als de personificatie van dat ruw geweld, dat zijn
leven in de oogen der wereld de richting zou geven en hem verhinderde
zich geheel aan de gevoelens van liefde en vergiffenis over te geven.
"Nu dan, adieu, melieve," zeide Betsy en stond op. Zij kuste Anna en
verliet de kamer. Alexei Alexandrowitsch deed haar uitgeleide.
"Alexei Alexandrowitsch, ik ken u als een waarachtig edelmoedig man,"
zeide zij, terwijl zij in het kleine salon bleef staan en zijn hand
vast drukte: "Ik ben u een vreemde, maar ik bemin en acht u zoozeer,
dat ik mij een raadgeving veroorloof: Ontvang hem. Alexei Wronsky is
een man van eer en hij vertrekt naar Taschkent."
"Vorstin, ik ben u voor uw raad en deelneming dankbaar; maar de vraag,
of zij hem ontvangen kan of niet, kan niemand uitmaken als zij zelf."
Hij zeide dit naar zijn gewoonte met waardigheid, maar dacht
onmiddellijk daarna, dat, hoe zijn woorden ook zijn mochten, door
den toestand der dingen voor hem geen waardigheid meer bestond. En
datzelfde las hij in het bedwongen half spottend glimlachen, waarmede
Betsy, toen hij zweeg, hem aanstaarde.